Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:207

Zaaknummer

250006

Inhoudsindicatie

Klagers, curatoren in een faillissement, waren verwikkeld in een procedure, waarin ter discussie stond of een financiering door de voormalige moedermaatschappij van de failliet in het kader van een management buy-out (voorzienbaar) onvoldoende was geweest. Klagers hebben een deskundigenbericht in het geding gebracht ter onderbouwing van hun standpunt. De advocaat van de wederpartij heeft in een akte de juistheid van de berekening in het deskundigenbericht betwist. Klagers verwijten hem dat hij gedragsregels 1 en 8 heeft geschonden door in en buiten rechte feitelijke informatie te verstrekken waarvan hij wist, dan wel behoorde te weten, dat die onjuist is en door wezenlijke informatie aan de rechter te onthouden. Het hof is van oordeel dat het niet ging om feitelijke gegevens, maar om gemaakte berekeningen, die kunnen verschillen naar gelang men een andere invalshoek of andere uitgangspunten hanteert. Het kon klagers duidelijk zijn dat slechts een reactie werd gegeven op (onderdelen van) de berekening van hun deskundige. Ongegrond. Bekrachtiging beslissing raad.

Uitspraak

 

 

van 24 oktober 2025

in de zaak 250006

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klagers

gemachtigde: mr. R.J. van der Weijden, advocaat te Amsterdam

 

tegen:

 

verweerder

gemachtigde: mr. W. Heemskerk, advocaat te Den Haag

 

 

1 INLEIDING

1.1 Klagers, curatoren in een faillissement, verwijten de advocaat van de wederpartij dat hij gedragsregels 1 en 8 heeft geschonden door in en buiten rechte feitelijke informatie te verstrekken waarvan hij wist, dan wel behoorde te weten, dat die onjuist is en door wezenlijke informatie aan de rechter te onthouden. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummer: 24-139/AL/MN) een beslissing gegeven op 9 december 2024. In deze beslissing is de klacht van klagers in beide onderdelen ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:301 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 7 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 29 augustus 2025. Daar zijn partijen en hun gemachtigden verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 Klagers zijn benoemd tot curatoren van een bij vonnis van 7 oktober 2014 failliet verklaarde vennootschap (hierna: de failliet). Klagers beklagen zich in hun hoedanigheid van curatoren over verweerder.

3.3 Voorafgaand aan het faillissement heeft op 27 juni 2013 een management buy-out plaatsgevonden, waarbij de toenmalige moedermaatschappij van de failliet (hierna: de holding) de aandelen in de failliet heeft overgedragen aan de bestuurder van de failliet. Daarbij is als zekerheid voor een geldlening van de holding aan de failliet van ongeveer € 11,5 miljoen een pandrecht gevestigd op de voorraden, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten van de failliet. Een aantal banken financierde de holding. De banken hadden op hun beurt een pandrecht bedongen op de vordering van de holding op de failliet.

3.4 Op 9 juli 2015 heeft verweerder namens de holding klagers in hun hoedanigheid van curatoren van de failliet gedagvaard tot afdracht van de opbrengst van de aan de holding verpande activa. De holding is bij vonnis van 30 december 2015 failliet verklaard. Verweerder heeft de procedure voortgezet ten behoeve van de curatoren van de holding (hierna: de curatoren). Daarnaast behartigde verweerder de belangen van de banken in verband met hun pandrecht op de vordering van de holding.

3.5 Klagers hebben de rechtsgeldigheid van het pandrecht van de holding betwist en gesteld dat de verkregen zekerheden paulianeus zijn gevestigd. Zij hebben de vernietiging van de zekerheidsstelling gevorderd. Ook hebben zij een deskundigenonderzoek laten uitvoeren. Klagers hebben het deskundigenrapport als productie in de procedure ingebracht.

3.6 In zijn akte uitlating producties tevens akte vermeerdering van eis van 25 oktober 2017 heeft verweerder namens zijn cliënten inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen het deskundigenrapport en de daarin getrokken conclusie. Verweerder heeft onder meer het volgende aangevoerd:

3.2 De gehele werkwijze van [klagers] rond het [deskundigenrapport] getuigt niet van zorgvuldigheid. [Klagers] zijn slechts doende geweest [de deskundige] zover te krijgen om als deskundige op papier te zetten wat zij eerder – in een e-mail met bijlage van 1 juli 2016 – reeds aan [de curatoren] hadden pogen over te brengen (in feite bevat het [deskundigenrapport] in essentie niet meer dan een herhaling van zetten ten opzichte van die e-mail, waarbij de eigen inbreng van [de deskundige] zich beperkt heeft tot het ten onrechte aandikken van vermeende toekomstige liquiditeitstekorten, zoals hierna zal worden aangetoond).

3.3 Geheel onbesproken blijft de uitvoerige reactie namens [de curatoren] op de e-mail van 1 juli 2016. Deze werd op 23 november 2016 aan [klagers] toegezonden en op die e-mail is door [klagers] tot de dag van vandaag nimmer gereageerd. (…)

3.5 De e-mail van [klagers] bevat de volgende tekst: (…)

3.7 De reactie namens [de curatoren] van 23 november 2016 bevat de volgende tekst:

“(…) Beide partijen hadden ten tijde van de transactie op 27 juni 2013 dan ook zonder meer vertrouwen in de toekomst van [de failliet], [de bestuurder] zag het zelf als “a chance of a lifetime”.

Uiteindelijk zijn de zaken door onvoorziene omstandigheden helaas anders gelopen. (…) Het liquiditeitstekort dat in het najaar van 2014 zou gaan optreden was helaas niet te overbruggen. Dat had niets te maken met het feit dat de financiering niet in overeenstemming met het businessplan was, maar met het feit dat [de failliet] qua EBITDA in de 14 maanden na de transactie helaas ca. € 2 miljoen achterbleef op de uitgangspunten in het businessplan (achteraf bezien was 2014 het laatste jaar van de sinds 2008 voortwoekerende financiële crisis). Maar dat maakt uiteraard niet dat partijen ten tijde van de transactie met een redelijke mate van waarschijnlijkheid konden voorzien dat [de failliet] failliet zou gaan, verre van dat. (…)”

3.7 Partijen zijn vervolgens met elkaar in overleg getreden over een minnelijke regeling en hebben de civiele procedure op de parkeerrol laten zetten.

3.8 Verweerder heeft in dat kader aan de Belastingdienst zijn standpunt gevraagd over een mogelijk aanbod van de curatoren aan de schuldeisers van de failliet. De Belastingdienst heeft hierop op 21 december 2017 aan verweerder onder meer gemaild:

Daarbij heeft u aangegeven dat de slagingskansen van [klagers] op max 30% inschat (waarbij u wel aantekent dat [klagers] de slagingskansen uiteraard omgekeerd inschatten). Voordat u de boedelcrediteuren gaat benaderen wilt u weten of de Belastingdienst bereid is mee te werken aan deze oplossing. (…)

3.9 Op 9 februari 2018 hebben klagers een bespreking met de Belastingdienst gehad. Daarin is onder meer aan de orde gekomen dat na overleg met verweerder al was ingestemd met een regeling waarbij aan de Belastingdienst als preferente schuldeiser een uitkeringspercentage van 50% zou toekomen.

3.10 Daarna hebben klagers en verweerder onderhandelingen gevoerd over de inhoud van een te treffen regeling voor alle schuldeisers. Dat heeft geleid tot een regeling die is uitgewerkt in een vaststellingsovereenkomst. Die regeling maakte deel uit van een door de failliet aan te bieden schuldeisersakkoord, waarbij alle schuldeisers van de failliet die belang hebben bij de uitkomst van de procedure tegen de banken, een bepaald percentage van hun vordering betaald krijgen tegen finale kwijting. Onderdeel van deze regeling was de totstandkoming van een informatiememorandum, waarin de schuldeisers worden voorgelicht over de goede en kwade kansen van de procedures tussen klagers en de curatoren en de uiteindelijke gevolgen daarvan voor de uitdelingen. In september 2019 is dit memorandum aan de schuldeisers van de failliet gezonden.

3.11 In een e-mailbericht van 30 september 2020 heeft één van de curatoren aan verweerder het laatste commentaar op de concept vaststellingsovereenkomst van klagers gestuurd. Verweerder heeft dit e-mailbericht op 2 oktober 2020 vanaf zijn mobiele telefoon doorgezonden aan klagers.

3.12 Onder dit door verweerder doorgezonden e-mailbericht van 30 september 2020 zat onbedoeld een lang lint met e-mails met correspondentie tussen verweerder en zijn cliënten. Zo ook een e-mail van verweerder van 20 oktober 2017 aan zijn cliënten. In die e-mail schrijft verweerder aan zijn cliënten dat hij in de bijlage een concept-akte stuurt voor de rol van 25 oktober 2017 en verzoekt hij hen om daarop te reageren. Verweerder heeft een en ander nog toegelicht. Zo schrijft hij onder meer aan zijn cliënten:

“Zoals besproken hebben wij [B] ingeschakeld met de bedoelingen om "tegenrapport" op te stellen waarin de bevindingen van [de deskundige] onderuit gehaald worden. (...) Gaandeweg het onderzoek door [B] is echter gebleken dat het [deskundigen]rapport weliswaar grote fouten bevat - en die worden dan ook uitvoerig uitgemeten in de bijgevoegde akte - maar dat een juiste berekening van de liquiditeitsruimte in de jaren na 2013 niet veel gunstiger uitkomt dan waartoe [de deskundige] concludeert. Dat komt doordat [de deskundige] verzuimd heeft de werkkapitaalmutaties vanaf medio 2013 door te rekenen. (...)

Met inachtneming van de werkkapitaalmutaties komt [B] tot de volgende becijferingen en bevindingen (n.b. dit een concept-tekst van [B].

QUOTE

(...) Uit deze tabel blijkt dat [de failliet] ten tijde van de management buy-out onvoldoende was gefinancierd om in haar geprojecteerde toekomstige financieringsbehoefte te kunnen voldoen. In de boekjaren 2014 en 2015 zouden er liquiditeitstekorten ontstaan.

UNQUOTE

Als dit zo gepresenteerd wordt in rechte is deze zaak zo goed als verloren, dat moge duidelijk zijn. (...)

Om die reden hebben wij besloten er alsnog vanaf te zien om een rapport van [B] in het geding te brengen. (...) In plaats daarvan hebben wij ervoor gekozen om de (grote) onjuistheden in het [deskundigen]rapport in de bijgevoegde akte voor het voetlicht te brengen zonder daar een eigen nieuwe - en juiste - berekening tegenover te stellen. Dat hoeft strikt genomen ook niet omdat (...) wij vooralsnog kunnen volstaan met het ontkrachten van het in dat kader aangedragen bewijs.(...)

Het voorgaande impliceert wel dat de kansen op winst in deze procedure op basis van de berekeningen van [B] drastisch naar beneden dienen te worden bijgesteld en dat de aanbieding van een akkoord (en als dat niet lukt een schikking met [klagers]l) om aan deze procedure een einde te maken meer dan in het verleden veruit de voorkeur verdient. (...)

3.13 Klagers hebben niet alleen de voor hun bedoelde e-mail van verweerder van 30 september 2020 gelezen, maar ook het daaronder hangende, door verweerder meegestuurde lint met vertrouwelijke e-mails tussen verweerder en zijn cliënten in de jaren daarvoor. Klagers hebben uit die correspondentie de conclusie getrokken dat zij de eerdere bereikte beginselovereenstemming met verweerder niet meer wilden nakomen, omdat zij door verweerder onjuist zouden zijn geïnformeerd en ook dat verweerder aan de belanghebbende partijen wezenlijke informatie heeft onthouden. Klagers hebben de rechter-commissaris op de hoogte gesteld en hem over de inhoud van de e-mails geïnformeerd.

3.14 Op 18 februari 2021 heeft verweerder bij de deken een klacht over klagers ingediend. Daarin heeft hij zich erover beklaagd dat a) klagers kennis hebben genomen van abusievelijk aan hen toegezonden interne vertrouwelijke correspondentie tussen verweerder en zijn cliënten en b) daarnaast de abusievelijk aan hen toegezonden interne vertrouwelijke correspondentie tussen verweerder en zijn cliënten hebben gebruikt.

3.15 Op 23 april 2021 heeft de rechter-commissaris besloten dat de civiele procedure moest worden voortgezet. Verweerder had op dat moment zijn werkzaamheden voor de curatoren en banken neergelegd. De opvolgend advocaat van de curatoren heeft namens de banken de rechter-commissaris verzocht klagers te bevelen de eerder met de banken bereikte beginselovereenstemming na te komen. De rechter-commissaris heeft dat verzoek bij beschikking van 28 mei 2021 afgewezen en klagers opgedragen de procedure voort te zetten. De banken hebben tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

3.16 Bij beschikking van 7 maart 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland vastgesteld dat het klagers is toegestaan de civiele procedure voort te zetten met voorbijgaan aan de regeling.

3.17 Bij beslissingen van 19 juni 2023 heeft de raad in de onder 3.14 genoemde klachtzaken de klachten tegen klagers gegrond verklaard en klagers ieder een berisping opgelegd. Bij beslissing van 20 januari 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:7) heeft het hof de beslissingen van de raad vernietigd en de klachten ongegrond verklaard.

3.18 Op 10 juli 2024 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen in de tussen klagers en de banken voortgezette procedure en een deskundigenbericht gelast.

 

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door

a) in strijd met gedragsregel 8 zowel in als buiten rechte feitelijke informatie te verstrekken waarvan hij wist, dan wel behoorde te weten, dat die onjuist was;

b) in strijd met gedragsregel 1 te handelen door wezenlijke informatie aan de rechter te onthouden.

4.2 Ter toelichting op deze klachtonderdelen hebben klagers het volgende aangevoerd:

- Als curatoren van de failliet hebben zij vastgesteld dat de in 2014 door de holding verstrekte financiering tekortschoot c.q. niet voldoende was om de voorzienbare tekorten die voortvloeiden uit het op dat moment beschikbare businessplan te dekken. Niet alleen de door hun ingeschakelde deskundige heeft hetzelfde vastgesteld. Het in opdracht van verweerder c.q. het bankenconsortium op 13 oktober 2017 verstrekte rapport van [B] trok dezelfde conclusie;

- Verweerder heeft in de akte van 25 oktober 2017 als advocaat van de curatoren feiten geponeerd waarvan hij volgens klagers de onwaarheid kende. Zo heeft verweerder in die akte tegen beter weten in namens zijn cliënten aangevoerd dat het liquiditeitstekort van de failliet niets te maken zou hebben met het feit dat de verstrekte financiering niet in overeenstemming met het businessplan zou zijn. Het door verweerder zelf ingeschakelde [B] had verweerder daarover anders bericht. Niet alleen heeft verweerder in rechte aldus een niet verdedigbaar want feitelijk onjuist standpunt ingenomen, verweerder heeft ook de relevante informatie uit het [B] rapport aan de rechter onthouden. Daarmee heeft hij niet alleen in strijd gehandeld met de gedragsregels 1 en 8 maar ook in strijd met de waarheidsplicht zoals deze volgt uit artikel 21 Rv. Verweerder heeft weloverwogen en doelbewust tuchtrechtelijk verwijtbaar informatie achtergehouden om de rechter op het verkeerde been te zetten en heeft schade toegebracht aan het vertrouwen in de advocatuur en aan de beroepsgroep van curatoren in het bijzonder;

- Daarnaast heeft verweerder ook buiten rechte aan klagers (in hun hoedanigheid van curatoren), de gezamenlijke crediteuren en de Belastingdienst feitelijk onjuiste informatie verstrekt en daarmee in strijd gehandeld met gedragsregel 8. Verweerder heeft voornoemde betrokkenen tegen beter weten in en stelselmatig in strijd met de vastgestelde feiten voorgehouden dat de bewuste herfinanciering van de failliet wel dekkend zou zijn geweest voor de uit het businessplan voortvloeiende tekorten en dat zijn cliënten in de discussie over de al dan niet nietigheid van de door de failliet verstrekte zekerheden daarom meenden “een sterke zaak te hebben”. Dit terwijl dit zowel in als buiten rechte ingenomen standpunt van verweerder niet strookte met zijn eigen overtuiging, zoals dat volgens klagers duidelijk blijkt uit de jarenlange e-mailwisseling tussen verweerder en de cliënten, in het bijzonder zijn e-mail van 20 oktober 2017.

4.3 Volgens klagers is de handelwijze van verweerder des te verwijtbaarder nu verweerder jarenlang curator in faillissementen is geweest en als geen ander wist hoe volgens de regels rekening moest worden gehouden met de rechtmatige belangen van de gezamenlijke crediteuren van de failliet. Door die belangen te negeren en zelfs opzettelijk te beschadigen heeft verweerder in strijd met gedragsregel 1 gehandeld zoals een behoorlijk advocaat niet betaamt, aldus klagers.

 

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft de klacht beoordeeld aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, die geldt voor de advocaat van de wederpartij en overwogen dat daarbij voor verweerder geen specifieke regels gelden. Dat verweerder jarenlang zelf faillissementscurator is geweest, doet hier niet ter zake omdat hij wordt beklaagd als advocaat van de curatoren in het geschil met klagers als curatoren van de failliet.

5.2 De raad heeft de klachtonderdelen a) en b) vanwege hun samenhang gezamenlijk beoordeeld en eerst de inhoud van de relevante gedragsregels weergegeven. Gedragsregel 1 gaat over de beroepsplichten van een advocaat. Gelet op de bijzondere positie van een advocaat in het rechtsbestel is de advocaat gehouden tot betamelijke beroepsuitoefening (lid 1) zowel richting de cliënt als ook richting de overige betrokkenen (lid 2) waarbij de kernwaarden uitgangspunt moeten zijn (lid 3). Daarbij dient de advocaat zich zodanig te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur noch in zijn eigen beroepsuitoefening wordt geschaad (lid 4). Gedragsregel 8 luidt dat een advocaat zich zowel in als buiten rechte moet onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is.

5.3 De raad heeft overwogen dat verweerder heeft aangevoerd dat van het verstrekken van ‘feitelijke’ informatie geen sprake is geweest, zodat reeds daarom van strijdigheid met de genoemde gedragsregels geen sprake kan zijn. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder in dit kader toegelicht dat hij de gewraakte e-mail van 20 oktober 2017 uitsluitend heeft geschreven voor zijn cliënten. Hij heeft in die e-mail naar zijn zeggen zijn eigen visie op de proceskansen in de zaak gegeven en deze bewust negatiever aangezet, in de hoop daarmee één van de drie cliënten alsnog over de streep te trekken om in te stemmen met een schikking met klagers. De raad heeft overwogen dat van een partijdig advocaat niet kan worden verwacht om in onderhandelingen met de wederpartij of met daarbij betrokken derden mee te delen dat de eigen cliënt er eigenlijk niet zo goed voor staat. De eigen visie van verweerder in de e-mail aan zijn cliënten kan naar het oordeel van de raad niet worden gekwalificeerd als feitelijke informatie zoals bedoeld in regel 8. Verder mocht verweerder als partijdige belangenbehartiger advies inwinnen bij [B] en vervolgens niet alle informatie van [B] in zijn akte gebruiken. Geen regel verplicht een partijdig advocaat om informatie ten nadele van de cliënt in of buiten rechte kenbaar te maken. Niet is gebleken dat verweerder in en buiten rechte feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan hij wist dan wel kon weten dat die onjuist was.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klagers

6.1 Klagers hebben de volgende beroepsgronden aangevoerd tegen de beslissing van de raad.

1. Het feitenoverzicht is op een groot aantal punten te summier weergegeven en op één punt ook onjuist.

2. De Raad heeft overwogen dat advocaten niet bewust onjuiste informatie mogen verschaffen om daarmee de rechter te misleiden en ook dat geen regel een partijdig advocaat verplicht om informatie ten nadele van de cliënt in of buiten rechte kenbaar te maken. Voor zover de raad er daarbij van uitgegaan is dat het advocaten is toegestaan de rechter bewust onvolledige informatie te verschaffen, bijvoorbeeld door bewust bepaalde voor de cliënt nadelige informatie uit het gestelde feitencomplex weg te laten, heeft hij een onjuiste maatstaf aangelegd. Voor zover de raad er daarbij van uitgegaan is dat het advocaten is toegestaan stellingen in te nemen die haaks staan op de berekeningen van de eigen deskundige – omdat de cliënt zich daarin niet kan vinden – en de indruk te wekken dat er geen enkele aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van die stellingen, verwijzen klagers naar HvD 10 juli 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:150. De verplichting om de rechter volledig te informeren geldt eens te meer indien de feiten die de advocaat wél noemt een misleidend beeld geven.

3. Klagers verwijten verweerder vijf gedragingen in strijd met de gedragsregels 1 en 8, te weten dat hij:

in een de akte van 25 oktober 2017 heeft beweerd dat er medio 2013 van een financieringstekort bij de failliet geen sprake was, terwijl de door hem ingeschakelde deskundige [B] kort daarvoor had berekend dat van een tekort wél sprake was; in dat processtuk zes van de zeven onderdelen van de berekening van [B] heeft overgenomen, maar het cruciale zevende punt – met een impact van € 4 miljoen op het door [B] berekende tekort – bewust niet heeft overgenomen, waardoor de lezer van het processtuk zou kunnen denken dat van een tekort inderdaad geen sprake was, en dus op het verkeerde been wordt gezet; dat processtuk met onjuiste en misleidende informatie op eigen initiatief met de Belastingdienst, de belangrijkste medeschuldeiser, heeft gedeeld met als doel dat de Belastingdienst “geen helder beeld van de kansen over en weer in de procedure“ zou krijgen en zou meewerken aan een voor zijn cliënten zeer gunstig schuldeisersakkoord, terwijl verweerder kort ervoor met zijn cliënten had besproken dat zij door de berekeningen van [B] juist een (heel) slechte zaak hadden (“zo goed als verloren, dat moge duidelijk zijn”); in een bespreking met de Belastingdienst heeft beweerd dat hij de winstkansen voor zijn cliënten op 70% inschat, terwijl hij kort ervoor totaal anders met zijn cliënten had besproken; via een gezamenlijk memorandum dat was bedoeld om de schuldeisers van de failliet met “zoveel mogelijk zorgvuldigheid” te informeren opdat zij “tot een verantwoorde keuze” konden komen over hun medewerking aan het schuldeisersakkoord, die schuldeisers heeft geïnformeerd dat zijn cliënten meenden het recht aan hun zijde te hebben, terwijl hij met zijn cliënten had besproken dat zij juist een (heel) slechte zaak hadden.

De raad heeft ten onrechte gedragingen (i) en (iii) in het geheel niet getoetst, heeft bij gedraging (ii) een onjuiste of onvolledige maatstaf toegepast, en is bij gedragingen (iv) en (v) uitgegaan van een onjuiste lezing van de klachten, dan wel ten onrechte meegegaan in de blote en ongeloofwaardige stelling van verweerder dat hij en zijn cliënten meenden een goede zaak te hebben, en heeft ten onrechte geoordeeld dat het niet om het verstrekken van feitelijke informatie gaat. In het bijzonder heeft de raad de stellingen van verweerder, dat bij de failliet op 27 juni 2013 geen sprake zou zijn van een voorzienbaar liquiditeitstekort, dat het deskundigenrapport per saldo voor miljoenen aan fouten ten gunste van de positie klagers zou bevatten, en dat aan dat deskundigenrapport geen enkele betekenis zou toekomen, in het geheel niet getoetst.

4. De klacht ziet uitdrukkelijk niet op het feit dat verweerder klagers, de Belastingdienst en de overige schuldeisers van de failliet niet heeft geïnformeerd over de slechte proceskansen van zijn cliënten. Het stond verweerder vrij om zijn cliënten op hun slechte proceskansen te wijzen en ook om daar naar buiten toe geen uitspraken over te doen. Het verwijt aan verweerder is dat hij – in plaats van louter geen uitspraken te doen over de slechte proceskansen – uit eigen beweging, bewust en tegen beter weten in, het tegenovergestelde heeft beweerd. Dat verweerder en zijn cliënten wel degelijk meenden een slechte zaak te hebben, blijkt in het bijzonder uit de e-mails van 25 oktober 2017, 20 mei 2020 en 25 september 2020. Voor de feitelijke onjuistheid van verweerders mededelingen doet het er niet toe of verweerder zich in zijn email van 25 oktober 2017 wat negatiever heeft uitgedrukt. Hoe slecht de proceskansen volgens verweerder precies waren, is voor de feitelijke onjuistheid van zijn mededeling aan de Belastingdienst niet relevant.

5. In de overweging dat geen regel een partijdig advocaat verplicht om informatie ten nadele van de cliënt in of buiten rechte kenbaar te maken, miskent de raad dat er wel degelijk een regel is die advocaten verplicht om ook informatie ten nadele van de client in rechte kenbaar te maken. Bovendien g aat het hier niet om het sec niet-kenbaar maken van bepaalde informatie, maar om het niet kenbaar maken van die informatie in combinatie met het wél kenbaar maken van andere informatie met als gevolg dat er bij de rechtbank, de wederpartij in de procedure en derden met wie dit processtuk wordt gedeeld een misleidend beeld ontstaat.

6. Ten onrechte heeft de raad de klacht ongegrond verklaard. Zijn oordeel is tot stand gekomen door toepassing van een onjuiste dan wel onvolledige toetsingsmaatstaf en wordt niet door de feiten gedragen.

Verweer

6.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

7.3 Het hof heeft zelfstandig de feiten opnieuw vastgesteld en daarbij ook de onjuistheid (die niet in het feitenoverzicht stond, maar in de weergave van de toelichting op de klacht) gecorrigeerd. De tuchtrechter hoeft niet alle feiten te vermelden, doch alleen datgene wat als niet betwist vaststaat en bovendien relevant is voor de te nemen beslissing. De eerste beroepsgrond behoeft hiermee geen verdere bespreking meer.

7.4 Het hof stelt voorop dat het in deze kwestie gaat om cijfers en berekeningen. Klagers stellen zich in de civiele procedure op het standpunt dat de financiering door de holding in het kader van de management buy-out (voorzienbaar) onvoldoende is geweest. Curatoren en de banken betwisten dat standpunt. Vast staat dat over en weer verschillende berekeningen zijn gemaakt ter onderbouwing van de standpunten over en weer. De berekeningen verschillen van elkaar en zijn ook gebaseerd op verschillende uitgangspunten. Vast staat ook dat er, ondanks de inmiddels bekend geworden en in het concept-rapport van [B] genoemde post over het werkkapitaal, nog steeds geen duidelijkheid over de cijfers bestaat. Er is dus geen sprake van een (al dan niet eenvoudige) optelsom van de cijfers uit het door klagers in de procedure ingebrachte deskundigenrapport met correcties op basis van de onjuistheden die daarover in het concept-rapport van [B] zijn gesignaleerd. Dat geldt te meer, nu de cijfers van [B] geen definitieve cijfers zijn. Er ligt slechts een concept-rapport, waarin nog verschillende zaken openliggen en vragen zijn opgenomen. De genoemde cijfers en bedragen zijn voorts afhankelijk van de uitgangspunten en invalshoeken die gekozen worden. Het gaat daarbij niet om feiten waarvan de vraag of zij waar zijn eenvoudig met ja of nee kan worden beantwoord.

7.5 Verweerder heeft in de akte van 25 oktober 2017 de juistheid van de berekening uit het door klagers ingebrachte deskundigenrapport betwist door tegenover bepaalde bedragen en uitgangspunten andere bedragen en uitgangspunten te zetten. Hij heeft daarvoor argumenten aangedragen en die argumenten onderbouwd, onder meer met informatie van [B]. Verweerder heeft geen eigen berekening tegenover die van het deskundigenrapport gezet. Verweerder heeft een alternatieve oorzaak voor het liquiditeitstekort aangedragen, ook zonder berekening hoe hoog dat liquiditeitstekort precies zou zijn. Hij heeft niet gesteld dat er geen liquiditeitstekort was. Verweerder heeft ook nergens in de aan de klacht ten grondslag liggende passages in deze akte gesteld dat er géén financieringstekort zou zijn. Het hof ziet in dit alles geen feitelijke onjuistheden, waarvan verweerder op de hoogte was of had moeten zijn. Reeds hierom gaat de vergelijking die klagers maken met de uitspraak van het Hof uit 2017 (ECLI:NL:TAHVD:2017:150) niet op.

7.6 Wat klagers als feitelijke onjuistheid zien, is dat verweerder voor de argumentatie in de akte gebruik heeft gemaakt van de informatie uit het concept-rapport van [B], maar één (voor zijn cliënten nadelig) punt niet heeft genoemd. Dat zou een feitelijke onjuistheid kunnen opleveren als verweerder aan de wel door hem genoemde punten een cijfermatige – en dus onjuiste - conclusie had verbonden, maar dat heeft hij nu juist niet gedaan. Het staat een advocaat immers vrij om het standpunt in te nemen dat een berekening van de wederpartij niet juist is. Daarbij mag hij schieten op individuele posten uit die berekening, zonder dat hij verplicht is om aan te geven op welke onderdelen die berekening wel juist is, laat staan dat hij zou moeten wijzen op eventuele onderdelen die (in zijn benadering en bij zijn uitgangspunten) in zijn nadeel uitwerken. Dat valt binnen de bandbreedte van de vrijheid die de advocaat van de wederpartij toekomt bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt.

7.7 Concluderend is het hof van oordeel dat verweerder in de door hem genomen akte geen feitelijke informatie heeft verstrekt, waarvan het hem gezien de aard en inhoud niet vrijstond deze te verstrekken. Met betrekking tot de specifieke beroepsgronden voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

7.8 De beroepsgronden 2 en 5 komen op hetzelfde neer. Klagers hebben het over het bewust weglaten van een (stukje) informatie uit het feitencomplex, waardoor de feiten die wel genoemd worden een misleidend beeld geven. Zoals uit de overwegingen hiervoor blijkt, is het hof van oordeel dat dit gezien aard en inhoud van de verstrekte informatie niet van toepassing is. Het gaat om gemaakte berekeningen die kunnen verschillen naar gelang men een andere invalshoek of andere uitgangspunten hanteert. Het kon klagers duidelijk zijn dat slechts een reactie werd gegeven op (onderdelen van) de berekening van hun deskundige. De beroepsgronden 2 en 5 falen.

7.9 In beroepsgrond 3 hebben klagers het over vijf gedragingen die zij verweerder verwijten. Twee daarvan gaan over wat verweerder in de akte heeft gesteld. Het hof verwijst naar wat daarover hiervoor is overwogen. Nog los van de vraag of klagers wel kunnen klagen over de informatie die verweerder al dan niet met de Belastingdienst heeft gedeeld, acht het hof het verstrekken van de akte aan de Belastingdienst door verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder trad op als advocaat van belanghebbende partijen, zodat de Belastingdienst moet hebben begrepen dat zijn presentatie van de kansen van zijn cliënt gekleurd was. Hetzelfde geldt voor wat verweerder al dan niet tegen belastingdienst gezegd heeft over zijn inschatting van de winstkansen in de procedure. Verweerder heeft tot slot onbetwist gesteld dat hij niets in het informatiememorandum heeft gezet en in het bijzonder dat de formulering van de stelling, dat hij meende dat zijn cliënten het recht aan hun zijde hadden, van klagers afkomstig is. De stellingen van verweerder dat het deskundigenrapport per saldo voor miljoenen aan fouten ten gunste van de positie van klagers zou bevatten en dat aan dat rapport geen enkele betekenis zou toekomen, zijn geen feitelijke stellingen, maar meningen ofwel standpunten. Beroepsgrond 3 faalt eveneens. Ook beroepsgrond 4 faalt hiermee. Een inschatting geven over de proceskansen is geen feitelijke informatie. Bovendien staat het een advocaat vrij om zich tegenover zijn cliënt (aanzienlijk) negatiever over die proceskansen uitlaat dan tegenover anderen dan die cliënt.

7.10 Beroepsgrond 6 heeft geen zelfstandige betekenis ten opzichte van de overige beroepsgronden en faalt reeds om die reden.

Slotsom

7.11 De conclusie uit het voorgaande is dat alle beroepsgronden falen. Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen.

 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 9 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-139/AL/MN.

 

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, V. Wolting, G.J.K. Elsen en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025.

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 24 oktober 2025 .