Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2025:193
Zaaknummer
25-188/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder staat de dementerende vader van klaagster bij in een procedure waarbij de kinderen ondercuratelestelling hebben verzocht. Klaagster heeft als wederpartij geen rechtstreeks belang bij haar klachten over verweerders bijstand aan de vader. Veder is niet gebleken dat verweerder zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten of bewust onwaarheden heeft verkondigd over de medische situatie van de vader. De klacht is gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 oktober 2025 in de zaak 25-188/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder gemachtigde: mr. L.W. Castelijns
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 18 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 18 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2383970/JS/BF van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van deze klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Op 29 april 2021 is de vader van klaagster (hierna: de vader) gediagnostiseerd met MCI (Mild Cognitive Impairment). 2.3 Na de diagnose MCI is een casemanager dementie bij de vader betrokken. In juli 2021 heeft zij geestelijke en lichamelijke achteruitgang geconstateerd bij de vader. 2.4 Op 3 februari 2022 heeft de casemanager gerapporteerd, voor zover relevant: “Het verloop van de achteruitgang is sinds juli 2021 snel. (…) Mijn advies met betrekking tot [de vader] zijn geestelijke en lichamelijke achteruitgang is om uit te gaan kijken naar een woonvorm waar [de vader] zorg en begeleiding dicht in zijn omgeving heeft.” 2.5 Op 8 maart 2022 heeft klaagster, samen met haar broer en zus, bij de kantonrechter een verzoek tot ondercuratelestelling van de vader ingediend. Vader werd, nadat het provisioneel bewind bij beschikking van 11 maart 2022 was ingesteld, in die procedure tot ongeveer eind juni 2022 bijgestaan door mr. S. Nadat zij zich aan de zaak had onttrokken, heeft verweerder de bijstand aan de vader eind juni 2022 op zich genomen. Bijstand door mr. S 2.6 Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2022 is klaagster (samen met haar broer) benoemd tot provisioneel bewindvoerder van de vader en is het verzoek tot ondercuratelestelling aangehouden. In de beschikking is onder meer overwogen: “De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de processtukken, sprake is van een situatie waarin onmiddellijke bescherming van betrokkene [RvD: de vader] noodzakelijk is. (…) Het spoedeisende karakter van het verzoek rechtvaardigt benoeming van de voorgestelde provisionele bewindvoerders [klaagster en haar broer] met ingang van heden. (…) De bewindvoerder heeft alle bevoegdheden die een curator krachtens de wet heeft.” 2.7 Op 7 juni 2022 heeft de vader met bijstand van mr. S bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 11 maart 2022 voor zover hierin klaagster en haar broer tot provisioneel bewindvoerder zijn benoemd. In dit hoger beroep staat bij punt 19, voor zover relevant: “Vader kan zich niet aan de indruk onttrekken dat zijn kinderen anticiperen op hun vrees dat zij bij zijn overlijden minder geld ontvangen dan waar zij op rekenen. Dit is de reden dat de kinderen zijn partner ten onrechte afschilderen als een geldwolf. Dat is niet het geval. Ook betwist de vader dat hij zijn kinderen onevenredig benadeelt. Hij is zich bewust van de financiële transacties, die hij aangaat. Zijn belangen kan hij nog steeds behartigen.” 2.8 Op 11 juni 2022 heeft de neuroloog (dokter G) bij de vader de diagnose dementie vastgesteld. Bijstand door verweerder 2.9 Na het instellen van hoger beroep heeft mr. S de verdere behandeling van de zaak aan verweerder overgedragen die zich op 28 juni 2022 bij het hof heeft gesteld als advocaat van vader. 2.10 Op 1 juli 2022 heeft verweerder namens de vader bij de kantonrechter een verweerschrift ingediend ten aanzien van het verzoek tot ondercuratelestelling. Hierin is onder meer het volgende naar voren gebracht: “7. Desondanks is de vader slechts gediagnostiseerd met een Mild Cognitive Impairment. Sindsdien is bij de vader geen sprake van achteruitgang. (…) 24. (…) Een persoon met MCI heeft soms problemen met het geheugen, maar kan nog zo goed als normaal functioneren in het dagelijks leven. 25. Dat houdt In dat de vader in staat is om beslissingen in zijn leven te overzien. Dat hij dit in overleg met zijn vriendin doet, of zijn vriendin daartoe opdracht geeft, maakt dat niet anders. Dat is zijn keuze. Bovendien blijkt hieruit dat de man gewoonweg wilsbekwaam is. Zijn geestelijke gezondheid is nog lang niet dusdanig slecht dat een onderbewindstelling of een mentorschap noodzakelijk is, laat staan een ondercuratelestelling. (…) 38. Zowel voor ondercuratelestelling als onderbewindstelling of het instellen van mentorschap zijn zware maatregelen. Uit het verweerschrift blijkt dat deze maatregelen op dit moment niet passend zijn. Het is niet nodig om in te grijpen in het zelfbeschikkingsrecht van de vader.” 2.11 Bij e-mail van 4 juli 2022 heeft verweerder aan klaagster zijn verweerschrift toegezonden. Als productie bij het verweerschrift heeft verweerder het hogerberoepschrift van mr. S van 7 juni 2022 ingebracht en schrijft hij hierover het volgende: “Productie 4: Beroepschrift d.d. 7 juni 2022 van de voormalige advocaat van de vader, mr. S, die zich wegens belangenverstrengeling moest onttrekken uit de procedure. Ondertussen heeft ondergetekende zich eveneens voor de beroepsprocedure gesteld.” 2.12 Op de zitting van de kantonrechter van 19 juli 2022 is het verzoek tot ondercuratelestelling behandeld. Daarbij waren onder meer klaagster, de vader met verweerder aanwezig. De kinderen (waaronder klaagster) hebben een pleitnota voorgedragen. De kantonrechter heeft de vader in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de zitting op de pleitnota van de kinderen te reageren. 2.13 Dat heeft verweerder op 16 augustus 2022 namens de vader gedaan. Hierin reageert verweerder op de verschillende medische stukken en concludeert hij dat op basis van deze medische informatie niet de conclusie kan worden getrokken dat de vader niet in staat is zijn eigen belangen te behartigen en een ondercuratelestelling noodzakelijk is. Hij verzoekt om de zaak voor de duur van twee maanden aan te houden tot dat het rapport in een lopende second opinion is afgerond. Verder schrijft verweerder, voor zover relevant: “Thans is het de vader duidelijk dat het de kinderen om geld te doen, nu hij ten tijde van de afspraak bij de bank op 3 maart 2022 nog wel goed genoeg was om het bedrag te schenken, maar vervolgens -na kennisneming van het vermeende huwelijk- op 11 maart 2022 een provisioneel bewindvoerder is benoemd middels een verzoekschrift van 10 maart [RvD: 8 maart] 2022. Tussen het bezoek aan de bank en het verzoekschrift zit slechts een week.” 2.14 Op 2 september 2022 is in een second opinion onderzoek de diagnose dementie bevestigd door een ouderengeneeskundige (dokter K). Hij rapporteert op 16 september 2022: “Conclusie: Het betreft een 83 jarige man met cognitieve stoornissen in verschillende domeinen die interfereren met zijn dagelijks functioneren. Het beeld past bij een beginnende dementie, waarschijnlijk op basis van een mengbeeld (Alzheimer/vasculair).” 2.15 Bij beschikking van de kantonrechter van 21 september 2022 is de vader onder curatele gesteld en is er een curator benoemd. Op 23 september 2022 heeft (onder andere) klaagster aan verweerder verzocht het beroep tegen het provisioneel bewind in te trekken, aangezien het provisioneel bewind niet meer relevant is omdat er een onafhankelijke curator is benoemd. 2.16 Op 21 december 2022 heeft verweerder bij het hof een beroepschrift ingediend tegen de beschikking van 21 september 2022, waarbij een curator is benoemd. 2.17 Op 5 januari 2023 heeft medisch adviseur, dokter T, bij de vader opnieuw de diagnose dementie bevestigd. Hij schrijft op 6 januari 2023, voor zover relevant: “Ondergetekende verklaart (…) van oordeel te zijn dat [de vader] gelet op zijn geestelijke toestand blijvend niet in staat wordt geacht zijn financiële en persoonlijke zaken en belangen zelfstandig naar behoren te behartigen. Mede gelet op het progressieve verloop van de psychogeriatrische stoornissen en beperkingen wordt de reeds ingestelde curatele objectief medisch ondersteund.” 2.18 Op 24 januari 2023 heeft verweerder een brief aan het hof gestuurd waarin hij de partner van de vader (mevrouw P) aanwijst als de curator van de vader. 2.19 Op 25 januari 2023 heeft een zitting bij het hof plaatsgevonden. 2.20 Bij beschikking van het hof van 28 februari 2023 is het provisioneel bewind bevestigd en bij tweede beschikking van het hof van 28 februari 2023 is de ondercuratelestelling bevestigd.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende: a) verweerder heeft de dementie van de vader ontkend en aangevochten, waarbij de (medische) gegevens van de vader zijn genegeerd en verdraaid. Zo zijn de bevindingen van de casemanager dementie, de neuroloog, de specialist ouderengeneeskunde en de medisch adviseur door verweerder genegeerd en aangevochten; b) verweerder heeft op basis van onwaarheden (i) beroep ingesteld tegen het provisioneel bewind, (ii) de bodemprocedure gevoerd, en (iii) beroep ingesteld tegen de ondercuratelestelling. Verweerder heeft de door deskundigen geconstateerde kwetsbaarheid en cognitieve achteruitgang van de vader betwist en heeft bij het instellen van beroep tegen de ondercuratelestelling het second opinion-onderzoek van 2 september 2022, waarin de diagnose dementie bij de vader van klaagster opnieuw is bevestigd, genegeerd; c) verweerder heeft genegeerd dat de 83-jarige vader afhankelijk is en onder grote invloed staat van zijn 46-jarige buitenlandse vriendin, die met de vader wil trouwen en met de vader op huwelijksreis naar Indonesië wil. Verweerder heeft niet de belangen van de dementerende vader behartigd, maar de belangen van de vriendin van de vader; d) verweerder heeft verzuimd contact op te nemen met klaagster/provisioneel bewindvoerders, voordat verweerder in hoger beroep ging tegen het provisioneel bewind. Verweerder heeft geen enkele poging ondernomen om met de drie kinderen van de vader in gesprek te gaan en te komen tot een minnelijke oplossing, maar de vader en de kinderen juist lijnrecht tegenover elkaar geplaatst; e) verweerder heeft verzuimd de curator (de wettelijke vertegenwoordiger van vader) in te lichten over zijn voornemen in beroep te gaan tegen de ondercuratelestelling. Verweerder heeft de curator niet in kennis gesteld van de inhoud van zijn beroepschrift, waarin hij de dementie van vader opnieuw ontkent en aanvecht (ondanks het recente second opinion-onderzoek, waarin de dementie van vader opnieuw is bevestigd); f) verweerder heeft bepleit (i) dat de vader nog bekwaam zou zijn, (ii) dat klaagster ten onrechte de beschermingsmaatregel voor haar vader zou hebben aangevraagd, (iii) om de vader met zijn vriendin te laten trouwen, (iv) de vriendin van de vader als curator aan te wijzen; g) verweerder heeft zich kwetsend en met onwaarheden uitgelaten over klaagster en daarmee de belangen van klaagster geschaad. Verweerder heeft de band tussen vader en kinderen, die hun vader immer in zorg en zaken hebben bijgestaan, geschaad; h) verweerder heeft de belangen van de dementerende vader geschaad. Het was immers de wens van vader dat zijn kinderen de zaken en de zorg voor hem op zich zouden nemen op het moment dat de vader daar zelf niet meer toe in staat zou zijn. Vader heeft psychisch en lichamelijk geleden onder de door verweerder ingestelde procedures; i) verweerder heeft zeer polariserend en escalerend opgetreden in een precaire familiesituatie, waarin kinderen de moeilijke beslissing hebben moeten nemen om een beschermingsmaatregel aan te vragen voor hun dementerende vader; j) verweerder heeft met zijn werkwijze een eerlijke rechtsgang voor de vader en kinderen belemmerd; k) verweerder heeft als advocaat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid en integriteit geschonden; l) verweerder heeft de volgende gedragsregels van de advocatuur geschonden. gedragsregel 1: Beroepsplichten, gedragsregel 2: Onafhankelijkheid, gedragsregel 5: Minnelijke oplossing, gedragsregel 6: Doelmatigheid, gedragsregel 7: Geen ongepaste uitlatingen, gedragsregel 8: Geen onjuiste informatie, gedragsregel 12: Zorgvuldigheid, gedragsregel 15: Belangenverstrengeling, gedragsregel 16: Informatieplicht, gedragsregel 20: Eerlijk proces; m) verweerder heeft: a. zich onnodig grievend uitgelaten over de wederpartij b. feiten geponeerd waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen c. de belangen van de wederpartij onnodig en onevenredig geschonden zonder redelijk doel d. niet de belangen van vader behartigd, maar de belangen van vaders vriendin; n) advocaten zoals verweerder, die medische verklaringen betreffende dementie betwisten/verdraaien/negeren en juridische procedures starten om zogenaamd in het belang van hun cliënt de dementie aan te vechten, maken misbruik van hun positie als advocaat en maken zich schuldig aan ouderenmisbruik ten behoeve van hun eigen portemonnee. Een dementerende is niet geholpen met het ontkennen van zijn dementie. 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – het verloop van het geschil tot dan toe en – de kans op succes van de procedure. Aanbod klaagster indiening aanvullende stukken 5.3 Klaagster heeft ter zitting aangeboden aanvullend bewijs toe te zenden als de raad dat nodig acht. De raad overweegt het volgende. Het is aan klaagster om haar tuchtklacht voldoende feitelijk en concreet te omschrijven en dit met bewijs te onderbouwen, zodat de tuchtrechter de feiten die zij aan de klacht ten grondslag legt, kan vaststellen en beoordelen. Daarbij is het de verantwoordelijkheid van klaagster om een selectie van bewijsstukken aan te leveren die volgens haar relevant zijn voor de beoordeling van de klacht. De raad heeft een toetsende rol en vraagt niet op eigen initiatief stukken op. De klachtonderdelen 5.4 De raad stelt vast dat de verwijten van klaagster aan het adres van verweerder zijn weergegeven in de klachtonderdelen a) tot en met j) en n). De klachtonderdelen k), l), en m) bevatten de juridische grondslag voor de schendingen, en geen verwijten ten aanzien van verweerder. Met de klachtonderdelen k), l) en m) geeft klaagster aan welke normen en kernwaarden verweerder zou hebben geschonden; zij bevatten geen concrete verwijten en worden daarom niet zelfstandig beoordeeld. Ontvankelijkheid 5.5 De raad zal eerst beoordelen of klaagster voor alle onderdelen van de klacht ontvankelijk is. Hiervoor is relevant dat het klachtrecht niet in het leven is geroepen voor iedereen, maar slechts voor degene die door het handelen of nalaten van een advocaat rechtstreeks in zijn (of haar) belang is of kan worden getroffen. Als in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing nodig is, kan de deken het klachtrecht uitoefenen. 5.6 De raad is van oordeel dat klaagster geen rechtstreeks eigen belang heeft bij haar klachtonderdelen a), b), c), e), f), h), j), (voor zover het betreft de belemmering van een eerlijke rechtsgang voor de vader) en n). Ter toelichting geldt het volgende. 5.7 Deze klachtonderdelen - op klachtonderdeel e) na - hebben betrekking op de kwaliteit van verweerders bijstand aan de vader. Hoewel de raad begrip heeft voor de persoonlijke betrokkenheid van klaagster als dochter, doet dit niet af aan het feit dat zij in onderhavige tuchtprocedure de wederpartij van de vader is en de raad haar rol als zodanig dient te beoordelen. Het staat verweerder vrij om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem in samenspraak met zijn cliënt geraden voorkomt. Als wederpartij heeft klaagster geen bemoeienis hiermee en wordt zij (als wederpartij) hierdoor niet rechtstreeks in haar belangen getroffen. Waar klaagster zich in deze klachtonderdelen op het standpunt stelt dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verkondigd (strijdig met gedragsregel 8) komt dit aan bod bij de bespreking van klachtonderdeel g). Als verweerder de belangen van zijn dementerende cliënt niet heeft behartigd op een wijze die van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht, dan is het aan de vader (eventueel met bijstand van zijn curator) of aan de deken - als in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing nodig wordt geacht - om het klachtrecht uit te oefenen. Dat betekent dat klaagster niet-ontvankelijk is in deze klachtonderdelen. 5.8 Ook ter zake van klachtonderdeel e) is klaagster niet-ontvankelijk. In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij heeft verzuimd de curator (de wettelijke vertegenwoordiger van vader) in te lichten over zijn voornemen in beroep te gaan tegen de ondercuratelestelling. Klaagster wordt ook door dit handelen van verweerder niet rechtstreeks in haar belang getroffen. Het gaat hier om het belang van de curator en alleen de curator kan een klacht indienen over verweerder als hij vindt dat verweerder zich jegens hem tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen. Inhoudelijk beoordeling overige klachtonderdelen Klachtonderdelen d) en i) 5.9 In deze klachtonderdelen verwijt klaagster verweerder dat hij heeft verzuimd contact op te nemen met klaagster als provisioneel bewindvoerder, voordat hij in hoger beroep ging tegen het provisioneel bewind. Verweerder heeft volgens klaagster verder polariserend en escalerend opgetreden in een precaire familiesituatie waarin de kinderen een moeilijke beslissing hebben moeten nemen om beschermingsmaatregelen aan te vragen voor hun dementerende vader. Verweerder heeft geen enkele poging ondernomen om met de drie kinderen van de vader in gesprek te gaan en te komen tot een minnelijke oplossing, maar de vader en de kinderen juist lijnrecht tegenover elkaar geplaatst. Nadat de kantonrechter op 21 september 2022 een onafhankelijke curator voor de vader had benoemd, heeft (onder andere) klaagster aan verweerder verzocht het hoger beroep tegen het provisioneel bewind in te trekken, aangezien dat bewind met de benoeming van de curator niet meer van toepassing was. Verweerder weigerde echter het hoger beroep in te trekken. Hij heeft in de rechtszaken de strijd en polarisatie opgezocht en geen enkele poging ondernomen om te komen tot een minnelijke oplossing. 5.10 Deze klachtonderdelen slagen niet. Allereerst geldt dat, zoals ook door verweerder is aangevoerd, niet verweerder maar zijn voorganger (mr. S) op 7 juni 2022 hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 11 maart 2022 waarbij klaagster en haar broer tot provisioneel bewindvoerder zijn benoemd. Verweerder is pas daarna (eind juni 2022) bijstand gaan verlenen aan de vader. Verweerder valt dan ook niet te verwijten dat klaagster als provisioneel bewindvoerder niet voorafgaand aan het instellen van hoger beroep is geïnformeerd. Voor wat betreft de overige verwijten in deze klachtonderdelen geldt dat het de raad niet is gebleken dat verweerder polariserend en escalerend heeft opgetreden. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat hij bij de belangenbehartiging van zijn cliënt heeft getracht om de familieverhoudingen zo min mogelijk op scherp te zetten. Op het moment dat verweerder de vader echter ging bijstaan, waren de verhoudingen tussen de vader en zijn kinderen inmiddels al ernstig verstoord. Dit was het gevolg van het feit dat de vader het volstrekt niet eens was met het verzoek van de kinderen om hen tot provisioneel bewindvoerder te benoemen. Dit beschouwde de vader als een onterechte inperking van zijn recht op zelfbeschikking. Ook het feit dat het verzoek om provisioneel bewind mede gestoeld was op de stelling dat sprake zou zijn van romantische fraude door de vriendin van de vader, heeft de verhoudingen tussen de familieleden verder op scherp gesteld. De vader wilde hierdoor niet meer in overleg met zijn kinderen. Dat verweerder daarin geen verandering heeft kunnen brengen, valt hem niet te verwijten. Evenmin valt verweerder te verwijten dat hij het hoger beroep tegen het provisioneel bewind niet op verzoek van klaagster heeft ingetrokken. Verweerder kan en mag immers enkel gehoor geven aan instructies van zijn eigen cliënt (de vader). Klachtonderdeel d) en i) zijn gelet op het voorgaande ongegrond. Klachtonderdeel g) 5.11 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerder dat hij zich onnodig grievend en met onwaarheden over haar heeft uitgelaten en daarmee haar belangen heeft geschaad. Verweerder heeft ook de band tussen de vader en de kinderen, die hun vader in zorg en zaken hebben bijgestaan, geschaad. Klaagster heeft mede ter zitting toegelicht dat zij het als kwetsend heeft ervaren dat verweerder in de onderliggende procedure namens de vader heeft betoogd dat zij als de kinderen achter het geld van hun vader aanzaten en dat zij bang waren dat zij bij het overlijden van de vader minder geld zouden ontvangen dan waarop zij rekenden. Daarnaast heeft verweerder, volgens klaagster, betoogd dat de kinderen, waaronder klaagster, de vriendin van de vader (mevrouw P) ten onrechte afschilderden als geldwolf. Ook dit heeft klaagster als kwetsend ervaren. Bovendien zijn al deze stellingen volgens klaagster onwaar. Tot slot heeft verweerder in de onderliggende procedures onjuiste en misleidende informatie ingebracht over de medische situatie van de vader. 5.12 Voor de verwijten in dit klachtonderdeel bieden de stukken onvoldoende basis. Om te beginnen heeft niet verweerder maar zijn voorganger, mr. S, in het hoger beroepsschrift van 7 juni 2022 namens de vader betoogd dat de kinderen zijn partner ten onrechte afschilderden als geldwolf. Deze bewoordingen kunnen verweerder daarom niet aangerekend worden. Dat verweerder zich aldus klaagster - door zich op 28 juni 2022 te stellen als de advocaat van de vader - achter de inhoud van het hogerberoepschrift heeft geschaard, betekent niet dat hij zich dan ook kan vinden in het taalgebruik van zijn voorganger. Wel schrijft verweerder namens de vader in zijn reactie van 16 augustus 2022 aan de kantonrechter dat het de vader thans duidelijk is dat het de kinderen om geld te doen was. Tegen de achtergrond van onderliggende procedures en de wijze waarop klaagster zich, op haar beurt, heeft uitgelaten over de vader en zijn partner - die onder meer werd beschuldigd van romantische fraude - kwalificeren de door verweerder gebezigde bewoordingen niet als onnodig grievend (en leveren daarmee geen schending op van gedragsregel 7). Het verwijt is zakelijk weergegeven en verwoordt het standpunt van de vader in een procedure waarin voor de vader grote belangen op het spel stonden (namelijk zijn recht op zelfbeschikking). Deze bewoordingen waren dan ook functioneel in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Dat verweerder verder bewust onjuiste feiten heeft verkondigd in de onderliggende procedures over de medische situatie van de vader (en daarmee in strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld) is de raad evenmin gebleken. Het stond verweerder vrij om het standpunt van zijn cliënt over zijn geestesvermogens partijdig weer te geven. Dat klaagster het niet eens is met de duiding van de medische informatie door verweerder betekent niet dat verweerder (bewust) informatie heeft verstrekt die onjuist is. Het feit dat partijen het oneens zijn met elkaar hierover is inherent aan het geschil dat partijen verdeeld houdt. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om in het onderliggende geschil een oordeel te geven. Klachtonderdeel g) is ongegrond. Klachtonderdeel j) (overig) 5.13 Klaagster verwijt verweerder dat hij met zijn werkwijze een eerlijke rechtsgang voor de kinderen heeft belemmerd. Nu klaagster deze stelling niet heeft onderbouwd en ook in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van dit verwijt, is dit klachtonderdeel voor het overige ongegrond. Klachtonderdelen k), l) en m) 5.14 Klachtonderdelen k), l) en m) bevatten, zoals gezegd, geen zelfstandige verwijten aan het adres van verweerder. Deze klachtonderdelen behoeven daarom verder geen bespreking. Conclusie 5.15 De raad komt tot de slotsom dat de klachtonderdelen a), b), c), e), f), h), j), (voor zover het betreft de belemmering van een eerlijke rechtsgang voor de vader) en n) niet-ontvankelijk zijn en de klachtonderdelen d), g), i) en j (overig) ongegrond zijn. Verweerder is in zijn bijstand aan de vader binnen de grenzen van het betamelijke gebleven. Al hetgeen klaagster verder heeft gesteld, leidt de raad niet tot een ander oordeel
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdelen a), b), c), e), f), h), j), (voor zover het betreft de belemmering van een eerlijke rechtsgang voor de vader) en n) niet-ontvankelijk; - verklaart klachtonderdelen d), g), i) en j (overig) ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en D.V.A. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025
