Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:203

Zaaknummer

250042

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat. Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een door haar tegen haar verhuurder gevoerde procedure. Door een renovatie van onder meer haar appartement was er sprake van ernstige overlast. Verweerder heeft met klaagster besproken dat de vordering erop zou worden gebaseerd dat klaagster pas bij het ophalen van de sleutel werd geconfronteerd met de renovatieplannen voor het gehele complex en daarvóór niets wist van de renovatie.  Dat laatste bleek tijdens de procedure feitelijk niet juist. Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij haar zaak onzorgvuldig heeft behandeld, doordat hij voor de procedure bij de kantonrechter een onjuist feitelijk uitgangspunt heeft genomen waarvan hij had moeten weten dat dit onjuist was. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad dat niet is komen vast te staan dat verweerder had moeten weten dat hij een feitelijk onjuist uitgangspunt heeft genomen voor de procedure. De concept dagvaarding en pleitnota waren immers door klager becommentarieerd en goedgekeurd. Het hof oordeelt daarnaast dat klaagster wist dat verweerder de door haar aan hem toegezonden schadefoto’s niet wilde gebruiken in de procedure en dat het feit dat hij deze niet heeft gebruikt niet kan leiden tot de conclusie dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. Bekrachtiging raadsbeslissing. 

Uitspraak

Beslissing van 20 oktober 2025 in de zaak 250042

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder

 

 

1    INLEIDING

1.1    Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een door haar tegen haar verhuurder gevoerde procedure. Door een renovatie van onder meer haar appartement was er sprake van ernstige overlast. Verweerder heeft met klaagster besproken dat de vordering erop zou worden gebaseerd dat klaagster pas bij het ophalen van de sleutel werd geconfronteerd met de renovatieplannen voor het gehele complex en daarvóór niets wist van de renovatie.  Dat laatste bleek tijdens de procedure feitelijk niet juist. Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij haar zaak onzorgvuldig heeft behandeld, doordat hij voor de procedure bij de kantonrechter een onjuist feitelijk uitgangspunt heeft genomen waarvan hij had moeten weten dat dit onjuist was. De raad heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat verweerder had moeten weten dat hij een feitelijk onjuist uitgangspunt heeft genomen voor de procedure. De concept dagvaarding en pleitnota waren immers door klager becommentarieerd en goedgekeurd. De raad heeft de klacht van klaagster ongegrond verklaard. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad. Het hof oordeelt daarnaast dat klaagster wist dat verweerder de door haar aan hem toegezonden schadefoto’s niet wilde gebruiken in de procedure en dat het feit dat hij deze niet heeft gebruikt niet kan leiden tot de conclusie dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld.   1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.   

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-632/AL/MN) een beslissing gewezen op 13 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster in beide onderdelen ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:12 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 29 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerder; -    een e-mail met  drie bijlagen van klaagster van 10 augustus 2025; -    een e-mail van klaagster van 12 augustus 2025 met nogmaals de bijlagen van de e-mail van 10 augustus 2025.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 25 augustus 2025. Daar zijn klaagster en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht.

 

3    FEITEN

3.1     Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2     Klaagster huurt sinds 1 april 2021 een woning in een appartementencomplex. Dit complex is in de periode van 25 mei 2021 tot en met 30 september 2022 gerenoveerd. Omdat klaagster daarvan veel hinder ondervond en na de renovatie meer huur moest gaan betalen, heeft zij zich bij e-mail van 20 februari 2022 tot verweerder gewend.

3.3     Verweerder heeft op 25 mei 2022 namens klaagster een aanmaningsbrief aan de verhuurder gezonden.

3.4     Verweerder heeft bij e-mail van 1 juni 2022 aan klaagster een bevestiging gezonden van de opdracht om een rechtszaak tegen de verhuurder te starten.

3.5    Verweerder heeft in zijn e-mail van 13 september 2022 klaagster bericht dat hij een dagvaarding zal opstellen waarin huur zal worden teruggevorderd wegens bedrog en misbruik van omstandigheden.

3.6     Verweerder heeft in zijn e-mail aan klaagster van 26 september 2022 onder meer het volgende geschreven:

“(…) Wat ik zal vorderen is vermindering over de periode dat je overlast hebt ervaren door de renovatie. Ik vorder dat niet (ten eerste) op de normale basis daarvoor, omdat er nu eenmaal een sociaal plan ligt dat door 70% is goedgekeurd en dat dan de maatregelen gelden op grond van de wet. We doen het op basis van het feit dat je niets wist van de renovatie toen je er in kwam en je ermee werd geconfronteerd op de dag dat je de sleutel kwam ophalen: bedrog, dwaling/misbruik van omstandigheden. (…)”

3.7     Verweerder heeft op 4, 11 en 25 november 2022 concepten van de dagvaarding aan klaagster voorgelegd, die klaagster telkens van commentaar heeft voorzien.

3.8     De door verweerder op 22 december 2022 aan klaagster gezonden vierde versie van de dagvaarding is door klaagster goedgekeurd.

3.9    Verweerder is vervolgens namens klaagster een procedure gestart bij de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.

3.10      Op 26 juni 2023 heeft de zitting plaatsgevonden ter gelegenheid waarvan verweerder een pleitnota heeft overgelegd.

3.11      Bij vonnis van de kantonrechter van 12 juli 2023 zijn de vorderingen van klaagster afgewezen met veroordeling van klaagster in de proceskosten.

3.12      Verweerder heeft bij e-mail van 1 augustus 2023 het vonnis aan klaagster toegezonden. Hij heeft daarbij aangegeven dat zij de zaak heeft verloren omdat zij tijdens de zitting opeens had gezegd dat de verhuurder bij de bezichtiging heeft verteld dat het hele complex verbouwd zou worden, terwijl verweerder eerder van klaagster had begrepen dat de verhuurder alleen tegen haar had gezegd dat haar eigen appartement verbouwd zou worden.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en zover in hoger beroep nog van toepassing, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: 

a) klaagsters zaak onzorgvuldig te behandelen

Toelichting: Verweerder heeft de schuld van het verliezen van de procedure direct op klaagster afgeschoven, omdat klaagster volgens hem tijdens de zitting opeens had gezegd dat de verhuurder tijdens de bezichtiging heeft meegedeeld dat het hele complex verbouwd zou worden, terwijl zij bij de voorbereiding van de zaak telkens tegenover verweerder had verklaard dat zij niets wist van de verbouwing van het complex. Klaagster heeft echter al in haar eerste brief melding gemaakt van een grootse renovatie en heeft steeds aan verweerder verteld dat alle appartementen gerenoveerd zouden gaan worden. Wat haar door de verhuurder niet was verteld, is dat er nieuwe appartementen op de begane grond zouden komen en het dak, de galerijen en andere ruimtes ook onder handen zouden worden genomen. Dit is wat klaagster altijd tegen verweerder en ook tijdens de zitting heeft gezegd. Verweerder had redelijkerwijs moeten weten dat niet alleen het appartement van klaagster gerenoveerd zou gaan worden. Verder heeft verweerder voor klaagster belangrijke punten niet meegenomen in de procedure, terwijl klaagster dit wel verscheidene keren heeft gevraagd. Dat betreft onder meer het niet vorderen van diverse schade als gevolg van de renovatie, terwijl klaagster alle bewijzen daarvoor had toegezonden.

(….) 

5    OMVANG HOGER BEROEP      5.1    Het hoger beroep van klaagster richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a). Klachtonderdeel b) (het onvoldoende en onduidelijk met klaagster communiceren) is in hoger beroep niet meer aan de orde.

5.2    Voor zover klaagster in haar beroepschrift en op de zitting bij het hof nieuwe verwijten (bejegening door verweerder tijdens het gesprek bij de deken) tegen verweerder heeft geformuleerd, laat het hof deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advw). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.

6    BEOORDELING RAAD

6.1    De raad heeft – na uiteenzetting van de uitgangspunten – het volgende overwogen over klachtonderdeel a). 

Klachtonderdeel a): onzorgvuldige behandeling van de zaak

6.2    De raad heeft uiteengezet dat de kern van het verwijt van klaagster is dat verweerder haar inhoudelijk niet goed heeft bijgestaan, doordat hij voor de procedure bij de kantonrechter een onjuist feitelijk uitgangspunt heeft genomen waarvan hij had moeten weten dat dit onjuist was. Verweerder heeft hiertegenover aangevoerd dat klaagster hem heeft verteld dat zij bij de bezichtiging van het appartement te horen heeft gekregen dat enkele zaken daarin verbouwd zouden worden, maar dat haar niet was verteld dat het hele appartementencomplex onderworpen zou gaan worden aan een grootschalige renovatie. Zij had pas met de sleutel van het appartement ook een informatiebrochure en een sociaal plan met betrekking tot die renovatie gekregen. Verweerder heeft – naar zijn zeggen - klaagster uitgelegd dat in principe niet veel te doen was aan de geluidsoverlast van de renovatie vanwege de instemming met het sociaal plan door 70% van de bewoners, maar dat hij een mogelijke rechtsingang gevonden had in het feit dat de verhuurder die renovatie voor klaagster verzwegen had, hetgeen bedrog of dwaling zou kunnen opleveren. Volgens verweerder is deze processtrategie  met klaagster afgesproken en is ook neergelegd in de aan haar voorgelegde processtukken. Tot zijn verbazing heeft klaagster tijdens de zitting in reactie op een vraag van de rechter geantwoord dat haar tijdens de bezichtiging wel was verteld dat het hele complex gerenoveerd zou gaan worden.

6.3    De raad heeft vervolgens geoordeeld dat verweerder op grond van de door klaagster aangeleverde informatie heeft gekozen voor een bepaalde processtrategie. Deze strategie was erop gebaseerd dat klaagster er niet van op de hoogte was dat het hele appartementencomplex gerenoveerd zou gaan worden. De raad heeft vervolgens geconstateerd dat dat verweerder de processtrategie in duidelijke bewoordingen aan klaagster heeft bevestigd in zijn e-mail van 26 september 2022 en vervolgens heeft opgenomen in zijn processtukken. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens de raad dat verweerder de verschillende concepten van de dagvaarding en de pleitnota aan klaagster heeft voorgelegd, zij deze telkens van haar commentaar heeft voorzien en uiteindelijk heeft goedgekeurd. De raad heeft daarna vastgesteld dat klaagster op geen enkel moment verweerder erop heeft gewezen dat de in de processtukken verwoorde grondslag voor de procedure feitelijk niet klopte. De raad heeft gelet op het voorgaande geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat verweerder had moeten weten dat hij een feitelijk onjuist uitgangspunt heeft genomen voor de procedure. Naar het oordeel van de raad kan het verweerder dan ook niet tuchtrechtelijk worden verweten dat klaagster om deze reden de rechtszaak heeft verloren. Omdat ook anderszins niet is gebleken dat verweerder klaagster onvoldoende deskundig en bekwaam heeft bijgestaan, heeft de raad klachtonderdeel a) ongegrond verklaard. 

 

7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

7.1    Klaagster handhaaft in haar beroepschrift haar standpunt dat verweerder haar inhoudelijk niet goed heeft bijgestaan, doordat hij voor de procedure bij de kantonrechter een onjuist feitelijk uitgangspunt heeft genomen waarvan hij had moeten weten dat dit onjuist was. Volgens klaagster heeft zij nooit tegen verweerder gezegd dat alleen haar appartement zou worden gerenoveerd. Dit blijkt ook niet uit het verslag van verweerder van het gesprek dat op 23 juni 2022 heeft plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder. Dat verweerder niet (in de opdrachtbevestiging of de aanmaningsbrief aan de verhuurder) heeft vastgelegd dat klaagster zou hebben gezegd dat alleen haar appartement gerenoveerd zou worden, komt voor risico van verweerder. Ter zitting bij het hof heeft klaagster nader toegelicht dat toen zij naar het huis ging kijken haar is verteld dat alle appartementen gerenoveerd zouden worden. Er is toen gezegd dat de badkamer, de keuken, de vloer en de ramen zouden worden gedaan. Er is echter niets gezegd over het dak, de gehele buitenkant, de voorkant, de receptie, de bergingen en dat er nieuwe appartementen zouden komen, aldus klaagster. Volgens klaagster heeft zij dit ook zo aan verweerder verteld. Dat er in de dagvaarding stond dat alleen haar appartement zou worden gerenoveerd, is er volgens klaagster pas later ingeslopen. Dat moet zij over het hoofd hebben gezien. Er waren minstens vijf concepten en klaagster ging ervan uit dat als zij het niet corrigeerde het hetzelfde zou blijven. 

7.2    Daarnaast heeft klaagster aangevoerd dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op haar verwijt aan verweerder dat hij heeft geweigerd haar schadefoto’s (schade als gevolg van de renovatie) mee te nemen in de procedure bij de kantonrechter. Als hij dit wel had gedaan had de kantonrechter daar rekening mee moeten houden, zou een deel van haar vordering zijn toegewezen en zouden de proceskosten voor de helft van de tegenpartij zijn geweest, aldus klaagster. Verweerder kan niet bewijzen dat telefonisch zou zijn afgesproken dat de beschadigingen niet zouden worden meegenomen in de procedure.

Verweer verweerder

7.3     Verweerder blijft in zijn verweerschrift bij zijn standpunt dat klaagster hem wel heeft gezegd dat zij niet geïnformeerd was over de renovatie van het gehele complex. Dat is herhaaldelijk met haar besproken en alle concepten en processtukken zijn met klaagster afgestemd. Klaagster heeft alle processtukken goedgekeurd, aldus verweerder.    7.4    Met betrekking tot de “schadefoto’s” heeft verweerder toegelicht dat klaagster hem deze foto’s op 28 november 2022 heeft toegezonden en dat vervolgens met haar besproken is dat de foto’s niet ter zake dienend waren en dat dit zou afleiden van de zaak. Volgens verweerder is klaagster akkoord gegaan met deze aanpak. Een aantal werkzaamheden die verhuurder nog moest verrichten is wel meegenomen in de procedure bij de kantonrechter.

 

8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.   8.2     Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

8.3    Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.

Overwegingen hof

klachtonderdeel a): onzorgvuldige behandeling van de zaak 

8.4     Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad dat verweerder de besproken en bepaalde processtrategie in duidelijke bewoordingen aan klaagster heeft bevestigd in zijn e-mail van 26 september 2022 en vervolgens heeft opgenomen in zijn processtukken. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder de verschillende concepten van de dagvaarding en de pleitnota aan klaagster heeft voorgelegd, zij deze telkens van commentaar heeft voorzien en uiteindelijk heeft goedgekeurd. In het eerste concept van de dagvaarding (meegestuurd bij de e-mail van verweerder van 4 november 2022) is reeds opgenomen (onder punt 4 en 16) dat klaagster is verteld dat alleen haar appartement verbouwd zou worden en niet dat het hele gebouw anderhalf jaar zou trillen op zijn grondvesten. Het standpunt van klaagster dat dit punt pas later in de concepten zou zijn geslopen en dat zij daar overheen heeft gelezen, volgt het hof dan ook niet. Ook als zij er wel overheen zou hebben gelezen, komt dit – gelet op het feit dat klaagster de concepten steeds van commentaar heeft voorzien - voor haar rekening en risico. Het had op de weg van klaagster gelegen om erop te wijzen dat de in de processtukken verwoorde grondslag voor de procedure feitelijk niet klopte. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat verweerder heeft moeten begrijpen dat hij een feitelijk onjuist uitgangspunt heeft genomen voor de procedure.     8.5     Met betrekking tot het niet in het geding brengen van de schadefoto’s, overweegt het hof als volgt. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij met klaagster heeft besproken dat de foto’s niet ter zake dienend waren en dat dit zou afleiden van de zaak.  Klaagster heeft op de zitting bij het hof bevestigd dat dit is besproken maar dat zij het er niet mee eens was.  Zij wist dan ook dat door haar aangeleverde foto’s niet door verweerder zouden worden gebruikt. Het is echter niet aannemelijk geworden dat daarover tussen verweerder en klaagster verschil van mening is blijven bestaan en dat verweerder dus nog steeds tegen de zin handelde van klaagster, toen hij de foto’s niet inbracht. Klaagster heeft immers de concepten goedgekeurd en kunnen zien dat een deel van de schade ( en de kennelijk daarbij behorende foto’s) niet was opgenomen in de vordering. Dat hij de bedoelde schadefoto’s niet heeft gebruikt in de procedure kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. Wellicht had verweerder er beter aan gedaan om nogmaals schriftelijk aan klaagster uit te leggen waarom hij de foto’s niet zou gebruiken, maar dat maakt in dit geval het oordeel van het hof niet anders. 

8.6     Het hof onderschrijft verder het oordeel van de raad dat ook anderszins niet is gebleken dat verweerder klaagster onvoldoende deskundig en bekwaam heeft bijgestaan. 

Slotsom

8.7     De conclusie is dat het hof, evenals de raad, klachtonderdeel a) ongegrond acht. Het beroep slaagt dan ook niet. De beslissing van de raad zal worden bekrachtigd. 

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 13 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-632/AL/MN.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 20 oktober 2025.