Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:202

Zaaknummer

250058

Inhoudsindicatie

Klacht tegen advocaat wederpartij. In een geschil tussen een meerderheidsaandeelhouder en een minderheidsaandeelhouder (25%) heeft verweerder de meerderheidsaandeelhouder bijgestaan. Klaagster handhaaft in hoger beroep alleen haar klacht dat verweerder bij een bespreking heeft gedreigd met een tegenclaim van € 90.000 om zo klaagster te bewegen de aandelen tegen een minimale waarde over te dragen. Het hof oordeelt dat verweerder voldoende heeft toegelicht hoe hij tot de tegenvordering is gekomen, dat deze tegenvordering in de dynamiek van de onderhandelingsbesprekingen is genoemd en dat deze vordering bij de verdere onderhandelingen die tot de vaststellingsovereenkomst hebben geleid niet meer aan de orde is gekomen. Het hof acht dit klachtonderdeel evenals de raad ongegrond. Bekrachtiging raadsbeslissing.

Uitspraak

Beslissing van 20 oktober 2025 in de zaak 250058

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder

 

 

1    INLEIDING

1.1    Het gaat hier om een geschil tussen een meerderheidsaandeelhouder en een minderheidsaandeelhouder (25%). De meerderheidsaandeelhouder heeft voorgesteld de aandelen van de minderheidsaandeelhouder over te nemen. Verweerder heeft de meerderheidsaandeelhouder daarbij bijgestaan. Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie van advocaat door te intimideren, door een platform te scheppen om te komen tot een overdracht van de aandelen tegen een minimale waarde door te dreigen met een schadeclaim en door zonder toestemming van de minderheidsaandeelhouder de leveringsdatum van de aandelen uit te stellen. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klaagster handhaaft in hoger beroep alleen haar klacht dat verweerder bij een bespreking heeft gedreigd met een tegenclaim van € 90.000 om zo klaagster te bewegen de aandelen tegen een minimale waarde over te dragen. Het hof oordeelt dat verweerder voldoende heeft toegelicht hoe hij tot de tegenvordering is gekomen, dat deze tegenvordering in de dynamiek van de onderhandelingsbesprekingen is genoemd en dat deze vordering bij de verdere onderhandelingen die tot de vaststellingsovereenkomst hebben geleid niet meer aan de orde is gekomen. Het hof acht evenals de raad dit klachtonderdeel ongegrond.  

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.   

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-701/A/A) een beslissing gewezen op 13 januari 2025. In deze beslissing zijn alle klachtonderdelen van klaagster ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:6 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 11 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerder; -    een brief met bijlagen van klaagster van 13 augustus 2025.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 25 augustus 2025. Daar zijn de gemachtigde van klaagster, verweerder en de gemachtigde van verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1     Het hof stelt - voor zover in hoger beroep nog relevant - de volgende feiten vast.   3.2    Klaagster was bestuurder en minderheidsaandeelhouder (25%) van ATWU BV ( hierna: ATWU) en B BV (hierna: B). De andere bestuurder en meerderheidsaandeelhouder (75%) van ATWU en B was KG BV (hierna: KG). Alle aandelen in klaagster worden gehouden door mevrouw L. Alle aandelen in KG worden gehouden door de heer R.

3.3    In januari 2023 is een geschil ontstaan tussen de minderheidsaandeelhouder en de meerderheidsaandeelhouder. Verweerder stond de meerderheidsaandeelhouder daarin bij. De meerderheidsaandeelhouder heeft in maart 2023 voorgesteld om de aandelen van klaagster in ATWU en B over te nemen. Hierover zijn daarna onderhandelingen gevoerd. 

3.4     Op 20 juni 2023 hebben de algemene vergaderingen van aandeelhouders (hierna: de AVA’s) plaatsgevonden van ATWU en B. Hierin is besloten klaagster te ontslaan als bestuurder van ATWU en B. Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ontslag onterecht is. 

3.5     Op 29 augustus 2023 heeft er op het kantoor van verweerder een bespreking plaatsgevonden. Bij deze bespreking waren namens klaagster mr. D en de heer K aanwezig. Namens KG waren verweerder en de heer R aanwezig.

3.6      In een e-mail van 30 augustus 2023 van verweerder aan mr. D heeft verweerder geschreven, voor zover relevant:

“Bedankt voor jullie bezoek gisteren. Helaas stel ik vast dat partijen er gisteren niet zijn uitgekomen. Cliënte heeft een concreet financieel voorstel gedaan dat door [klaagster] is afgewezen. Vervolgens besloot [klaagster] geen tegenvoorstel te doen. Ik stuur dit bericht met het oog op een mogelijke weg naar voren. “

3.7     Op 1 september 2023 heeft mr. D in een e-mailbericht hierop gereageerd met, voor zover relevant:

“Het klopt dat partijen er niet uit zijn gekomen. Dat komt onder meer omdat er geen nieuw voorstel is gedaan namens [KG]. (…) Het was bekend dat cliënte het laatste bod van [KG] dat vóór de bespreking was gedaan, volstrekt onacceptabel vond. Als dan enkel datzelfde bod wordt herhaald door [KG], kan dat niet serieus worden genomen. (…). Het staat cliënte dus vrij om in overleg te treden met derden. (…) Namens cliënte roep ik hierbij een algemene ledenvergadering bijeen (…). Voor de goede orde herhaal ik namens cliënte dat de besluiten van 20 juni 2023 (…) vernietigbaar zijn. (…)”

3.8      Ook op 1 september 2023 heeft mr. D namens klaagster een brief aan alle aandeelhouders gestuurd met daarin een oproeping van de AVA’s.

3.9     Verweerder heeft hierop per e-mailbericht van 5 september 2023 namens KG gereageerd.

3.10       Op 11 september 2023 hebben klaagster en KG overeenstemming bereikt over de voorwaarden voor overdracht van de aandelen van klaagster in ATWU en B.

3.11     Op 30 november 2023 heeft klaagster een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.

 

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder:

(….)

b) ineens en zonder grondslag te hebben gedreigd met een schadeclaim van € 90.000,- vanwege onheus en onbekwaam handelen van klaagster.

(…)

5    OMVANG HOGER BEROEP      5.1    Het hoger beroep van klaagster richt zich (naar het hof begrijpt:) tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b). Tegen de beslissing van de raad op de klachtonderdelen a) (misbruik maken van de positie als advocaat door buitenproportioneel te intimideren) en c) (uitstellen van de leveringsdatum van de aandelentransactie) zijn geen gronden aangevoerd, zodat in hoger beroep alleen nog klachtonderdeel b) aan de orden is.    

6    BEOORDELING RAAD

6.1    De raad heeft – na uiteenzetting van het toetsingskader – klachtonderdeel a) en b) gezamenlijk behandeld. Over klachtonderdeel b) specifiek heeft de raad het volgende geoordeeld.  

klachtonderdeel b)

6.2    De raad heeft uiteengezet dat klaagster verweerder in klachtonderdeel b) verwijt dat hij met een  een schadeclaim van € 90.000 heeft gedreigd vanwege het vermeend onheus en onbekwaam handelen van klaagster. Deze volgens klaagster niet onderbouwde claim kwam uit het niets en werd door verweerder als dreigement ingezet om klaagster te bewegen in te stemmen met de deal. Door deze grove intimidatie van verweerder kon klaagster geen kant meer op en moest zij wel tekenen. Door hier aan mee te werken, heeft verweerder zijn rol als advocaat misbruikt, aldus klaagster.

6.3     De raad heeft vervolgens op grond van de inhoud van het klachtdossier en hetgeen partijen hierover ter zitting naar voren hebben gebracht vastgesteld dat er op 29 augustus 2023 een bespreking op het kantoor van verweerder heeft plaatsgevonden. Tijdens de bespreking hebben partijen (de heer K en mr. D namens klaagster enerzijds en de heer R en verweerder namens de wederpartij anderzijds) met elkaar overlegd over het tussen de aandeelhouders gerezen geschil. Toen partijen er tijdens deze bespreking niet uitkwamen, hebben zij hierna verder met elkaar gecorrespondeerd, waarna er op 11 september 2023 alsnog overeenstemming tussen hen is bereikt.

6.4    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder genoegzaam aangevoerd dat hij tijdens de onderhandeling op 29 augustus 2023 steeds de standpunten van zijn cliënte naar voren heeft gebracht. Er was volgens de raad sprake van een zakelijk verschil van mening over de waarde van de aandelen en enkele hieraan gerelateerde onderwerpen. Binnen deze discussie was het de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënte op de juiste wijze te behartigen. Daarbij ging verweerder af op de informatie die hem door zijn cliënte was verstrekt en hij heeft toen ook de schadeclaim ter hoogte van € 90.000 ingebracht. Volgens de raad bestond er voor verweerder geen aanleiding om aan de door zijn cliënte aan hem verstrekte informatie te twijfelen en klaagster heeft hiervoor ook geen nadere onderbouwing gegeven. Dat klaagster het niets eens was met de (hoogte van) de door verweerder op 29 augustus 2023 genoemde schadeclaim, maakt in ieder geval niet dat verweerder dit standpunt niet had mogen innemen of dat hij klaagster hiermee op grove wijze zou hebben geïntimideerd of bedreigd, aldus de raad. De raad heeft daarbij meegewogen dat klaagster op 29 augustus 2023 en ook gedurende de verdere onderhandelingen werd bijgestaan door een advocaat (mr. D), waarmee haar belangen voldoende werden gewaarborgd. Met bijstand van haar advocaat heeft klaagster op 11 september 2023 overeenstemming bereikt over de overdracht van de aandelen in ATWU en B, alsmede op 26 september 2023 de definitieve versie van de daarvan tussen partijen opgemaakte vaststellingsovereenkomst ondertekend. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de raad niet gebleken van een uitzonderingssituatie waarbij verweerder gehouden was de juistheid van de informatie van zijn cliënte te verifiëren, noch dat hij zou hebben gehandeld in strijd met het de kernwaarde partijdigheid. 

7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

7.1    Klaagster handhaaft in haar beroepschrift haar standpunt dat verweerder tijdens de bespreking op 29 augustus 2023 ineens en zonder grondslag heeft gedreigd met een schadeclaim van  € 90.000,- vanwege onheus en onbekwaam handelen van klaagster en dat hij klaagster daarmee onder druk heeft gezet om te komen tot een overdracht van de aandelen tegen een minimale waarde. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat hij de onderbouwing door zijn cliënte van de schadeclaim heeft gezien, maar hij heeft nooit aangetoond waar deze zogenaamde schadeclaim op gebaseerd was. Volgens klaagster is inmiddels (uit de jaarstukken) gebleken dat deze claim nooit heeft bestaan. Er is geen enkele verliespost waarneembaar, aldus klaagster. Ter zitting bij het hof heeft klaagster nader toegelicht dat verweerder de financiële positie van mevrouw L. kende. Zij was ontslagen en bevond zich financieel in een benarde positie. Doordat verweerder dreigde met de claim van € 90.000,- wegens onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder voelde zij zich onder druk gezet. In paniek is zij akkoord gegaan met het schikkingsvoorstel. Klaagster handhaaft haar standpunt dat verweerder daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

verweer verweerder

7.2    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

8.2     Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënte te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënte de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënte dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënte hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënte wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënte strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

8.3    Klaagster verwijt verweerder dat hij tijdens een bespreking over de prijs van de aandelen zonder grondslag zou hebben gedreigd met een (niet bestaande) schadeclaim om te komen tot een overdracht van de aandelen tegen een minimale waarde. Verweerder heeft ter zitting bij het hof nader onderbouwd in welke context hij zijn uitlating over de (tegen)vordering van zijn cliënte heeft gedaan en  waar deze vordering op  was gebaseerd. Verweerder heeft toegelicht dat op 29 augustus 2023 een bespreking heeft plaatsgevonden met als doel te onderhandelen over een minnelijke regeling. Volgens verweerder heeft klaagster op een gegeven moment aangegeven te overwegen rechtsmaatregelen te treffen. Daarop heeft verweerder aangegeven dat er door zijn cliënte dan ook een tegenvordering zou worden ingesteld. Deze vordering was er op gebaseerd dat de cliënte van verweerder van mening was dat de aandelen minder waard waren geworden, omdat er door toedoen van klaagster als (mede)bestuurder schade was geleden. Klaagster ontving een managementvergoeding, terwijl zij niets deed. Daarnaast werd de website door haar niet geüpdatet, hetgeen wel nodig was om vindbaar te blijven. De cliënte van verweerder kon dit niet zelf doen, omdat klaagster “de codes” in handen had. Bovendien liepen er klanten weg, aldus verweerder. Verweerder heeft verder toegelicht dat zijn cliënte hem een Excel-bestand had toegestuurd met aanvullende stukken, waaruit kon worden afgeleid dat er schade was geleden. Volgens verweerder was het totale schadebedrag zelfs hoger dan wat hij  tijdens  de bespreking heeft genoemd. Verweerder heeft tot slot betwist dat inmiddels uit de jaarstukken blijkt dat er geen sprake was van schade. Dit blijkt wellicht nog niet uit de jaarrekening van 2023, maar wel uit de jaarrekening van 2024, aldus verweerder. 

8.4    Het hof is met de raad van oordeel dat het de taak van verweerder was om tijdens de bespreking van 29 augustus 2023 de belangen van zijn cliënte te behartigen. Verweerder mocht afgaan op de door zijn cliënte aan hem verstrekte informatie over het functioneren van klaagster als medebestuurder. Verweerder heeft met de hiervoor vermelde toelichting voldoende onderbouwd waar de gestelde (tegen)vordering op was gebaseerd (de managementvergoeding en schade door vertrekkende klanten). Daarnaast was de door zijn cliënte aan hem verstrekte informatie onderbouwd met een Excel-bestand en nadere stukken. Tegen deze achtergrond bestond er voor verweerder geen aanleiding om aan de door zijn cliënte aan hem verstrekte informatie te twijfelen. Het beroep van klaagster op de overgelegde jaarrekening van 2023 maakt het voorgaande niet anders. De overgelegde jaarstukken bewijzen niet dat er door de cliënte van verweerder geen schade zou zijn geleden door haar handelen als medebestuurder.  Verweerder mocht – mede gelet op de dynamiek tijdens de onderhandelingen – het standpunt van zijn cliënte vertolken dat bij een vordering van klaagster zijn cliënte een (tegen)vordering van circa € 90.000,- zou instellen.  Van ongeoorloofde druk van de zijde van verweerder is daarbij niet gebleken. Daarbij wijst het hof erop dat klaagster werd bijgestaan door een advocaat en dat na de bewuste bespreking nog is door onderhandeld en uiteindelijk op 11 september 2023 overeenstemming is bereikt. 

Slotsom

8.5    De conclusie is dat het hof, evenals de raad, klachtonderdeel b) ongegrond acht. Het beroep van klaagster slaagt dan ook niet. De beslissing van de raad zal worden bekrachtigd. 

 

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 13 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-701/A/A.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 20 oktober 2025.