Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:206

Zaaknummer

240346D

Inhoudsindicatie

Klacht door deken voortgezet in algemeen belang. De raad heeft verweerder de maatregel van schrapping opgelegd op grond van ontoereikende dienstverlening en het niet naar behoren meewerken aan overdracht van het dossier. Het hof is van oordeel dat in deze zaak geen redenen aan het algemeen belang ontleend aanwezig waren om de behandeling van de klacht voort te zetten. Het hof vernietigt de beslissing van de raad tot voortzetting van de behandeling alsmede de beslissing op de klacht en stelt de klacht buiten behandeling.

Uitspraak

 

van 24 oktober 2025

in de zaak 240346D

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

verweerder

gemachtigde: mr. E.A.M. Mannheims, advocaat te Amsterdam

 

tegen:

 

deken

 

 

1 INLEIDING

1.1 De klacht van de oorspronkelijke klager is door de deken voortgezet in het algemeen belang. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft vervolgens de klachtonderdelen over ontoereikende dienstverlening en het niet naar behoren meewerken aan overdracht van het dossier gegrond verklaard en verweerder de maatregel van schrapping opgelegd. Het hof is van oordeel dat in deze zaak geen redenen aan het algemeen belang ontleend aanwezig waren om de behandeling van de klacht voort te zetten. Het hof vernietigt de beslissing van de raad tot voortzetting van de behandeling alsmede de beslissing op de klacht en stelt de klacht buiten behandeling.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 Een voormalig cliënt van verweerder (hierna: de klager) heeft op 15 juni 2023 bij de deken een klacht ingediend over verweerder. De raad heeft het klachtdossier op 18 januari 2024 ontvangen en in behandeling genomen met zaaknummer 24-342/DB/LI. Op 8 maart 2024 heeft klager de raad bericht dat hij de klacht introk.

2.2 De deken heeft de raad verzocht om hem op de voet van artikel 47a lid 4 Advocatenwet voor het vervolg van de zaak als klager aan te merken. De raad heeft bij beslissing van 27 mei 2024 (met zaaknummer 24-050/DB/LI) beslist dat de behandeling van de klacht wordt voortgezet om reden van algemeen belang en bepaald dat de deken in het vervolg als klager wordt aangemerkt.Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:74 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

2.3 In de voortgezette klachtzaak (24-342/DB/LI) heeft de raad bij beslissing van 28 oktober 2024 de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond verklaard en klachtonderdeel 3 ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schrapping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld in de proceskosten. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:143 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.4 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 27 november 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.5 Verder bevat het dossier van het hof: de stukken van de raad;

het verweerschrift van de deken; de e-mail met bijlagen van de deken van 5 augustus 2025; de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerder van 14 augustus 2025; de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerder van 19 september 2025.

2.6 Het hof heeft de zaak, gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak 250268, mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 26 september 2025. Daar zijn verweerder met zijn gemachtigde en de deken met mevrouw mr. P.  verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 Verweerder heeft de klager bijgestaan in een aantal zaken, met name familierechtzaken waaronder de boedelscheiding.

3.3 Bij e-mail van donderdag 9 maart 2023 heeft verweerder de klager het volgende medegedeeld:

“Helaas kan ik mijn werkzaamheden voor jou niet voortzetten. (…) Het werkt niet als een cliënt heel vaak boos wordt op zijn advocaat. Dan is er gewoon sprake van een vertrouwensbreuk en dan houdt het op. Dit punt is nu bereikt helaas. (…) Ik zal dan ook moeten mededelen dat ik maandag niet ter zitting kan verschijnen. Ik kan aangeven dat ik ziek ben en dat er verplaatst dient te worden en vervolgens kunnen we dan rustig aan iemand overdragen (wellicht dus inderdaad mr. [J]). Op dit moment ben ik overigens ook ziek door deze gang van zaken en in ieder geval om de zitting te doen maandag aanstaande. Een andere optie is dat ik mij meteen al terugtrek als advocaat in deze zaak. (…)”

3.4 De klager heeft zich voor verdere bijstand in zijn zaken gewend tot mr. J, advocaat, die verweerder heeft verzocht om de dossiers aan haar over te dragen. Bij e-mail van 18 mei 2023 heeft mr. J verweerder als volgt bericht:

“In bovengenoemde aangelegenheid ben ik bezig met de zaak. Ik heb inmiddels een verzoek bijzonder curator af. Vandaag maak ik tevens verzoekschrift wijziging gi af en ik wilde dit weekend tevens de boedelscheidingsdagvaarding opstellen. 

Ik constateer echter dat ik misschien wel 30 mails van u heb verkregen maar ik heb nog niet het idee dat ik alles heb. Bovendien is het allemaal erg warrig aangeleverd. Ik mis een inventarislijst van de bodem en volgens mij heb ik nog steeds geen compleet dossier aangeleverd middels bijvoorbeeld we transfer.

Volgens mij heb ik de stukken van de boedelscheiding nog niet.

Verder is het mij eigenlijk nog steeds niet duidelijk wat er allemaal loopt, welke toevoegingen er nog openstaan, welke toevoegingen ik moet overnemen en ook ontbreekt de urenstaat van de door u gewerkte uren, tenzij ik daar door de veelheid van mails overheen heb gekeken

Kunt u voor mij eens op een rijtje zetten wat er speelt? Een bodem, heb ik alle stukken van a tot z, waar is de procedure mee gestart, uw uren en toevoeging?

Een hoger beroep tegen de ots (waar cliënt abusievelijk niet voor werd uitgenodigd) en waarvan de zitting gepland is, welke toevoeging, uw uren?

Dan nog een kort geding in hoger beroep, daarvan zie ik wel een inventarislijst, stand van zaken, toevoeging, uren?

Kortom er bestaat bij mij veel onduidelijkheid.

Kunt u mij de gevraagde documenten zo spoedig mogelijk gestructureerd en compleet per zaak sturen met uw uren en de toevoeging.

Kunt u mij een overzicht verschaffen van de zaken die spelen.

Gaarne verneem ik.”

3.5 Bij e-mails van 24 mei 2023 heeft mr. J verweerder als volgt bericht:

10:11 uur:

“Ik zou graag de navolgende zaken willen verkrijgen:

Gefourneerd dossier bodemprocedure, zoals u het ook aanlevert in hoger beroep; Bescheiden rondom bodemprocedure; Overzicht van zaken die gelopen hebben bij u en zaken die nog lopen.

Gaarne vandaag of morgen!”

14:37 uur:

“Is dit de correspondentie in de bodemzaak?

Nogmaals het verzoek om het complete dossier(s?) geordend aan mij te sturen via Wtransfer.”

22:11 uur:

“Ik begrijp eerlijk gezegd niet wat er zo moeilijk aan is. Ik neem soms een dossier over en dan krijg ik gewoon een duidelijk overzicht van wat er van a tot z is gebeurd met de toevoeging en de door de advocaat gemaakte uren. Als je hoger beroep instelt moet je toch ook een procesdossier eerste aanleg aanleveren.

Gaarne dat aan mij verschaffen per lopende zaak.

En ik ontvang gaarne een overzicht van welke zaken bij jou gelopen hebben.”

3.6 Bij e-mail van 25 mei 2023 heeft verweerder mr. J als volgt bericht:

“Aangezien we overeen zijn gekomen dat we de toevoeging zouden delen, ben ik ervan uitgegaan dat een urenstaat niet nodig is.

Er heeft ook nog een procedure jegens [X] gelopen. [X] had [de klager] gedagvaard. Maar dit staat los van de gehele omgangkwestie.

De BOR 3 wil ik best intrekken, maar volgens mij ben jij daar thans in gesteld, dus dat kan ik niet doen (althans het hof zal daar ongetwijfeld moeilijk over doen). Wellicht dat jij de procedure kunt intrekken?”

Mr. J antwoordde diezelfde dag:

“Voor mij is het nog steeds onduidelijk wat er nu allemaal loopt. Bedoel je dat we in de bodem de toevoeging delen. Ik wil zeker meer uren gaan aanvragen dus urenstaat en toevoeging heb ik nodig. Ook de andere toevoegingen om om te zetten.”

3.7 Bij e-mail van 2 juni 2023 heeft mr. J verweerder als volgt bericht:

“Zie onderstaand.

Bor 3 zal ik intrekken.

Nog steeds heb ik geen overzichtelijk compleet dossier in de bodem. Als er hoger beroep zou moeten worden ingesteld kan ik niet fourneren.

Ik heb nog steeds geen compleet overzicht van de boedelzaak.

Ik heb nog steeds geen toevoegingen en urenstaat.

Ik begrijp niet waarom het zo moeilijk gaat.”

3.8 Bij e-mail van 8 juni 2023 heeft mr. J verweerder als volgt bericht:

“In het geval ik voor zaterdag de dossiers niet overzichtelijk heb, de toevoegingen en de urenstaat bodem dan ga ik niet verder voor [de klager]. Het is voor mij zo onmogelijk om de belangen van cliënt te behartigen. Ik geef dit ook door aan [de klager].Ik had nooit gedacht dat de overdracht van de dossiers zo moeizaam verloopt. Ik heb begrip, dat weet je, het komt niet op een week, maar we zijn nu al twee maanden verder en ik heb het nog steeds niet.

Voor mij is dit niet werkbaar.”

3.9 Op 15 juni 2023 heeft de klager bij de deken een klacht ingediend tegen verweerder.

3.10 Bij e-mail van 28 juni 2023 heeft verweerder mr. J als volgt bericht:

“Hierbij nog stukken van de Raad.

Vertrouw erop jou hiermee vooralsnog voldoende te hebben geïnformeerd.”

3.11  Bij e-mail van 29 juni 2023 heeft mr. J verweerder als volgt bericht:

“Ik ga alles printen wat jij me hebt gestuurd en dan stuur ik het weer naar jou op. Dan kun jij het ordenen. Ik kan er namelijk geen touw meer aan vast knopen wat bij wat hoort. Het is een grote puzzel.”

3.12 Bij e-mail van 23 augustus 2023 heeft mr. J verweerder als volgt bericht:

“Nog steeds geen toevoeging en eigenlijk ook nog steeds geen compleet dossier. Ik heb u zo vaak, tevergeefs gevraagd.

Ik ga morgen een klacht bij de Orde tegen u indienen. Ik vind dat heel vervelend om tegen een collega een klacht in te dienen. Dat doe ik niet gemakkelijk, in mijn bijna 25 jarige carrière 1 keer eerder, u laat mij geen andere keuze. Ik weet niet wat er aan de hand is. Het hof sprak ter zitting spontaan hun zorgen over u uit. Maar voor mij is wel duidelijk dat ik het niet met u opgelost krijg. De zitting is 4 september en cliënt is de dupe en ik werk als het aan u ligt voor niets.

Zo denk ik erover.

Het leek me goed dit vooraf mede te delen.(…)”

3.13 In het kader van het onderzoek naar de klacht heeft de deken bij e-mail van 7 november 2023 stukken opgevraagd:

“(…)

de opdrachtbevestiging(en), onder andere ten aanzien van de boedelscheiding; het moment (de datum) waarop [verweerder] de zaak heeft neergelegd c.a. [de klager] zich tot een andere advocaat heeft gewend; (de belangrijkste) schriftelijke stukken waaruit blijkt op welke wijze de dossiers zijn overgedragen; de e-mail van [mr. J] van 23 augustus 2023. [De klager] heeft getracht deze bij zijn e-mail van 24 augustus 2023 toe te zenden, echter gezien het bestandsformaat is het niet mogelijk om deze bijlage te openen; stukken ten aanzien van de (definitieve) afspraak (zoals onder andere het vervolg op de e-mail van 10 mei 2023) dat de eigen bijdrage (ten aanzien van de boedelscheiding) zou worden terugbetaald en [de klager] geen klacht zou indienen alsmede het bewijs dat de eigen bijdrage(n) daadwerkelijk is/zijn terugbetaald; (de belangrijkste) schriftelijke stukken waaruit blijkt wat de aanpak is geweest in de boedelscheiding, welke werkzaamheden zijn verricht alsmede de stukken waaruit de proceskansen en -risico’s blijken.

De gevraagde stukken zie ik graag binnen twee weken na heden tegemoet.(…)”

3.14  Bij e-mail van 16 november 2023 heeft verweerder op het verzoek van de deken geantwoord:

“Hierbij zend ik u de bevestiging van de afspraak dat de eigen bijdrage ten aanzien van de boedelscheiding zou worden terugbetaald. Dit is nog niet gebeurd, maar kan alsnog. Maar uiteraard niet als de klacht wordt doorgezet. Ook gaat hierbij het e-mailbericht waarbij ik mijn werkzaamheden heb neergelegd.”

 

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat hij:

1. ernstig is tekortgeschoten in de bijstand van klager;

2. ondanks diverse verzoeken van de opvolgend advocaat niet naar behoren heeft meegewerkt aan de overdracht van het dossier aan de opvolgend advocaat;

3. (…)

4.2 Toelichting:

Verweerder heeft klager slecht geadviseerd en geen realistisch beeld geschetst ten aanzien van de procedures die hij kon starten. Verweerder heeft verzuimd om actie te ondernemen en heeft zaken te lang laten liggen. De boedelscheiding is steeds maar op de lange baan geschoven. Verweerder had de zaken niet goed voorbereid. Klager is door verweerders optreden ernstig benadeeld. Verweerder is ernstig tekortgeschoten in de overdracht aan de nieuwe advocaat, ten gevolge waarvan deze zich niet voldoende kon voorbereiden op een zitting en de zaak ernstig is vertraagd.

 

5 BEOORDELING RAAD

Beslissing van 27 mei 2024 over voortzetting klacht

5.1 De raad heeft overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of een klacht na intrekking daarvan moet worden voortgezet, moet worden uitgegaan van de door het hof in vaste jurisprudentie gehanteerde (niet limitatieve) uitgangspunten (zie ook de hierna in 7.1 weergegeven maatstaf).

5.2 De raad heeft inhoudelijk overwogen dat klager verweerder verwijten maakt over de kwaliteit van de verleende rechtsbijstand, het overdragen van het dossier aan de opvolgend advocaat en het innen van een factuur ter zake een eigen bijdrage. Deze verwijten raken de in artikel 10a Advocatenwet vastgestelde kernwaarde deskundigheid. De raad zag redenen van algemeen belang om de behandeling van de klacht voort te zetten, te weten de tuchtrechtelijke antecedenten van verweerder, die deels zien op handelen in strijd met de kernwaarde deskundigheid. De raad heeft overwogen dat in het bijzonder de inhoud en strekking van deze kernwaarde onder de aandacht van verweerder moet worden gebracht.

Beslissing van 28 oktober 2024 op voortgezette klacht

5.3 De raad heeft het beroep van verweerder op niet-ontvankelijkheid van de klager verworpen. Het doorlopen van de interne klachtprocedure is geen vereiste voor de toegang tot de tuchtprocedure. De raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de deken bij doorzending van het klachtdossier aan de raad dat het griffierecht tijdig is betaald. Ook heeft de raad op basis van de overgelegde stukken niet kunnen vaststellen dat verweerder met de klager (tijdens het dekenonderzoek) een afspraak heeft gemaakt over de intrekking van de klacht.

5.4 Met betrekking tot klachtonderdeel 1 (kwaliteit bijstand) heeft de raad onder verwijzing naar Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (gedragsregel 16) overwogen dat de klager verweerder verwijt dat hij is tekortgeschoten in de bijstand van en in de communicatie met de klager. Verweerder heeft de verwijten weersproken, maar heeft de raad volstrekt onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop hij de klager heeft geadviseerd en bijgestaan. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder de opdracht op deugdelijke wijze schriftelijk heeft vastgelegd, noch dat verweerder zijn inschatting van de goede en kwade kansen en een (eerste) advies of plan van aanpak met de klager heeft besproken en vervolgens schriftelijk heeft vastgelegd. De deken heeft verweerder op 7 november 2023 verzocht relevante stukken en informatie te verstrekken, maar verweerder heeft dat in strijd met het bepaalde in gedragsregel 29 niet gedaan. Ook bij de raad heeft verweerder de betreffende stukken niet overgelegd. Verweerder heeft eveneens weersproken dat de kwestie rondom de boedelscheiding te lang is blijven liggen, maar heeft ook dit verweer niet onderbouwd met stukken. Welke werkzaamheden verweerder wanneer heeft verricht, is volstrekt onduidelijk gebleven. Het had op de weg gelegen van verweerder om hierover duidelijkheid te verschaffen. De conclusie is dan ook dat dit klachtonderdeel gegrond is.

5.5 Met betrekking tot klachtonderdeel 2 (overdracht dossier) heeft de raad overwogen dat verweerder ook het verwijt van de klager over een ontoereikende overdracht van het dossier heeft weersproken. Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij alle stukken, althans de meeste, aan mr. J heeft toegestuurd. Desgevraagd heeft hij ter zitting verklaard dat hij niet weet waarom mr. J bleef vragen om de toezending van stukken. Wellicht had mr. J geen zin om zelf alle stukken te lezen, aldus verweerder. Verweerder heeft op 9 maart 2023 zijn werkzaamheden voor de klager neergelegd, waarna de klager zich heeft gewend tot mr. J. Mr. J heeft herhaaldelijk bij verweerder gevraagd om (nadere) stukken en duidelijkheid. Op 23 augustus 2023 had zij ondanks haar herhaalde verzoeken nog altijd niet de beschikking over alle relevante stukken en informatie. Het ondanks herhaalde verzoeken na ruim vijf maanden nog steeds niet volledig overdragen van een dossier is naar het oordeel van de raad in ernstige mate tuchtrechtelijk verwijtbaar.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1 Verweerder heeft – samengevat weergegeven – het navolgende aangevoerd tegen de beslissing van de raad:

6.2 Beroepsgronden 9 en 1: ten onrechte heeft de raad in de tussenbeslissing van 27 mei 2024 beslist dat de klacht zal worden voortgezet om redenen van algemeen belang. Ten onrechte heeft de raad aan verweerder de maatregel van schrapping opgelegd.

Toelichting : deze zaak had niet op grond van het algemeen belang voortgezet mogen worden. Verweerder verwijst naar de zaak ECLI:NL:TAHVD:2024:61. Net als in die zaak is ook hier geen algemeen belang en heeft verweerder de zaak met de klager geregeld. Dat verweerder de klager € 4.000,- heeft betaald in het kader van een regeling, is ten onrechte niet meegewogen.

Volgens de tussenbeslissing van 27 mei 2024 is reden voor voortzetting het niet voldoen aan de kernwaarde deskundigheid, terwijl dat volgens de criteria nu juist geen reden is voor voortzetting.

De strafmaat is buitenproportioneel. Verweerder is nooit eerder veroordeeld voor een klacht van een cliënt. Daar hoort een veel lichtere maatregel bij.

Verweerder realiseert zich dat hij zaken (nog) beter moet vastleggen. Daarover is echter niet geklaagd en de raad is daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. De deken heeft gesteld dat deze zaak vergelijkbaar is met de klacht van een andere oud-cliënt. Deze klacht had niet voortgezet hoeven worden, omdat verweerder door die andere zaak al voldoende was wakker geschud.

6.3 Beroepsgrond 2: ten onrechte zijn de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond verklaard.

Toelichting : verweerder verwijst naar wat hij bij beroepsgrond 1 heeft aangevoerd. Verder is er sprake van ne bis in idem. Op grond van het eerste dekenbezwaar is verweerder deels onvoorwaardelijk geschorst, onder andere voor een ondermaatse dossieropbouw en kwaliteit van de dienstverlening. Dit dossier viel onder de destijds geconstateerde omissies.

6.4 Beroepsgronden 3, 5 en 6 en slothoofdstuk met betrekking tot klachtonderdeel 2: ten onrechte heeft de raad overwogen dat de overdracht van het dossier te lang heeft geduurd en niet naar behoren is geweest.

Toelichting : Er was geen sprake van ‘een dossier’. Er was een veel (alles) omvattend geschil, onderverdeeld in meerdere zaken/dossiers/procedures. De klager heeft (ondanks uitnodiging daartoe door verweerder) nooit fatsoenlijk aangegeven welke dossiers verweerder moest overdragen of wat niet goed overgedragen zou zijn. De dossiers die spoed hadden of op korte termijn op de planning stonden, zijn direct aangeleverd en dat staat ook niet ter discussie. De klacht kan niet gegrond zijn, nu niet duidelijk is welk dossier bedoeld wordt.

Het oordeel dat het dossier niet tijdig is overgedragen, is onjuist. De termijn van vijf maanden klopt ook niet. Op 8 juni 2023 schreef mr. J dat ze niet verder kon als ze ‘voor zaterdag’ de dossiers niet inzichtelijk had, maar ze is wel verder gegaan en had dus genoeg. Op 29 juni 2023 schreef mr. J dat zij de geprinte stukken terug zou sturen en dat verweerder ze verder moest ordenen. Verweerder heeft daarop gewacht, maar vernam niet meer. Op 23 augustus 2023 schreef mr. J dat ze nog steeds geen toevoeging had. Alle toevoegingen zijn inmiddels op haar naam gezet. Als mr. J schrijft dat ze ‘eigenlijk’ nog geen compleet dossier heeft, weet verweerder niet wat zij daarmee bedoelt.

Beroepsgronden 7, 8, 10 en slothoofdstuk met betrekking tot klachtonderdeel 1: de overwegingen en conclusies van de raad zijn niet juist.

Toelichting : ten onrechte staat in de toelichting bij de klacht dat er geen realistisch beeld is geschetst ten aanzien van de procedures die de klager kon starten. Deze klacht is te onbestemd en niet bepaalbaar.

Schriftelijke vastlegging van de opdracht en het bespreken van goede en kwade kansen met de klager is wel gebeurd, namelijk door de voorganger van verweerder. De raad is bij de beoordeling hiervan buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, omdat daarover niet geklaagd is. De klager heeft ook niet geklaagd over de bijstand, de advisering of de communicatie. Onvoldoende voortvarendheid gaat ook niet op, want de boedelscheiding duurde langer omdat er steeds nieuwe zaken tussendoor kwamen. Er is pas over geklaagd nadat verweerder de belangenbehartiging van de klager had neergelegd. Bovendien heeft verweerder in de boedelscheiding geprocedeerd tot in hoger beroep over de woning en enkele andere zaken. In het klachtdossier zitten stukken waaruit blijkt dat er afspraken lagen over de verdeling van de boedel, maar er ontstond toch weer discussie.

De klachten van de klager zijn ook niet terecht, omdat:

-      over slechte advisering niet is geklaagd. Er is dus wel geadviseerd, maar in de visie van de klager slecht. Een vermeend slechte advisering is niet klachtwaardig. Daarbij geeft de klager totaal niet aan welk advies het dan zou betreffen.

-      de stelling dat verweerder heeft verzuimd om actie te ondernemen en zaken te lang heeft laten liggen, te onbepaald is. Wat wordt hier bedoeld? Welke actie, welke zaken? De klager had ervoor kunnen kiezen een andere advocaat in te schakelen als hij vond dat het te lang duurde.

-      ernstige benadeling nergens uit blijkt. Verweerder heeft uiteindelijk wel een schikking getroffen, maar dat was omdat hij de klacht/zaak wilde oplossen en uit coulance. Verweerders verzekering vond ook dat de klager geen schade had aangetoond en heeft dus geen uitkering gedaan.

6.6 Beroepsgrond 4: Ten onrechte zijn de voorletters van verweerder in de beslissing omgedraaid. Verweerder wil dit aangestipt hebben, omdat vergissen menselijk is en hierdoor duidelijk is dat verweerder niet de enige is die fouten maakt.

6.7 Overige en niet genummerd:

Bij gebrek aan wetenschap betwist verweerder dat het griffierecht tijdig is overgemaakt. In de betreffende periode speelde corona, waardoor werken alleen mogelijk was met hindernissen en ook de rechtbanken langere tijd hebben stilgelegen. De gefinancierde rechtsbijstand is eigenlijk niet meer vol te houden en er moet drastisch geld bij. De toenemende regeldruk en de stringente handhaving is daarmee volgens verweerder niet te rijmen.

Verweer deken

6.8 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf bij intrekking klacht

7.1 De eerste volzin van artikel 47a van Advocatenwet bepaalt dat in geval van intrekking van de klacht de behandeling daarvan wordt gestaakt, tenzij de tuchtrechter beslist dat de behandeling van de klacht om redenen aan het algemeen belang ontleend, moet worden voortgezet. Bij de beoordeling of de behandeling moet worden voortgezet om redenen aan het algemeen belang ontleend, hanteert het hof – niet limitatief – de navolgende uitgangspunten:

(i) indien de feitelijke grondslag van de klacht door de verweerder wordt betwist en prima facie verschillend kan worden gedacht over de waardering van het bewijs daarvan, zal voortzetting van de behandeling doorgaans niet in de rede liggen; met delicate bewijsbeslissingen is geen algemeen belang gemoeid;

(ii) indien de feitelijke grondslag van de klacht onbetwist is of prima facie geen twijfel bestaat dat deze bewezen is, dan is voornamelijk de aard van de geschonden norm bepalend voor de beslissing om de behandeling al dan niet voort te zetten;

(iii) is de aard van de gestelde normschending deze dat de advocaat tekortgeschoten is bij de inhoudelijke behandeling van de hem door zijn cliënt toevertrouwde zaak, dan zal voortzetting van de behandeling doorgaans niet geïndiceerd zijn; in zodanig geval prevaleert het belang van de cliënt bij een minnelijke regeling (die doorgaans ten grondslag ligt aan de intrekking van de klacht) boven het algemeen belang dat door de tuchtrechter wordt vastgesteld dat de advocaat de kernwaarde van deskundigheid heeft geschonden; de ernst van de gestelde tekortkoming zal daarbij van ondergeschikte betekenis zijn; deze zal immers zijn verdisconteerd in de met de cliënt getroffen regeling;

(iv) in andere gevallen zal de beslissing om de behandeling al dan niet voort te zetten afhankelijk zijn van de mate waarin de gestelde normschending raakt aan andere kernwaarden dan deskundigheid bij de behartiging van de belangen van de cliënt, en van de mate waarin het wenselijk voorkomt dat de tuchtrechter de desbetreffende norm (opnieuw) onder de aandacht brengt van de beroepsgroep in het algemeen en/of van de verwerende advocaat in het bijzonder;

(v) voortzetting van de behandeling zal in elk geval geïndiceerd zijn indien de verwerende advocaat de ongeoorloofdheid van zijn (vaststaande) handelwijze ten principale betwist en een beslissing op dat verweer precedentwaarde heeft voor de praktijk.

Overwegingen hof

7.2 De door de klager ingediende klacht gaat over de kwaliteit van de door verweerder verleende rechtsbijstand en raakt, zoals de raad terecht heeft overwogen, aan de kernwaarde deskundigheid. Bij de beoordeling van de vraag of een klacht na intrekking door de klager in het algemeen belang moet worden voortgezet, gaat het dan ook over punt (iii) van het hiervoor weergegeven toetsingskader en is voortzetting van de klacht doorgaans niet geïndiceerd. (Ook) in de onderhavige zaak ligt een tussen de klager en verweerder getroffen minnelijke regeling ten grondslag aan de intrekking van de klacht en doet zich de in het toetsingskader genoemde situatie voor. De vraag is dan ook of voortzetting van de klacht in afwijking van de uitgangspunten van het toetsingskader in de onderhavige klachtzaak aan de orde was.

7.3 De deken heeft aangevoerd dat aan een beoordeling van de kwaliteit van de werkzaamheden van verweerder niet toegekomen kon worden, omdat de benodigde informatie daarvoor ontbrak. Aan het verzoek van de deken aan verweerder om achterliggende stukken, zoals opdrachtbevestigingen, adviezen en schriftelijke bevestiging van afspraken in het geding te brengen, heeft verweerder niet voldaan, zodat de kwaliteit van de door verweerder verrichte werkzaamheden niet kon worden getoetst. Het ontbreken van relevante stukken en het nalaten om te voldoen aan het verzoek van de deken raakt aan de kernwaarde integriteit. Voortzetting van de behandeling van de klacht was dan ook niet zozeer aan de orde vanwege de kernwaarde deskundigheid, maar juist op basis van de kernwaarde integriteit, aldus de deken.

7.4 De raad heeft in de tussenbeslissing van 27 mei 2024 uitsluitend overwogen dat het, gelet op verweerders antecedenten, nodig was om de kernwaarde deskundigheid nog eens onder zijn aandacht te brengen. Met die overweging heeft de raad gerefereerd aan punt (iv) van het toetsingskader, dat echter ziet op andere kernwaarden dan de kernwaarde deskundigheid. De raad heeft niet (verder) gemotiveerd waarom een van het toetsingskader afwijkende beslissing is genomen.

7.5 Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van redenen, aan het algemeen belang ontleend, om deze klacht voort te zetten in afwijking van de toetsingsmaatstaf. De klacht ziet immers uitsluitend op de kwaliteit van de werkzaamheden en dus op de (al dan niet) deskundigheid van verweerder. Verweerder was bovendien kort daarvoor al tuchtrechtelijk terechtgewezen voor tekortkomingen in de kwaliteit van zijn werkzaamheden in dezelfde periode met een klacht van een (andere) cliënt en met een dekenbezwaar. Redenen van algemeen belang om specifiek de kernwaarde deskundigheid in de onderhavige zaak nogmaals onder de aandacht van verweerder te brengen met voortzetting van de behandeling van de klacht, ziet het hof daarom niet.

7.6 Daarbij komt nog dat de deken bij de door hem gevraagde voortzetting van de behandeling het oog heeft gehad op de kernwaarde integriteit. Hij is van mening dat deze kernwaarde in het geding is, zowel bij de wijze waarop verweerder zijn werkzaamheden voor de klager heeft uitgevoerd als bij de opstelling van verweerder bij de behandeling van de klacht. De klager heeft echter niet geklaagd over ontbrekende opdrachtbevestigingen of schriftelijke adviezen. Het niet (afdoende) reageren op verzoeken van de deken om informatie maakt evenmin deel uit van de klacht. Ook bij voortzetting van de klacht door de deken na intrekking door de klager blijft de oorspronkelijke klachtomschrijving staan en is die omschrijving bepalend voor de behandeling en de beoordeling van de klacht. De verwijten die de deken verweerder maakt, vallen dan ook buiten de reikwijdte van de klacht. Daarvoor had hij – naast de klacht of ten tijde van de intrekking van de klacht – een separaat dekenbezwaar kunnen indienen, maar dat heeft hij niet gedaan.

Slotsom

7.7 De conclusie op grond van het voorgaande is dat de eerste beroepsgrond van verweerder slaagt en dat de behandeling van de klacht ten onrechte is voortgezet na de intrekking door de klager. Dat betekent dat niet alleen de beslissing van de raad om de behandeling van de klacht voort te zetten, maar ook de beslissing op de voortgezette klacht zal worden vernietigd en dat de klacht niet verder behandeld hoeft te worden. De overige beroepsgronden van verweerder behoeven hiermee geen bespreking meer.

 

8 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

vernietigt de beslissingen van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 27 mei 2024 met zaaknummer 24-050/DB/LI en van 28 oktober 2024 met zaaknummer 24-342/DB/LI;

en doet opnieuw recht:

verstaat dat de klacht geen behandeling meer behoeft.

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, A.R. Creutzberg, H.H. Tan en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025.

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 24 oktober 2025 .