Rechtspraak
Uitspraakdatum
21-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:149
Zaaknummer
25-605/DB/ZWB
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De voorzitter verklaart de raad kennelijk onbevoegd voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in een brief aan de rechtbank te spreken van “psychische/psychiatrische problematiek van moeder”. In zoverre kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 21 oktober 2025
in de zaak 25-605/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 8 september 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken), van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is met de heer G, hierna: “de man”, verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Klaagster wordt bijgestaan door mr. J, advocaat, terwijl de man wordt bijgestaan door verweerster.
1.2 Bij beschikking van 12 oktober 2023 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
“(3.5) Het voorgaande maakt dat de rechtbank zorgen heeft over de psychische gesteldheid van de vrouw. Een psychiater schrijft een antipsychoticum pas voor nadat deze een psychische stoornis heeft gediagnosticeerd. Vermoedelijk is er aan de zijde van de vrouw dan ook sprake van een (al dan niet beginnende) psychose dan wel een andere psychische stoornis. Het is zorgelijk dat de vrouw zich verder niet onder enige vorm van (psychosociale en psycho-educatieve) behandeling wenst te stellen en ook de voorgeschreven medicijnen niet inneemt. (…) Deze zorgen worden door de vertegenwoordiger van de raad gedeeld en ter zitting uitgesproken. (…) Dit alles maakt, dat de rechtbank, in overeenstemming met het advies van de raad, de kinderen aan de man zal toevertrouwen.(…)’
1.3 In brieven van GGZ-[B] van 18 maart 2024 en 11 augustus 2025 naar aanleiding van aan klaagster verleende hulp wordt gesproken van “DSM-classificatie (…) Ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (…)”.
1.4 Bij brief van 4 juni 2025 heeft verweerster de rechtbank verzocht om de zaak opnieuw mondeling te behandelen. Verweerster heeft ter onderbouwing van dit verzoek gemotiveerd toegelicht dat haar cliënt door toedoen van klaagster vastliep in het traject van het Uniform Hulp Aanbod, waarnaar partijen door de rechtbank waren verwezen. Verweerster heeft onder meer naar voren gebracht dat klaagster de afspraken niet goed was nagekomen en onvoldoende medewerking had verleend. In de brief heeft verweerster voorts onder meer aan de rechtbank medegedeeld:
“Namens vader zou ik u willen vragen om de zaak opnieuw mondeling te behandelen. Daaraan ligt het volgende ten grondslag.
Ouders zijn door uw rechtbank verwezen naar het Uniform Hulp Aanbod. Binnen dit kader wordt de psychische/psychiatrische problematiek van moeder niet gezien als haar persoonlijke problematiek, maar een communicatieprobleem tussen ouders. Er zijn tot nu toe zes gesprekken georganiseerd, waarvan er drie niet door zijn gegaan door toedoen van moeder, veelal op het laatste moment. (…)”
1.5 Op 26 juni 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft zich schuldig gemaakt aan smaad en laster omdat zij herhaaldelijk heeft gesuggereerd dat klaagster zou lijden aan ernstige psychische of psychiatrische stoornissen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Bevoegdheid
Klaagster verwijt verweerster dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan smaad en laster. De voorzitter overweegt dat klaagster aldus in de klacht strafrechtelijke kwalificaties heeft gegeven aan het - vermeend - optreden van verweerster. De tuchtrechter heeft echter niet de bevoegdheid om te oordelen over de vraag of al dan niet van strafrechtelijk handelen sprake is. De voorzitter zal de raad dan ook met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet kennelijk onbevoegd verklaren voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat.
4.2 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.3 Verder geldt dat in familierechtkwesties, waarvan in dit geval sprake is, de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
4.4 Klaagster verwijt verweerster dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld omdat zij herhaaldelijk heeft gesuggereerd dat klaagster zou lijden aan ernstige psychische of psychiatrische stoornissen. Verweerster heeft weersproken dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband heeft verweerster gemotiveerd toegelicht dat het in het belang van haar cliënt was om de rechtbank te berichten dat het traject van het Uniform Hulp Aanbod moeizaam verliep en in dat verband aandacht te vragen voor de omstandigheden die partijen bemoeilijkten om afspraken te maken.
4.5 De voorzitter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat klaagster onaangenaam is getroffen door de inhoud van verweersters brief van 4 juni 2025. Ofschoon de voorzitter voorstelbaar acht dat klaagster is geraakt door de in die brief gebezigde bewoordingen “psychische/psychiatrische problematiek van moeder”, is een onwelgevallige uitlating van de advocaat van een wederpartij niet zonder meer in tuchtrechtelijke zin ontoelaatbaar. Daarvan is pas sprake als de uitlating bijvoorbeeld onnodig kwetsend is of als de advocaat de feitelijke onjuistheid van een stelling kent of behoort te kennen. Daarvan is de voorzitter in de onderhavige zaak niet gebleken.
4.6 De voorzitter is van oordeel dat de hierboven geciteerde overweging van de rechtbank in de beschikking van 12 oktober 2023 en de hierboven genoemde brieven van de GGZ voldoende feitelijke grondslag bieden voor verweersters stelling dat sprake is van “psychische/psychiatrische problematiek”. Verweerster heeft bovendien genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom het in het belang van haar cliënt was om deze bewoordingen in de brief aan de rechtbank te bezigen. Indien en voor zover klaagster het met de inhoud van verweersters brief niet eens was, kon zij (dan wel haar advocaat) daarop in de gerechtelijke procedure reageren. Het is niet aan de tuchtrechter om te oordelen over de geschilpunten die partijen in een civielrechtelijk geschil verdeeld houden.
4.7 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de raad met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet kennelijk onbevoegd, voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat;
- de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 21 oktober 2025
