Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2025:194
Zaaknummer
25-132/A/A
Zaaknummer
25-133/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; klacht over verweerders is ongegrond. Gedragsregel 15 biedt geen bescherming. Hiervoor moet er op enig moment een cliëntrelatie zijn geweest. Daarvan is niet gebleken.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 oktober 2025 in de zaken 25-132/A/A en 25-133/A/A naar aanleiding van de klachten van:
klager
over
verweerder 1 en verweerder 2 gemachtigde verweerder 2: mr. S.A.A. Hendrickx
verweerders 1 en 2 worden samen aangeduid als: verweerders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 21 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder 1. 1.2 Op 5 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag een klacht ingediend over verweerder 2. In verband met de verwevenheid van de klacht over verweerder 1, heeft het Hof van Discipline op verzoek van de (Amsterdamse) deken bij beslissing van 20 februari 2025 de klacht over verweerder 2 verwezen naar de Raad van Discipline Amsterdam (hierna: de raad). 1.3 Op 25 februari 2025 heeft de raad de beide klachtdossiers met kenmerken 2384312/JS/YH en 2388657/JS/YH van de deken ontvangen. 1.4 De klachten zijn tegelijkertijd behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij was klager met voorafgaand bericht afwezig. Ook verweerder 1 heeft zich de ochtend voor de zitting wegens ziekte afgemeld. Verweerder 1 was wel telefonisch bereikbaar. Verweerder 2 was met zijn gemachtigde op de zitting aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.5 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.3 genoemde klachtdossiers en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 2 maart 2025, 4 maart 2025 en 20 augustus 2025 in beide klachtdossiers door klager nagezonden stukken. 1.6 Op 5 augustus 2025 heeft klager om aanhouding van de zitting gevraagd, in verband met een lopend deskundigenonderzoek over de ABP-Pensioengrondslag, waarvan hij het onderzoeksrapport wilde overleggen. Verweerders hebben bij afzonderlijke e-mails van 11 augustus 2025 laten weten dat volgens hen de relevantie van dit onderzoeksrapport voor de beoordeling van de klachten ontbreekt. De raad heeft op zitting het aanhoudingsverzoek afgewezen, omdat het onderzoeksrapport niet noodzakelijk is voor beoordeling van de klachten.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op de klachtdossiers en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. Advies verweerder 2 2.2 Verweerder 2 was verbonden aan een advocatenkantoor te Den Haag (hierna: het Haagse kantoor) toen hij op 19 maart 2020 van de rechtsbijstandsverzekeraar van klager het verzoek ontving een advies uit te brengen in het (pensioen) dossier van klager. In het dossier van klager was reeds door een andere advocaat een second opinion uitgebracht en verweerder werd verzocht ten aanzien van één specifieke rechtsvraag advies uit te brengen. 2.3 De brief van 19 maart 2020 waarmee de verzekeraar verweerder 2 hiertoe opdracht gaf, luidt voor zover relevant als volgt: “Beste [verweerder 2], Onze verzekerde, [klager], woonachtig te (…) heeft zich tot ons gewend met een beroep op rechtsbijstand. Wij bieden u deze zaak ter uitbesteding aan. Zoals ik al hedenochtend met u heb besproken gaat het om een aanvullend second opinion. Ik verwijs u kortheidshalve naar het second opinion en met name naar pagina 3! U dient te lezen vanaf de woorden: “voor wat betreft de haalbaarheid van het uiteindelijke doel …. in ieder geval nog nader onderzoek behoeft”. [Mr. T] verwijst op pagina 3 naar de uitspraak van de rechtbank in 2000. U dient op basis van de uitspraak van 2000 een standpunt in te nemen of er op grond van deze uitspraak een redelijke kans van slagen bestaat het door verzekerde gewenste resultaat, te bereiken.” 2.4 Op 17 april 2020 heeft verweerder 2 advies uitgebracht over de specifieke rechtsvraag en daarna heeft verweerder 2 het dossier gesloten. 2.5 Op 17 december 2020 heeft klager aan verweerder 2 een e-mail met documenten gestuurd. Verweerder 2 heeft klager verwezen naar zijn rechtsbijstandsverzekeraar. 2.6 Op 24 mei 2021 heeft klager aan verweerder 2 verzocht het dossier te heropenen. In antwoord hierop heeft verweerder 2 klager op 25 mei 2021 bericht hieraan niet te kunnen meewerken, gelet op de eerdere afronding van de specifieke opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar. Daarna is er geen contact meer geweest tussen klager en verweerder 2. 2.7 Verweerder 2 is op 1 september 2022 in dienst getreden bij een advocatenkantoor in Amsterdam (hierna: het Amsterdamse kantoor). Aan dit Amsterdamse kantoor is verweerder 1 (nog steeds) verbonden. Verweerders zijn beide pensioenadvocaten. 2.8 Sinds 1 september 2023 is verweerder 2 weer verbonden aan het Haagse kantoor. Procedure ABP door verweerder 1 2.9 Nadat verweerder het onder 2.4 bedoelde advies had uitgebracht, is klager verwikkeld geraakt in een procedure tegen het ABP, gevoerd bij de rechtbank en het gerechtshof. Klager werd bijgestaan door mr. S (niet verbonden aan het Haagse kantoor) en verweerder 1 trad als advocaat op voor het ABP. 2.10 Verweerder 2 heeft omstreeks juli 2023 - in de periode dat hij werkzaam was op het Amsterdamse kantoor - in deze procedure op verzoek van verweerder 1 de pro forma dagvaarding voor het hoger beroep opgesteld, omdat verweerder 1 daar op dat moment niet aan toekwam. 2.11 Bij e-mail van 5 juli 2023 om 11:45 uur heeft een Senior Assistent bij het Amsterdamse kantoor (mevrouw L) aan de advocaat van klager (mr. S) met verweerders in cc namens verweerder 1 laten weten dat het ABP in hoger beroep gaat van het vonnis van de rechtbank. 2.12 Bij e-mail van 21 juli 2023 heeft mr. S verweerder 1 namens klager verzocht om zich aan de zaak te onttrekken, omdat zijn kantoorgenoot - verweerder 2 - klager in het verleden had geadviseerd. Daarmee was volgens klager(s advocaat) sprake van een situatie die in strijd is met gedragsregel 15 (belangenverstrengeling). Zij schrijft voor zover relevant het volgende: “In bovengenoemde kwestie verzocht cliënt [klager] mij het volgende onder uw aandacht te willen brengen. Uit onderstaande e-mail van 5 juli om 11:45 uur van [mevrouw L] blijkt dat [verweerder 2] verbonden is aan uw kantoor en zich blijkbaar nu ook bezighoudt met bovengenoemde kwestie. Zowel u als [verweerder 2] staan namelijk in genoemde e-mail in de cc Ik begreep van cliënt dat [verweerder 2] nog niet lang geleden voor cliënt een advies heeft uitgebracht in de onderhavige kwestie. [Verweerder 2] was toen verbonden aan [het Haagse kantoor]. Het komt erop neer dat uw kantoor waaraan [verweerder 2] (naar inmiddels is gebleken sinds september 2022) verbonden is, optreedt tegen een voormalig cliënt wat indruist tegen regel 15 van de Gedragsregels van Advocaten. (…) In de onderhavige kwestie is er naar mening van cliënt daarom sprake van een conflicterend belang. (…) Gezien vorenstaande gaat cliënt ervan uit dat uw kantoor het ABP in de onderhavige aangelegenheid niet meer zal vertegenwoordigen (…).” 2.13 Bij e-mail van 23 juli 2023 heeft verweerder 1 geantwoord dat hij zich niet gaat onttrekken aan de zaak en dat er volgens hem geen sprake is van schending van gedragsregel 15. Verder schrijft verweerder 1 dat verweerder 2 geen betrokkenheid heeft bij de zaak en dat hij op dat moment de samenwerking met het Amsterdamse kantoor had opgezegd. 2.14 Op 25 juli 2023 is op het Amsterdamse kantoor een ‘Information Barrier’ aangelegd, waardoor verweerder 2 geen toegang meer had tot de zaak van het ABP tegen klager.
3 KLACHTEN 3.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerders het volgende. 3.2 Verweerders hebben ongeoorloofd voor het ABP opgetreden in een procedure tegen klager over zijn pensioen, terwijl verweerder 2 in het verleden, toen hij verbonden was aan het Haagse kantoor, advies heeft uitgebracht over het pensioen van klager.
4 VERWEER 4.1 Verweerders hebben los van elkaar tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Ontvankelijkheid 5.1 Verweerder 2 heeft allereerst aangevoerd dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat klager de redelijke klachttermijn heeft geschonden. Nadat het klager op 23 juli 2023 namelijk bekend was dat verweerder 1 zich niet zou terugtrekken als de advocaat van het ABP, heeft klager nog vijftien maanden gewacht voordat hij zijn klacht over verweerder 2 heeft ingediend. 5.2 De raad volgt verweerder 2 niet in dit betoog. Hoewel klager gelet op zijn bekendheid met de situatie eerder zijn klacht had kunnen indienen, maakt dit niet dat de klacht niet-ontvankelijk is. Deze is binnen de driejaarstermijn ingediend en daarmee ontvankelijk. Beoordeling 5.3 In gedragsregel 15 is - kort gezegd - bepaald dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een (voormalig) cliënt van hem of van een kantoorgenoot, omdat dit kan leiden tot belangenverstrengeling. 5.4 Naar het oordeel van de raad slagen de klachten niet. Hoewel de raad - zoals ook door verweerder 2 ter zitting is aangevoerd - begrijpt dat klager vreemd opkeek toen de naam van verweerder 2 opdook in cc van de e-mail van de senior assistent van verweerder 1 over de procedure van klager tegen het ABP, biedt gedragsragsregel 15 geen bescherming aan klager in de voorliggende casus. Hiervoor moet klager op enig moment de cliënt van verweerder 2 zijn geweest en daarvan is niet gebleken. Op 19 januari 2020 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van klager aan verweerder 2 verzocht om een specifieke rechtsvraag in het dossier van klager te beoordelen. Verweerder 2 heeft derhalve in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar gehandeld en tussen klager en verweerder 2 is daarbij geen cliëntrelatie tot stand gekomen, zodat gedragsregel 15 niet van toepassing is. Van een belangenverstrengeling is dan ook geen sprake. Daarbij geldt dat verweerder 1 ABP al jarenlang bijstaat en bovendien de onderliggende zaak waarin verweerder 1 de belangen van ABP behartigt een andere zaak is dan de zaak waarover verweerder 2 de rechtsbijstandsverzekeraar op 1 specifiek punt heeft geadviseerd. Het is de raad overigens verder niet gebleken dat er op enig moment vertrouwelijke informatie tussen verweerders is uitgewisseld of dat zij hun geheimhoudingsplicht hebben geschonden. De klachten zijn derhalve ongegrond.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klacht over verweerder 1 (25-133/A/A) ongegrond; - verklaart de klacht over verweerder 2 (25-132/A/A) ongegrond. Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en D.V.A. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025
