Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2025:197

Zaaknummer

25-292/A/A

Inhoudsindicatie

Klager verwijt verweerster dat zij als advocaat van een vennootschap (de Vennootschap) heeft opgetreden, terwijl zij ook (indirect) bestuurder en (indirect) aandeelhouder is van deze Vennootschap. Volgens klager kan verweerster niet als advocaat het belang dienen van de Vennootschap, terwijl zij tegelijkertijd een eigen belang heeft als aandeelhouder en bestuurder. Klager heeft erop gewezen dat er feitelijk sprake was van een geschil tussen de aandeelhouders van de Vennootschap. Door de Vennootschap als advocaat bij te staan heeft verweerster zich volgens klager schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling. Klager wijst er verder op dat verweerster buitensporige kosten heeft gedeclareerd aan de Vennootschap. Door deze gang van zaken heeft de Vennootschap, en daarmee indirect ook klager, schade geleden. De raad volgt klager niet in zijn stellingen en oordeelt dat klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen. Het klachtrecht komt alleen toe aan degene die rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. De raad is van oordeel dat klager als (indirect) aandeelhouder en (voormalig) bestuurder van de Vennootschap, hoogstens een afgeleid belang heeft bij de klacht, maar dat dit onvoldoende is om zijn klacht over verweerster ontvankelijk te achten. Klager is dan ook niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 oktober 2025 in de zaak 25-292/A/A naar aanleiding van de klacht van:

klager  gemachtigde: mr. S.V. Rutgers

over

verweerster  gemachtigde: mr. N.A.M.E.C. Fanoy

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 20 juli 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 30 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2359679/JS/AS van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 5 september 2025. Daarbij waren klager en verweerster met hun gemachtigden aanwezig. Verder waren als toehoorders de echtgenote van klager en een kantoorgenoot van de gemachtigde van verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van klager van 16 mei 2025 en de nagezonden stukken van verweerster van 21 augustus 2025.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Op 12 juli 2019 is een besloten vennootschap opgericht (verder: de Vennootschap). De Vennootschap verricht bouwactiviteiten. De Vennootschap werd bestuurd door twee vennootschappen, die tevens ieder voor 50% aandeelhouder van de Vennootschap zijn. Deze twee vennootschappen zullen hierna worden aangeduid als Y. BV en O. BV. 2.3    De bestuurders tevens aandeelhouders van Y. BV zijn verweerster en haar echtgenoot. Klager is indirect bestuurder van O. BV.    2.4    De Vennootschap heeft opdracht gekregen een appartementencomplex te bouwen op een kavel in Amsterdam. Het gaat om drie woningen en een parkeergarage. De opdrachtgevers tot de bouw waren onder andere de schoonvader van verweerster en de ouders van klager (verder: de ouders).     2.5    O. BV is bij besluit van 27 januari 2023 door de algemene vergadering van aandeelhouders van de Vennootschap ontslagen als statutair bestuurder. O. BV verzet zich tegen dit besluit.   Procedure I 2.6    Tussen partijen is op enig moment een geschil ontstaan over de bouw van het appartementencomplex op grond van de aanneemovereenkomst. 2.7    Op 27 september 2022 heeft de Vennootschap ten laste van de ouders conservatoir beslag gelegd. Ook heeft de Vennootschap op 11 oktober 2022 de ouders in kort geding gedagvaard en betaling gevorderd van € 138.455,67 op grond van de aanneemovereenkomst. Daaraan heeft de Vennootschap ten grondslag gelegd dat zij met de ouders een bouwsom van € 366.666,30 (inclusief btw) zijn overeengekomen. De ouders hebben zich in de procedure op het standpunt gesteld dat zij een aanneemsom van € 210.601,93 (inclusief btw) zijn overeengekomen. 2.8    Op 12 mei 2023 hebben de ouders de Vennootschap gesommeerd de bouw zo snel mogelijk te voltooien en haar aansprakelijk gesteld voor mogelijke schade als gevolg van de vertraging. 2.9    Op 9 juni 2023 is de Vennootschap een bodemprocedure gestart tegen de ouders teneinde betaling van (een restant van) de aanneemsom te vorderen. 2.10    Verweerster heeft in het kader van het geschil tussen de Vennootschap en de ouders voorbereidende advocaatwerkzaamheden verricht voor de Vennootschap. Verweerster heeft hiervoor een bedrag van € 17.617,60 aan de Vennootschap gedeclareerd. In de procedure wordt de Vennootschap door een andere advocaat bijgestaan. Procedure II 2.11    Tussen de Vennootschap enerzijds en klager (en zijn vennootschappen) anderzijds is ook een geschil ontstaan. De Vennootschap is in dit geschil een bodemprocedure gestart tegen klager (en zijn vennootschappen). Deze procedure heeft betrekking op de vordering van de Vennootschap tot schadevergoeding uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid van klager en zijn vennootschappen in verband met de vermeende benadeling van de Vennootschap. In deze procedure is verweerster niet betrokken in haar hoedanigheid van advocaat, maar als (indirect) bestuurder van de Vennootschap. De Vennootschap wordt in deze procedure bijgestaan door een andere advocaat.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij heeft opgetreden als advocaat van de Vennootschap, terwijl zij ook (indirect) bestuurder en (indirect) aandeelhouder is van deze Vennootschap. Volgens klager brengt deze belangenverstrengeling de vereiste onafhankelijkheid van verweerster in gevaar. Dat verweerster heeft opgetreden voor de Vennootschap volgt uit het feit dat er een factuur is van 18 januari 2024 (zie bijlage 1 bij de klacht) waaruit volgt dat zij tot en met 31 december 2023 voor 52 uren advocaatwerkzaamheden heeft verricht voor de Vennootschap. 3.2    Volgens klager kan verweerster niet als advocaat het belang dienen van de Vennootschap, terwijl zij tegelijkertijd een eigen belang heeft als aandeelhouder en bestuurder. Zij zou daarmee onvoldoende onafhankelijk zijn. Het feit dat verweerster samenwerkt met een andere advocaat maakt geen verschil. 3.3    Volgens klager is het feitelijk een geschil tussen de aandeelhouders en bestuurders van de Vennootschap. Klager is (indirect) aandeelhouder en bestuurder van de Vennootschap en wordt daarmee rechtstreeks in zijn belangen geraakt als gevolg van het handelen van verweerster. Klager is als medeaandeelhouder van de Vennootschap ook direct in zijn belangen geraakt doordat verweerster buitensporige kosten heeft gedeclareerd aan de Vennootschap. 3.4    In de procedure waarin verweerster voor de Vennootschap optreedt worden ook verwijten gemaakt aan het adres van klager. Nu de aandeelhouders van de Vennootschap met elkaar in geschil zijn, kan het volgens klager niet zo zijn dat het belang van de ene aandeelhouder parallel loopt aan het belang van de Vennootschap. Daarnaast blijkt ook uit de feiten en omstandigheden dat verweerster niet het belang van de Vennootschap dient. Volgens klager zou een onafhankelijk advocaat voor de Vennootschap moeten optreden.

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerster voert in de eerste plaats aan dat het verwijt van klager ziet op werkzaamheden die zijn verricht in het kader van een procedure tussen de Vennootschap en de ouders. Klager was geen partij in deze procedure en staat buiten dit geschil. Bovendien heeft het verwijt van klager slechts betrekking op de rechtsverhouding tussen verweerster en de Vennootschap en raakt dat klager niet rechtstreeks in zijn belang. Volgens verweerster is klager daarom niet ontvankelijk in zijn klacht. Los daarvan heeft klager volgens verweerster geen concrete aanwijzingen gesteld dat zij tegenstrijdige belangen zou hebben behartigd. Hetzelfde geldt voor het verwijt van klager dat zij heeft geprobeerd 'exorbitante' advocaatkosten als schade van de ouders te vorderen. Verder voert verweerster aan dat zij in de procedure tussen de Vennootschap en Klager (procedure II) geen advocatuurlijke werkzaamheden heeft verricht.  

5    BEOORDELING Ontvankelijkheid van klager 5.1    Uitgangspunt is dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat niet aan eenieder toekomt, maar slechts aan degene die door een handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure vereist is, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken. De raad ziet zich in deze procedure eerst voor de vraag gesteld of klager een rechtstreeks eigen belang heeft bij de klacht.  5.2    Klager verwijt verweerster dat zij als advocaat van de Vennootschap heeft opgetreden, terwijl zij ook (indirect) bestuurder en (indirect) aandeelhouder is van deze Vennootschap. Volgens klager kan verweerster niet als advocaat het belang dienen van de Vennootschap, terwijl zij tegelijkertijd een eigen belang heeft als aandeelhouder en bestuurder. Klager heeft erop gewezen dat er feitelijk sprake was van een geschil tussen de aandeelhouders van de Vennootschap. Door de Vennootschap als advocaat bij te staan heeft verweerster zich volgens klager schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling. Klager wijst er verder op dat verweerster buitensporige kosten heeft gedeclareerd aan de Vennootschap. Door deze gang van zaken heeft de Vennootschap, en daarmee indirect ook klager, schade geleden. 5.3    De raad volgt klager niet in zijn stellingen en oordeelt dat klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen. Zoals hiervoor overwogen, komt het klachtrecht alleen toe aan degene die rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. De raad is van oordeel dat klager als (indirect) aandeelhouder en (voormalig) bestuurder van de Vennootschap, hoogstens een afgeleid belang heeft bij de klacht, maar dat dit onvoldoende is om zijn klacht over verweerster ontvankelijk te achten. Klager is dan ook niet-ontvankelijk in zijn klacht.  5.4    Dit oordeel neemt echter niet weg dat de raad vindt dat de keuzes die verweerster maakt – door zowel als bestuurder, als aandeelhouder en als advocaat bepaalde activiteiten uit te voeren voor de Vennootschap – en de manier waarop zij deze rollen met elkaar combineert ongelukkig is uitgevallen en dat dit niet zonder risico is. 

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M.J.E. van den Bergh en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op: 20 oktober 2025