Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2025:195
Zaaknummer
25-294/A/A
Inhoudsindicatie
Ongegrond verzet
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 oktober 2025 in de zaak 25-294/A/A naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 16 juni 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 18 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 1 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2389415/JS/MvV van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 16 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 16 juni 2025 verzonden aan partijen. 1.4 Op 16 juni 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 5 september 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in. 2.2 De beslissing van de voorzitter miskent volgens klager de tuchtrechtelijke relevantie van het handelen van verweerder. In het bijzonder wordt in de beslissing van de voorzitter onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat verweerder in zijn verweerschrift bewust, althans op onzorgvuldige wijze, onjuiste en/of misleidende feitelijke mededelingen heeft gedaan aan de rechterlijke instantie, hetgeen in strijd is met de op een advocaat rustende kernwaarde van integriteit. 2.3 Klager wijst erop dat verweerder een onjuist bruto maandinkomen van klager heeft genoemd, dat hij ten onrechte heeft gesteld dat er geen sprake zou zijn van onbetaald ouderschapsverlof en dat hij de grievende suggestie wekt dat klager zijn werkuren heeft verminderd met het oogmerk zijn draagkracht – en daarmee de alimentatie – te verlagen. 2.4 De voorzitter heeft volgens klager verder nagelaten rekening te houden met de toepasselijke wettelijke regeling inzake ouderschapsverlof, zoals vastgelegd in de Wet arbeid en zorg (Wazo). Ook heeft de voorzitter ten onrechte geoordeeld dat de gewraakte uitlatingen van verweerder deel uitmaken van diens proceshouding in een familierechtelijk geschil, en daarmee geen tuchtrechtelijke toetsing behoeven. 2.5 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M.J.E. van den Bergh en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025
