Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:205
Zaaknummer
250336
Inhoudsindicatie
Klacht over deken niet verwezen. Ne-bis-in-idem-beginsel. Dekenbezwaar. Er kan niet opnieuw worden geklaagd over gedragingen van een advocaat/deken waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. Dekenbezwaar is nog in behandeling. Het gaat niet aan om in die nog lopende procedure al een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline van 23 oktober 2025
in de zaak 250336 naar aanleiding van de klacht van:
klager
tegen: verweerder
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 19 september 2025 van het kantoor van klager, met als bijlage een klachtschriftuur van klager met klachten over verweerder, waarin klager de voorzitter van het hof verzoekt de klacht te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling (en niet naar de deken Noord-Nederland).
1.2 Klager dient een klacht in over verweerder naar aanleiding van - kort gezegd - de medewerking die verweerder heeft verleend aan een krantenartikel dat mede betrekking heeft op klager en het verhuurbemiddelingsbedrijf waar klager eigenaar van is, en uitlatingen die verweerder in dat artikel heeft gedaan. De klacht gaat verder over het onderzoek dat verweerder naar aanleiding van het krantenartikel is gestart en de documenten die verweerder daarvoor heeft opgevraagd bij zowel klager als bij de journalisten die het artikel hebben opgesteld en die ook over het onderzoek zijn ingelicht. Daarnaast heeft de klacht betrekking op het dekenbezwaar dat verweerder naar aanleiding van het onderzoek heeft ingediend. In de klachtschriftuur heeft klager toegelicht waarom hierbij naar klager stelt sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en nalaten van verweerder.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 De voorzitter constateert dat een deel van de klachten in de klachtschriftuur overeenkomt met de klacht over verweerder die klager in juni 2023 bij het Hof van Discipline heeft ingediend. Na onderzoek en afhandeling van die klacht door de deken in het arrondissement Noord-Nederland, heeft de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden daarover op 12 mei 2025 een beslissing genomen (zaaknr. 24-801/AL/NN). De klacht is ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft klager hoger beroep ingesteld en de zaak staat in januari 2026 bij het hof op zitting.
2.3 Bij de huidige klacht van klager gaat het deels om hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder in dezelfde periode als in de genoemde eerdere klacht. Op grond van het (ook) in het tuchtrecht geldende ne-bis-in-idem-beginsel kan echter niet opnieuw worden geklaagd over gedragingen van een advocaat/deken waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. Een advocaat/deken tegen wie een klacht is ingediend moet er na het einde van de klachtprocedure namelijk in beginsel op kunnen vertrouwen dat de klacht tegen hem/haar daarmee afgewikkeld is en niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. Het ne-bis-in-idem-beginsel staat aan een nieuwe klachtbehandeling in de weg.
2.4 De voorzitter stelt vast dat klager daarnaast nieuwe klachten heeft geformuleerd die betrekking hebben op het onderzoek dat verweerder naar aanleiding van voornoemd krantenartikel is gestart, de documenten die verweerder daarvoor bij klager en de journalisten heeft opgevraagd en het op de hoogte stellen van de journalisten van het onderzoek, en op het dekenbezwaar dat verweerder naar aanleiding van dat onderzoek heeft ingediend.
2.5 Het dekenbezwaar is op dit moment in behandeling bij de Raad van Discipline te ‘s-Hertogenbosch. De voorzitter overweegt dat klager binnen de kaders van die procedure al zijn bezwaren over het door de deken gestarte onderzoek, de gang van zaken daaromtrent en over het dekenbezwaar naar voren kan brengen en die procedure eerst moet doorlopen om daarover een oordeel van de tuchtrechter te verkrijgen. Het gaat niet aan om in die nog lopende procedure nu al een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex.
2.6 Op grond van wat hiervoor staat zal de voorzitter de klacht tegen de deken niet verwijzen.
3. BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is gewezen op 23 oktober 2025 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter. Plaatsvervangend voorzitter De beslissing is verzonden op 23 oktober 2025.
