Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:228

Zaaknummer

25-211/AL/NN

Inhoudsindicatie

De raad heeft geoordeeld dat verweerder zich onnodig grievend over de wederpartij van zijn cliënt heeft uitgelaten. Verweerder heeft zich daarmee niet gedragen zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De raad houdt er rekening mee dat verweerder eerder voor vergelijkbaar handelen door de tuchtrechter is veroordeeld. Ook wordt in aanmerking genomen dat verweerder op de zitting geen inzicht in het verwijtbare van zijn handelen heeft getoond. Gelet op de aard en de ernst van het handelen van verweerder en rekening houdend met de hierboven genoemde omstandigheden, is de oplegging van een berisping passend en geboden.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 21 oktober 2025

in de zaak 25-211/AL/NN

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

vertegenwoordiger:

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 11 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 31 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN142/2394182 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 juni 2025. Daarbij waren de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Verweerder treedt op namens de heer C. uit A.

2.2 Klaagster is een zorgaanbieder. Mevrouw B. is als zorgverlener verbonden aan klaagster. Klaagster verleende zorg aan de cliënt van verweerder. Naar het oordeel van klaagster verkeerde de cliënt van verweerder in een zeer schrijnende situatie: hij is blind, er was dementie vastgesteld, er waren open wonden die verzorgd moesten worden en het huis was vervuild. Er liepen veel muizen en er lagen muizenuitwerpselen. De buren ervaarden overlast.

2.3 Klaagster heeft een verzoek tot instelling van een bewind over de goederen die toebehoren aan de cliënt van verweerder gedaan.  De kantonrechter Amsterdam heeft op 17 juni 2024 geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de cliënt van verweerder als gevolg van zijn lichamelijke/geestelijke toestand niet in staat is om ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en heeft hem onder bewind gesteld.

2.4 Klaagster heeft in samenspraak met de GGD en de zoon van de cliënt van verweerder een schoonmaakploeg ingehuurd om de woning van de cliënt van verweerder schoon te maken. Deze schoonmaakploeg kwam op 2 juli 2024 naar de woning van de cliënt van verweerder. Naar aanleiding daarvan heeft de cliënt van verweerder aangifte ter zake van diefstal bij de politie gedaan. Deze aangifte is geseponeerd.

2.5 Verweerder is namens zijn cliënt tegen de beschikking in beroep gegaan. Het beroepschrift bevat de volgende passage:

Gerekwestreerden hebben eiser beroofd en zonder hem er in te kennen aan de kantonrechter gevraagd hem onder bewind te stellen. Hij werd door hen ook niet op de hoogte gesteld van dit verzoek.  Van de beroving is aangifte gedaan bij de politie. Een copie van de aangifte aan dit beroepschrift gehecht (prod. 2).  Eiser is zeer wel in staat het beheer over zijn inkomsten en zijn vermogen te voeren. Voor bewind is geen enkele reden. De bewindvoerder is op verzoek van gerekwestreerden voorgesteld en maakt waarschijnlijk deel uit van de groep gerekwestreerden. Het bewind met de bewindvoerder maakt het mogelijk om hem nog verder te beroven. Het is een criminele groep.

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Verweerder heeft zich onnodig grievend uitgelaten over klaagster door in zijn beroepschrift te stellen dat de thuiszorgorganisatie in kwestie een criminele groep zou zijn die zijn cliënt beroofd hebben. Verweerder presenteert onwaarheden.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

5.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel.

5.2 Klaagster is een zorginstelling en heeft een schoonmaakbedrijf ingehuurd om bij de cliënt van verweerder schoon te maken. In zijn beroepschrift heeft verweerder geschreven dat klaagster zijn cliënt heeft beroofd en dat ‘het een criminele groep is’. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat dit het standpunt van zijn cliënt was en dat zijn cliënt dat op deze wijze in het beroepschrift wilde hebben. Het stond hem vrij om dit oordeel van zijn cliënt op deze manier door te geven, aldus verweerder.

5.3 De raad is van oordeel dat deze passage van het beroepschrift van verweerder onnodig grievend is ten opzichte van klaagster. Het zijn vergaande beschuldigingen die verweerder - behoudens een (geseponeerde) aangifte - niet heeft onderbouwd, maar wel als een vaststaand feit heeft gepresenteerd. Verweerder had deze uitingen daarom niet mogen doen, ook al was het de wens van zijn cliënt. Een advocaat is meer dan de spreekbuis van zijn cliënt. Dit geldt in deze zaak te meer omdat er uit de stukken volgt dat er twijfels waren over het realiteitsbesef bij de cliënt van verweerder. Verweerder had de zorgen of ervaringen van zijn cliënt wel mogen overbrengen, maar dan op een andere, meer neutrale en minder beschuldigende toon. Van enige functionaliteit bij het gebruik van de gedane uitlatingen en met name de toonzetting daarvan is naar het oordeel van de raad geen sprake.

5.4 De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder met zijn uitlatingen de belangen van klaagster onnodig en onevenredig heeft geschaad. De klacht wordt daarom gegrond verklaard. 

 

6 MAATREGEL

6.1 De raad heeft geoordeeld dat verweerder zich onnodig grievend over de wederpartij van zijn cliënt heeft uitgelaten. Verweerder heeft zich daarmee niet gedragen zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De raad houdt er rekening mee dat verweerder eerder voor vergelijkbaar handelen door de tuchtrechter is veroordeeld. Ook wordt in aanmerking genomen dat verweerder op de zitting geen inzicht in het verwijtbare van zijn handelen heeft getoond. Gelet op de aard en de ernst van het handelen van verweerder en rekening houdend met de hierboven genoemde omstandigheden, is de oplegging van een berisping passend en geboden.

 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

 

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus, M.M. Mok, P. Rijnsburger en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 21 oktober 2025