Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:201

Zaaknummer

240307

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat. Klaagster is ontevreden over de wijze waarop verweerder haar heeft bijgestaan in onder meer een bijstandszaak, een kinderbijslagzaak en een paspoortenzaak. De raad heeft geconcludeerd dat het werk dat verweerder voor klaagster heeft verricht in deze drie zaken op alle vlakken voldeed aan de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De raad heeft de klacht van klaagster ongegrond verklaard. Het hof sluit zich – na toepassing van een ruimhartige uitleg van de beroepsgronden – bij dat oordeel aan. De klacht is ook in hoger beroep ongegrond. Bekrachtiging raadsbeslissing. 

Uitspraak

Beslissing van 20 oktober 2025 in de zaak 240307

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder

 

1    INLEIDING

1.1.    Verweerder heeft klaagster in een aantal zaken bijgestaan. Klaagster is ontevreden over de wijze waarop verweerder haar heeft bijgestaan in onder meer een bijstandszaak, een kinderbijslagzaak en een paspoortenzaak. De raad heeft geconcludeerd dat het werk dat verweerder voor klaagster heeft verricht in deze drie zaken op alle vlakken voldeed aan de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De raad heeft de klacht van klaagster ongegrond verklaard. Het hof sluit zich – na toepassing van een ruimhartige uitleg van de beroepsgronden – bij dat oordeel aan. De klacht is ook in hoger beroep ongegrond. 

1.2.    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.   

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-509/A/A) een beslissing gewezen op 30 september 2024. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:164 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 27 oktober 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    een brief van een medewerker van Stichting De Brug van 30 juni 2025 namens klaagster met nadere stukken, ontvangen door de griffie op 1 juli 2025; -    een e-mail van 7 juli 2025 met een aanvullende toelichting op e-mail van 30 juni 2025.

2.5  Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 25 augustus 2025. Daar zijn klaagster en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. 

 

3    FEITEN

3.1     Het hof stelt – voor zover in hoger beroep nog relevant - de volgende feiten vast.

3.2     Klaagster heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij is op 30 april 2009 in Marokko getrouwd met haar toenmalige echtgenoot (hierna: de man), die zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit heeft. Uit dit huwelijk zijn twee – nog minderjarige – kinderen geboren.

3.3     Op 14 december 2015 heeft de Nederlandse ambassade in Rabat, Marokko, Nederlandse paspoorten aan de kinderen verstrekt. Deze waren geldig tot 14 december 2020.

3.4    Op 22 oktober 2020 is klaagster met haar kinderen naar Nederland gekomen. Met ingang van 18 november 2020 zijn klaagster en haar kinderen als niet-ingezetene ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Bijstandszaak 

3.5     Op 15 november 2020 heeft klaagster een bijstandsuitkering aangevraagd bij de gemeente Amsterdam. Bij besluit van 29 maart 2021 is die aanvraag afgewezen, omdat klaagster onvoldoende informatie over haar woonsituatie had gegeven. Hierop heeft klaagster zich op 26 april 2021 tot verweerder gewend en hem verzocht haar bij te staan in deze kwestie.

3.6    Klaagster heeft op 2 mei 2021 een nieuwe bijstandsaanvraag bij de gemeente ingediend. De gemeente heeft deze bijstandsaanvraag toegewezen.

3.7    Op 10 mei 2021 heeft verweerder voorlopig bezwaar aangetekend tegen het besluit van 29 maart 2021. Bij beslissing van 18 november 2021 heeft de gemeente het bezwaar van klaagster ongegrond verklaard en haar besluit van 29 maart 2021 gehandhaafd. 

3.8    Op 27 december 2021 heeft verweerder namens klaagster een voorlopig beroepschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam tegen de beslissing op bezwaar van 18 november 2021. Op 25 januari 2022 heeft verweerder de gronden van het beroep aangevuld. 

3.9     Op 22 januari 2022 hebben klaagster en verweerder de bijstandszaak bij verweerder op kantoor besproken. Bij brief van 24 januari 2022 heeft verweerder aan klaagster bevestigd wat zij tijdens de bespreking hebben besproken. Verweerder schrijft hierin onder meer het volgende:

“Tenslotte heb ik u gevraagd of u in overweging kan nemen het beroep in te trekken omdat u nu al vanaf 02 mei 2021 een bijstandsuitkering heeft gekregen en het nu alleen gaat over een beperkte periode tussen 24 november 2020 en 02 mei 2021. U heeft hierop geen duidelijk antwoord gegeven.”

3.10      Bij brief van 30 mei 2022 heeft verweerder klaagster, voor zover relevant, als volgt bericht:

“U heeft mij vandaag eindelijk gebeld. U bent niet verschenen op de afspraak van afgelopen zaterdag (…). U bent verder vergeten dat wij op 12 mei telefonisch afspraak hebben gemaakt voor zaterdag 28 mei om 15:30 uur. (…)

U vertelt mij dat u niet kan gaan naar de zitting van 07 juni a.s. (…)

Ik heb u verteld dat het onmogelijk is om de datum van de zitting te verschuiven naar een andere datum. Uw aanwezigheid is wel belangrijk omdat de rechter concreet vragen zal gaan stellen over uw woonsituatie en de (feiten rondom) de post die de gemeente aan u heeft verstuurd. Ik kan die vragen zelf niet goed beantwoorden.

Het is niet aan de gemeente maar aan ons om aan te tonen dat er sprake is van bijzondere situatie waarom u geen kennis heeft genomen van de door de gemeente aan u toegezonden stukken/oproepen. De rechtbank heeft daarom in haar oproep ons aangeraden om op de zitting aanwezig te zijn. Het gaat dus niet alleen om een juridisch verhaal maar meer om feiten en omstandigheden rondom uw woonsituatie en de correspondentie tussen de gemeente en u. Ik heb u hierdoor medegedeeld dat mijn aanwezigheid alleen op de zitting zonder u geen enkele nut heeft. De bedoeling was dat er een tolk wordt geregeld en dat u zelf uw woon/verblijf-situatie ten tijde van de bijstandsaanvraag aan de rechter uitlegt. Persoonlijk kan ik zelf geen toegevoegde waarde in uw zaak inbrengen. Ik heb u verteld dat, nu u niet kan verschijnen, ik ook niet op de zitting aanwezig zal zijn en dat de rechtbank de zaak zal afdoen op basis van de stukken. Het is jammer.

Mocht u in de komende dagen iemand vinden die de kinderen naar school kan brengen laat mij dat uiterlijk vrijdag a.s. (in verband  met reservering van een tolk) met spoed weten.”

3.11     Op 7 juni 2022 heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden. Klaagster en verweerder waren niet op de zitting aanwezig.

3.12      Bij uitspraak van 21 juni 2022 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 

Kinderbijslagzaak

3.13      Op 21 april 2021 heeft klaagster bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) kinderbijslag aangevraagd. De SVB heeft deze aanvraag bij besluit van 15 juli 2021 afgewezen.

3.14      Op 4 november 2021 heeft klaagster opnieuw kinderbijslag voor haar kinderen aangevraagd. Bij besluit van 29 december 2021 heeft de SVB ook deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzende beslissing is aan klaagster digitaal via Mijn Overheid bekendgemaakt. Hier kwam klaagster pas op 14 februari 2022 achter. De bezwaartermijn was toen al verstreken. Toch heeft klaagster verweerder verzocht namens haar bezwaar te maken tegen het besluit van 29 december 2021. Verweerder heeft hierover bij brief van 15 februari 2022 het volgende aan klaagster geschreven, voor zover relevant:

“Zoals we gisteren tijdens ons gesprek hebben besproken zal ik, wat wij hebben doorgenomen, in deze brief bevestigen. U heeft mij gevraagd om SVB te bellen over uw kinderbijslagaanvraag. U heeft niets van SVB gehoord over uw aanvraag. Het was jouw tweede aanvraag. Wij hebben SVB gebeld. De medewerker van SVB heeft ons telefonisch medegedeeld dat de aanvraag is afgewezen en dat de beslissing op 29 december 2021 is verzonden naar uw berichtenbox en niet naar uw briefadres of verblijfadres.

(…)

U heeft mij gevraagd om namens u bezwaar tegen deze beslissing te gaan indienen. (…) Ik heb u verteld dat de bezwaartermijn inmiddels is verstreken. Het bezwaar dateert van 29 december 2021 en dat uiterlijk het bezwaar 09 februari 2022 had moeten worden ingediend. U heeft mij gezegd dat het niet uw schuld is want u was niet op de hoogte van het besluit. SVB had de brief gewoon naar uw postadres moeten verzenden.

Ik heb u toegezegd dat ik hiertegen bezwaar zal aan tekenen. Of wij gelijk krijgen is afhankelijk van of u wel of niet SVB heeft gevraagd om uw post (alleen) via uw berichtenbox aan u te verzenden. Als dit zo is heeft SVB gelijk.

(…)

Voor de duidelijkheid heb ik u geadviseerd om een nieuwe aanvraag met spoed te gaan indienen. Dit is in uw geval dringend nodig want als het bezwaar ongegrond wordt verklaard dan heeft u nog geen kinderbijslag gekregen. U heeft gezegd dat u dit wel gaat doen. (…) U wordt nu begeleid door medewerkers van Stichting S. Ik heb u mijn hulp aangeboden met het indienen van een nieuwe aanvraag in het geval dat het u niet lukt een (nieuwe) aanvraag in te dienen.”

3.15     Op 17 februari 2022 heeft verweerder een voorlopig bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 29 december 2021 en in dat verband de onderliggende dossierstukken bij de SVB opgevraagd. Diezelfde dag heeft verweerder klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:

“Hiermee bevestig ik uw opdracht aan mij, om namens u, een bezwaarschrift in te dienen bij SVB te Utrecht tegen de beschikking van 29 december 2021. Een kopie van het voorlopig bezwaarschrift die ik reeds heb ingediend treft u hierbij aan. De gronden van het bezwaarschrift zal ik na het bestuderen van uw stukken gaan indienen.

Er is een kans aanwezig dat SVB u in uw bezwaar niet-ontvankelijk kan verklaren vanwege dat u te laat bent met het indienen van het bezwaarschrift. (…)”

3.16     Op 24 februari 2022 heeft de SVB het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn.

3.17     Op 28 maart 2022 heeft klaagster verweerder gevraagd in beroep te gaan tegen de beslissing op bezwaar van 24 februari 2022. Verweerder heeft dit diezelfde dag bevestigd aan klaagster.

3.18     Op 5 april 2022 heeft verweerder beroep ingesteld bij de rechtbank. Op diezelfde datum heeft verweerder klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd met betrekking tot de beroepsprocedure.

3.19     Op 26 april 2022 heeft de SVB de rechtbank bericht dat op 5 april 2022 een nieuw besluit is genomen waarbij aan klaagster vanaf het derde kwartaal van 2021 alsnog kinderbijslag is toegekend ten behoeve van haar kinderen.

3.20     Op 5 mei 2022 heeft verweerder klaagster hierover een brief gestuurd. Hierin is, voor zover relevant het volgende opgenomen:

“Ik heb inmiddels de dossierstukken via de rechtbank ontvangen. SVB heeft aan de rechtbank geschreven dat, naar aanleiding van uw nieuwe aanvraag, aan u per beslissing van 05 april 2022 kinderbijslag is toegekend en wel vanaf het derde kwartaal van 2021 (dus vanaf juli 2021). SVB stelt dat u geen belang meer heeft bij voortzetting van de beroepsprocedure bij de rechtbank. Ik stuur u een aantal stukken uit het dossier, o.a. de mededeling van SVB aan de rechtbank d.d. 26 april jl. en het besluit toekenning kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2021. Laat mij weten of dit juist is.”

3.21     Op 18 juli 2022 heeft verweerder klaagster, voor zover relevant, het volgende geschreven:

“Op 16 juli jl. heeft u bij mij op kantoor een gesprek gehad over een aantal onderwerpen. (…) Ik heb zowel de rechtbank als de SVB beloofd dat ons beroep zal worden ingetrokken aangezien u geen belang meer had bij deze procedure. U heeft mij verteld dat u inderdaad kinderbijslag heeft gekregen vanaf het derde kwartaal van 2021.

U heeft mij toestemming gegeven om het beroep alsnog in te trekken. Een dezer dagen zal ik dat gaan doen.”

3.22     Op 20 juli 2022 heeft verweerder het beroep van klaagster ingetrokken. Bij brief van 25 juli 2022 heeft de rechtbank dit aan verweerder bevestigd. De op 27 juli 2022 geplande zitting is geannuleerd. Op 27 juli 2022 heeft verweerder de brief van de rechtbank aan klaagster doorgestuurd.

Paspoortenzaak

3.23     Klaagster wilde in augustus 2022 met haar kinderen op vakantie en had daarvoor voor de kinderen nieuwe Nederlandse paspoorten nodig. Op 16 juli 2022 heeft klaagster verweerder tijdens een gesprek bij hem op kantoor verzocht om haar te helpen met het aanvragen van Nederlandse paspoorten ten behoeve van haar twee kinderen.

3.24     Op 26 juli 2022 heeft verweerder namens klaagster de rechtbank in kort geding verzocht om vervangende toestemming voor afgifte van Nederlandse paspoorten aan de kinderen van klaagster. Op 2 augustus 2022 is de vervangende toestemming door de rechtbank verleend.

3.25      Op 9 augustus 2022 heeft klaagster de paspoorten bij de gemeente aangevraagd. Bij besluit van 13 oktober 2022 heeft de gemeente, ondanks het besluit van de rechtbank van 2 augustus 2022, geweigerd de paspoorten af te geven. Het was de gemeente gebleken dat de man in het BPR-register geregistreerd stond als gehuwd met een andere vrouw (hierna: de andere vrouw). Het huwelijk van klaagster met de man kon daarom pas geaccepteerd worden als bewezen werd dat het huwelijk met de andere vrouw definitief was ontbonden. Dit betekende ook dat tot dit bewijs was ingeleverd de man niet als de vader van de kinderen stond geregistreerd en ten behoeve van de kinderen in verband daarmee geen Nederlandse paspoorten konden worden verstrekt.

3.26     Bij brief van 25 oktober 2022 heeft verweerder klaagster, voor zover relevant, het volgende geschreven:

“Ik heb met u afgelopen zaterdag bij mij op kantoor een gesprek gehad over de weigering van de gemeente om Nederlandse paspoorten ten behoeve van uw kinderen (…).

U bent op 09 augustus 2022, met de door de rechtbank Amsterdam op 02 augustus 2022 aan u verleende verklaring van toestemming om paspoorten te kunnen aanvragen voor uw kinderen, bij de gemeente geweest voor het aanvragen van de paspoorten. De gemeente heeft geweigerd om uw aanvragen in behandeling te nemen. Volgens de ambtenaar van de gemeente moet eerst een onderzoek komen of uw kinderen wel de Nederlandse nationaliteit bezitten.

U overhandigt mij een beslissing van de gemeente van 13 oktober 2022 waaruit blijkt dat de gemeente inderdaad [de kinderen] geen Nederlandse paspoorten wilt afgegeven. De gemeente stelt dat u bent op 30 april 2009 in Marokko in het huwelijk getreden met de vader van [de kinderen], terwijl hij nog steeds staat gehuwd met een andere vrouw (…). Volgens de gemeente heeft [de man] tot op heden niet aangetoond dat hij definitief is gescheiden van [de andere vrouw]. De gemeente wilt dat eerst wordt aangetoond dat het huwelijk van [de man] met [de andere vrouw] definitief was ontbonden. Ik heb u uitgelegd dat de gemeente denkt dat er sprake is van een bigamie situatie en dat is verboden in Nederland. Als dat zo is dan kan uw huwelijk met [de man] niet worden erkend en dat heeft gevolgen voor de nationaliteit van [de kinderen]. We hebben afgesproken dat ik een bezwaar ga aantekenen tegen het besluit van de gemeente en de gemeente verzoeken mij de stukken toe te sturen. De bedoeling is om te kijken op grond waarvan de gemeente deze standpunt neemt. (…)”

3.27     Op 1 november 2022 heeft verweerder namens klaagster een voorlopig bezwaarschrift tegen het besluit van 13 oktober 2022 ingediend. Op 2 november 2022 heeft verweerder klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd met betrekking tot het instellen van bezwaar tegen het besluit en het ingediende voorlopige bezwaarschrift meegestuurd.

3.28     Op 19 december 2022 hebben klaagster en verweerder samen telefonisch overleg gehad met een Marokkaanse advocaat.

3.29     Op 20 december 2022 heeft verweerder het bezwaarschrift aangevuld. Op 21 december 2022 heeft verweerder klaagster het volgende geschreven:

“Inmiddels heeft de gemeente ons tot 19 januari 2023 de tijd gegeven om het bezwaarschrift met nadere gronden aan te vullen (…). Zoals wij hebben afgesproken zult u met [de man] bewijsstukken regelen rondom zijn echtscheiding met [de andere vrouw] in 02 april 2009. (…) De bewijsstukken omtrent de ontbinding van het huwelijk van [de man] met [de andere vrouw] zijn dus zeer belangrijk. (…)”

3.30     Op 18 januari 2023 heeft verweerder klaagster een e-mail gestuurd waarin hij nogmaals benadrukt heeft dat het belangrijk is dat de echtgenoot aan de gemeente documenten moet tonen waaruit de ontbinding van zijn eerdere huwelijk blijkt. Verweerder heeft de gemeente namens klaagster meerdere malen om uitstel verzocht voor het indienen van nadere stukken en aanvullende gronden.

3.31     Op 6 maart 2023 is een telefonische hoorzitting gehouden. Klaagster was hierbij niet aanwezig. Afgesproken is dat de zaak tot 5 april 2023 zou worden aangehouden voor het indienen van stukken. Verweerder heeft klaagster hierover op 8 maart 2023 een brief gestuurd. Voor zover relevant, staat hierin het volgende:

“Het is zeer belangrijk dat [de man] in ieder geval met zijn echtscheidingsstukken komt en deze aanbiedt aan de gemeente voor erkenning van deze echtscheiding. Mocht blijken dat dit niet mogelijk is dan is, zoals ik u herhaaldelijk heb medegedeeld, er nog een andere optie, te weten dat [de man], als biologische vader van de kinderen, alsnog bij de ambtenaar van de gemeente overgaat tot erkenning van de kinderen en tijdig een DNA-onderzoek laat doen. Als dat gebeurd is wordt de familierechtelijke relatie tussen de biologische vader en de kinderen alsnog vastgesteld en zodoende krijgen de kinderen (…) (niet van rechtswege, maar met ingang van de datum van erkenning) de Nederlandse nationaliteit.”

3.32      Bij aangetekende brief van 31 maart 2023 heeft verweerder klaagster meegedeeld dat hij haar vanwege een ontstane vertrouwensbreuk (grote meningsverschillen over de aanpak van de zaak) niet langer kan bijstaan in de paspoortenzaak. Verweerder heeft alle dossierstukken meegestuurd. Op diezelfde datum heeft verweerder ook de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Amsterdam bericht dat hij klaagster niet langer bijstaat. Daarbij heeft verweerder de gemeente verzocht klaagster uitstel te verlenen voor het (verder) aanvullen van de gronden van het bezwaar.

3.33     Op 14 september 2023 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. 

Volgens klaagster is verweerder tekort geschoten in zijn bijstand aan haar. Klaagster heeft vaak geprobeerd contact op te nemen met verweerder, maar verweerder heeft niet of onvoldoende gereageerd, waardoor de problemen van klaagster (inzake de kinderbijslag, de bijstandsuitkering en de inschrijving kinderen bij de gemeente) verergerden. Verweerder heeft klaagsters zaak niet serieus genomen. Hij heeft klaagster niet op de hoogte gehouden van zijn handelingen, gaf geen antwoorden op haar vragen over de lopende zaken en stuurde belangrijke documenten niet aan haar door. Ook legde hij niet uit wat er in Nederlandstalige documenten stond die hij wel aan haar doorstuurde. Verweerder reageerde ongeduldig of helemaal niet als klaagster hierover vragen stelde.

5    BEOORDELING RAAD

5.1     De raad heeft na uiteenzetting van de toegepaste uitgangspunten – samengevat – het volgende overwogen over de verschillende door verweerder behandelde zaken. 

De bijstandszaak

5.2    De raad heeft uiteengezet dat klaagster verweerder in de bijstandszaak verwijt dat hij niet aanwezig was bij de zitting met betrekking tot de aanvraag voor een bijstandsuitkering op 7 juni 2022, dat hij vervolgens weigerde antwoord te geven op de vraag van klaagster hoe de zitting was gegaan en dat hij niet de definitieve uitspraak op papier heeft toegezonden. 

5.3     De raad heeft geoordeeld dat verweerder geen steken heeft laten vallen in zijn werk voor klaagster in de bijstandszaak. Op 7 juni 2022 stond de behandeling bij de rechtbank van het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 29 maart 2021 gepland. De raad acht het verwijt van klaagster dat hij niet naar die zitting is gegaan en haar derhalve niet over de zitting kon informeren onterecht. Verweerder heeft op 30 mei 2022 telefonisch nogmaals aan klaagster toegelicht dat haar aanwezigheid op de zitting van belang was omdat de rechtbank en de gemeente vragen hadden over haar woonsituatie en verweerder die vragen niet kon beantwoorden. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat het geen enkele zin had om zonder haar naar de zitting te gaan en dat als klaagster niet naar de zitting zou gaan, hij derhalve ook niet zou gaan. Verweerder heeft ook dit gesprek met klaagster bij brief van 30 mei 2022 aan klaagster bevestigd. Volgens de raad wist klaagster derhalve dat wanneer zij niet naar zitting zou gaan, verweerder ook niet zou gaan en de rechtbank een beslissing zou nemen op basis van de stukken (hetgeen ook is gebeurd op 21 juni 2022). Klaagster kan dan ook niet achteraf aan verweerder tegenwerpen dat hij niet naar de zitting is gegaan en haar daarom niet over de zitting kon informeren, aldus de raad. Dat verweerder de uitspraak van de rechtbank niet aan haar heeft toegezonden, is naar het oordeel van de raad niet juist. Uit de gedingstukken volgt dat verweerder de uitspraak van de rechtbank van 21 juni 2022 op 4 juli 2022 heeft toegestuurd. Verweerder heeft verder onbetwist aangevoerd dat hij de uitspraak op 16 juli 2022 bij hem op kantoor met haar heeft besproken. De raad heeft geoordeeld dat geen sprake is van klachtwaardig handelen en dat de klacht van klaagster over verweerders bijstand in de bijstandszaak ongegrond is.  

Kinderbijslagzaak

5.4    De raad heeft daarna uiteengezet dat klaagster verweerder in de kinderbijslagzaak verwijt dat zij het door verweerder namens klaagster ingediende voorlopige bezwaarschrift van 17 februari 2024 niet heeft ontvangen, dat het bezwaarschrift wegens te late indiening ervan niet-ontvankelijk is verklaard op 24 februari 2022 en dat de SVB uiteindelijk door de inspanningen van de Stichting SINA en niet door inspanningen van verweerder op 26 april 2022 kinderbijslag aan klaagster heeft toegekend. Daarnaast verwijt klaagster verweerder dat zij de beschikking van de SVB van 5 april 2022 nooit van verweerder heeft ontvangen en dat verweerder haar niet heeft betrokken bij, of op de hoogte gesteld van zijn handelen met betrekking tot zitting die op 27 juli 2022 zou plaatsvinden. Klaagster heeft nooit begrepen waar deze zitting over ging en waarom verweerder de zitting destijds geannuleerd heeft.

5.5     De raad heeft geoordeeld dat de verwijten van klaagster falen. De raad heeft hierbij overwogen dat uit de gedingstukken volgt dat klaagster op 4 november 2021 kinderbijslag had aangevraagd en op 14 februari 2022 verweerder had verzocht contact met de SVB op te nemen omdat zij nog niets gehoord had naar aanleiding van haar aanvraag. Verweerder en klaagster hebben toen samen telefonisch contact opgenomen met de SVB. Een medewerker van de SVB deelde hen bij die gelegenheid mee dat er reeds op 29 december 2021 een afwijzende beslissing op de aanvraag was genomen en dat deze digitaal via Mijn Overheid aan klaagster bekend was gemaakt. De bezwaartermijn van 6 weken was op 9 februari 2022 derhalve verstreken. Desalniettemin heeft klaagster verweerder verzocht om alsnog bezwaar te maken tegen de beslissing. Dit heeft verweerder gedaan op 17 februari 2022. Uit de gedingstukken volgt verder dat verweerder het voorlopig bezwaarschrift wel aan klaagster heeft gezonden en dat hij haar er schriftelijk op heeft gewezen dat de kans bestaat dat haar bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard nu haar bezwaar te laat is ingediend. Dat het bezwaar bij beslissing van 24 februari 2022 inderdaad niet-ontvankelijk is verklaard door de SVB omdat het te laat was ingediend, valt volgens de raad verweerder niet te verwijten, nu de bezwaartermijn al verstreken was toen klaagster verweerder vroeg alsnog bezwaar te maken en verweerder klaagster hiervoor ook nog had gewaarschuwd. Daarnaast heeft verweerder volgens de raad toereikend toegelicht dat hij het beroepschrift dat hij namens klaagster bij de rechtbank had ingediend tegen de beslissing op bezwaar van 24 februari 2022, had ingetrokken omdat de SVB bij besluit van 5 april 2022 alsnog volledig tegemoetgekomen was aan klaagster door haar vanaf het derde kwartaal van 2021 kinderbijslag toe te kennen en klaagster hiermee geen (rechts-)belang meer had om de beroepsprocedure voort te zetten. Klaagster heeft dit besluit rechtstreeks ontvangen, zodat het verwijt dat verweerder dit besluit niet aan klaagster heeft gestuurd onterecht is, aldus de raad. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder klaagster wel degelijk heeft betrokken bij het besluit tot intrekking van het beroep (brief van 5 mei 2022 en het gesprek op 16 juli 2022, alsmede de bevestiging op 18 juli 2022). Door de intrekking van het beroep is de zitting die gepland stond op 27 juli 2022 niet doorgegaan. De raad is op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat verweerders bijstand in de kinderbijslagzaak ook ruimschoots voldeed aan de eisen die aan een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. De raad heeft geoordeeld dat klaagsters klacht over verweerders bijstand in de kinderbijslagzaak eveneens ongegrond is. 

De paspoortenzaak

5.6     De raad heeft tot slot samengevat dat klaagster verweerder in de paspoortenzaak verwijt dat hij al in maart 2021 op de hoogte was van de problemen die klaagster had met de inschrijving van haar kinderen bij de gemeente en dat hij pas 1 jaar en 3 maanden later, op 26 juli 2022, een verzoek bij de rechtbank heeft ingediend om vervangende toestemming te verlenen om paspoorten af te geven. Verweerder heeft pas op 1 november 2022 een voorlopig bezwaarschrift ingediend en pas twee maanden later, op 20 december 2022, heeft hij de gronden ingediend. Volgens klaagster heeft dit te lang geduurd, heeft verweerder haar ten onrechte laten geloven dat zij ieder moment weer kon worden teruggestuurd naar Marokko, heeft hij haar ex-man veel te laat in het proces betrokken en heeft hij ten onrechte volgehouden dat een DNA-test noodzakelijk was om Nederlandse paspoorten voor de kinderen van klaagster te verkrijgen, terwijl er alternatieve oplossingen waren (aangedragen door een advocaat uit Marokko). Klaagster verwijt verweerder tot slot dat hij  na een telefoongesprek op 13 maart 2023 alle dossierstukken naar klaagster heeft opgestuurd (ten onrechte niet per e-mail) en niets meer met klaagster wilde bespreken. Klaagster heeft uiteindelijk zonder hulp van verweerder en zonder problemen zelf de paspoorten aangevraagd en per 1 juni 2023 gekregen.

5.7     De raad heeft geoordeeld deze verwijten van klaagster evenmin slagen. Uit de gedingstukken volgt volgens de raad dat klaagster verweerder op 16 juli 2022 heeft gevraagd haar bij te staan in de kwestie van de paspoorten voor haar kinderen. Ook als verweerder eerder bekend was met de problemen met de paspoorten van de kinderen, betekent dit niet dat verweerder hiermee uit zichzelf aan de slag had moeten gaan. Verweerder heeft kort na het verzoek van klaagster op 16 juli, op 26 juli 2022, een verzoek bij de rechtbank ingediend om vervangende toestemming te verlenen om paspoorten voor de kinderen af te geven. Omdat klaagster op 12 augustus 2022 met de kinderen op vakantie wilde, heeft verweerder met spoed een kort geding gestart om vervangende toestemming van de rechtbank te verkrijgen voor afgifte van nieuwe Nederlandse paspoorten ten behoeve van de kinderen van klaagster. Dat heeft verweerder gedaan en op 1 augustus 2022 heeft het kort geding plaatsgevonden en op 2 augustus 2022 heeft de rechtbank de verzochte vervangende toestemming verleend. De paspoortaanvraag van klaagster werd ondanks de vervangende toestemming op 13 oktober 2022 echter toch door de gemeente geweigerd, omdat de Nederlandse nationaliteit van de kinderen niet kon worden vastgesteld nu sprake leek te zijn van polygamie van de man. De vorm van beëindiging van het huwelijk tussen de man en de andere vrouw stuit op erkenningsproblemen in Nederland. Verweerder heeft daarop de dossierstukken bij de gemeente opgevraagd een en ander aan klaagster uitgelegd. Verweerder heeft tegen het besluit van de gemeente van 13 oktober 2022 namens klaagster een (voorlopig) bezwaarschrift ingediend en klaagster dringend geadviseerd de man te verzoeken om bewijsstukken te regelen waaruit bleek dat de man wel definitief van de andere vrouw was gescheiden. Klaagster wilde de man echter niet bij haar zaken betrekken. Dit verschil van inzicht heeft ertoe geleid dat klaagster verweerder heeft verzocht de rechtsbijstand te beëindigen. Verweerder heeft zich hierop conform klaagsters wens teruggetrokken als haar advocaat. Verweerder heeft de gemeente nog wel verzocht uitstel te verlenen aan klaagster voor het aanvullen van haar bezwaar, hetzij door haarzelf, hetzij door een andere advocaat. Hieraan heeft de gemeente gehoor gegeven. Ook heeft verweerder alle dossierstukken aan klaagster toegezonden, aldus de raad. De raad heeft op grond van het voorgaande vastgesteld dat verweerder ook in de paspoortenzaak zorgvuldig en gedegen te werk is gegaan. Dat klaagster een andere aanpak voor ogen had, maakt dit niet anders. Verweerder is vrij in de wijze waarop hij een zaak behandelt te bepalen en keuzes te maken. Niet gebleken is dat verweerders werk niet aan de professionele standaard binnen de beroepsgroep voldoet, aldus de raad. Dat verweerder de alternatieve oplossingen van zijn collega-advocaat in Marokko niet opvolgde, maakt dit niet anders en klaagster heeft ook niet onderbouwd dat verweerder hierdoor steken heeft laten vallen. De raad heeft tot slot geoordeeld dat verweerder  gerechtigd en gehouden was om zijn werkzaamheden voor klaagster neer te leggen vanwege het ontstaan van een vertrouwensbreuk en dat niet gebleken is dat verweerder dit onzorgvuldig heeft gedaan. Verweerder heeft de gemeente nog verzocht uitstel te verlenen voor het (verder) aanvullen van de gronden van het ingediende bezwaarschrift en heeft het dossier van klaagster met zijn brief van 31 maart 2023 aan klaagster gezonden (en was niet verplicht dit ook per e-mail toe te zenden).  De raad heeft geoordeeld dat geen sprake is van klachtwaardig handelen, zodat de klacht over verweerders werk in de paspoortenzaak ook ongegrond is. 

Conclusie 

5.8      De raad heeft geconcludeerd dat het werk dat verweerder voor klaagster heeft verricht in de drie zaken op alle vlakken voldeed aan de mate van zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Het dossier biedt volgens de raad ook geen grondslag voor klaagsters (overige niet onderbouwde) verwijten dat verweerder slecht bereikbaar was, ongeduldig of in het geheel niet reageerde op klaagsters verzoeken, klaagsters zaken niet serieus nam, klaagster niet op de hoogte hield van de lopende zaken of belangrijke documenten niet aan haar doorstuurde en niet uitlegde wat erin stond.

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

6.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het hof begrijpt dat zij in haar beroepschrift – voor zover hier relevant – haar standpunt handhaaft dat verweerder haar zaken niet altijd adequaat (en het hof begrijpt: voortvarend) heeft behandeld en dat verweerder is tekortgeschoten in het geven van uitleg en toelichting over de door hem genomen stappen. Daarbij komt volgens klaagster dat zowel in de bijstand door verweerder, maar ook in de procedure bij de raad, haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal en het ontbreken van een tolk hebben geleid tot misverstanden en verkeerde interpretaties van haar standpunten.

6.2    In de brief van klaagster van 30 juni 2025 zijn haar standpunten vervolgens nader toegelicht (en aangevuld): - Met betrekking tot de bijstandszaak heeft klaagster aangevoerd dat nergens uit blijkt dat zij heeft geweigerd om op 7 juni 2022 op de zitting bij de rechtbank te verschijnen. Zij was in de veronderstelling dat deze was uitgesteld tot een datum in juli 2022. Volgens klaagster is zij door verweerder niet op de juiste manier geïnformeerd over de zitting van 7 juni 2022. Klaagster verwijt verweerder daarnaast dat hij bij de raad tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen en dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met haar moeilijke leefomstandigheden destijds en haar  sociaal- en persoonlijk welzijn.  - Met betrekking tot de kinderbijslagzaak heeft klaagster aangevoerd dat zij verweerder niet pas op 14 februari 2022 heeft gevraagd bezwaar aan te tekenen tegen de beslissing van de SVB, maar dat zij hem al in juli 2021 had geïnformeerd over haar problemen. Volgens klaagster heeft verweerder toen al aangegeven dat hij de zaak zou oppakken, maar heeft hij dit niet gedaan. Klaagster verwijt verweerder verder dat hij haar dossier op 4 november 2021 aan een derde heeft overgedragen, hetgeen heeft geleid tot vertraging en chaos, omdat toen niemand zich nog verantwoordelijk voelde. Klaagster handhaaft haar standpunt dat zij geen bericht heeft gehad over de afwijzende beslissing van de SVB van december 2021 en ook niet over de beslissing van de SVB in april 2022. Daarnaast is de reden voor de annulering van de zitting niet verduidelijkt, aldus klaagster. Volgens klaagster zou de procedure sneller zijn gegaan als verweerder zijn verantwoordelijkheid had genomen. Door de vertraging heeft klaagster – naar haar zeggen – niet eerder de noodzakelijke financiële ondersteuning gekregen voor haar kinderen waar zij als dakloze moeder met een kind met speciale behoeften recht op had, hetgeen spanningen met zich mee heeft gebracht.  - Met betrekking tot de paspoortenzaak heeft klaagster haar standpunt gehandhaafd dat verweerder al in oktober 2021 bekend was met het probleem van de registratie van de kinderen en dat hij had beloofd om de zaak op te volgen, maar desondanks geen daadwerkelijke actie ondernam.  Klaagster heeft tot slot aangevoerd dat verweerder zich onprofessioneel richting haar heeft gedragen door beledigende uitspraken te doen en dat de verwaarlozing van haar zaken door verweerder heeft geleid tot verslechtering van de mentale toestand van klaagster, hetgeen ook zijn weerslag heeft gehad op haar kinderen. 

Verweer verweerder

6.3    Verweerder heeft op de zitting verweer gevoerd. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.   7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.  Overwegingen hof

- Ontvankelijkheid hoger beroep

7.3     Verweerder heeft ter zitting bij het hof de vraag opgeworpen of klaagster wel kan worden ontvangen in haar hoger beroep, omdat zij geen gronden heeft opgenomen in haar beroepschrift. Het hof acht van belang dat klaagster in persoon in hoger beroep is gekomen, zonder de hulp van een (professionele) gemachtigde. Het hof kan – ruimhartig uitleggend – uit de door klaagster geformuleerde beroepsgronden afleiden dat zij het niet eens is met de beslissing van de raad. Uit de door klaagster in haar brief van 30 juni 2025 en op de zitting bij het hof gegeven nadere toelichting, kan het hof bovendien afleiden dat zij blijft bij de bezwaren die zij heeft geuit in de drie door de raad behandelde zaken. Klaagster is in zoverre ontvankelijk in haar beroep. 

7.4     Voor zover klaagster in beroep nieuwe verwijten tegen verweerder heeft geformuleerd (waaronder het al dan niet rekening houden met haar persoonlijke omstandigheden en de bejegening door verweerder), laat het hof deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advw). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.

- Bijstandszaak

7.5     De beroepsgrond van klaagster met betrekking tot de bijstandszaak spitst zich in hoger beroep toe op de communicatie rondom de zitting van 7 juni 2022. Volgens klaagster heeft zij niet geweigerd op de zitting bij de rechtbank te verschijnen maar is zij door verweerder niet op de juiste manier geïnformeerd over deze zitting. Ter zitting heeft klaagster nader toegelicht dat zij niet naar de zitting kon omdat zij op 6 juni 2022 in het ziekenhuis was. Verweerder heeft volgens klaagster niet aan de rechtbank laten weten dat zij en verweerder niet zouden komen.    7.6     Het hof kan het betoog van klaagster niet volgen. Uit de stukken volgt dat verweerder bij brief van 30 mei 2022  aan klaagster heeft geschreven dat zij hem op dat moment al heeft verteld dat zij niet naar de zitting van 7 juni 2022 om 9.40 uur kon komen, omdat dit te vroeg voor haar was in verband met het naar school brengen van haar kinderen. Verweerder heeft klaagster in die brief verder laten weten dat het onmogelijk is om de datum van de zitting te verschuiven naar een andere datum en dat haar aanwezigheid belangrijk is omdat de rechter concreet vragen zal gaan stellen over onder meer haar woonsituatie. Verweerder geeft aan dat hij die vragen zelf niet goed kan beantwoorden. Verweerder heeft verder aangegeven dat hij aan klaagster heeft medegedeeld dat hierdoor zijn aanwezigheid alleen op de zitting zonder haar geen enkel nut heeft en dat hij haar heeft verteld dat als zij niet kan verschijnen, hij ook niet op de zitting aanwezig zal zijn. Verweerder heeft afsluitend nog gemeld dat indien klaagster in de daaropvolgende dagen nog iemand kon vinden die de kinderen naar school kan brengen, zij dat uiterlijk die vrijdag met spoed aan hem moest laten weten. Uit het voorgaande volgt dat verweerder klaagster er voldoende van op de hoogte heeft gesteld wanneer de zitting zou plaatsvinden en dat als zij niet zou verschijnen hij ook niet naar de zitting zou gaan. Gesteld noch gebleken is dat klaagster na deze brief nog contact met verweerder heeft opgenomen om te melden dat zij inmiddels wegens een ziekenhuisbezoek niet op de zitting kon verschijnen. Dit had wel op haar weg gelegen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat verweerder met betrekking tot de communicatie rondom de zitting van 7 juni 2022 onzorgvuldig heeft gehandeld. 

7.7     Met betrekking tot de overige verwijten die klaagster verweerder in de bijstandszaak heeft gemaakt, ziet het hof op basis van de beroepsgronden van klaagster, die louter een herhaling van eerder door klaagster ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich daarom aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. 

- Kinderbijslagzaak   7.8    Het belangrijkste verwijt dat klaagster verweerder in hoger beroep nog maakt over de kinderbijslagzaak is dat zij verweerder al veel eerder dan 14 februari 2022 heeft gevraagd haar bij te staan bij haar aanvraag om kinderbijslag. Volgens klaagster zou zij hem al in juli 2021 hebben gevraagd deze zaak op te pakken, maar heeft hij dit niet gedaan. Hierdoor heeft zij heel lang op de kinderbijslag moeten wachten, terwijl zij daar wel dringend behoefte aan had. Ter zitting heeft zij nader toegelicht dat zij in juli, augustus of september 2021 samen met haar hulpverleenster bij verweerder op kantoor is geweest en dat toen alle stukken bij verweerder zijn gebracht en is aangegeven dat hij het moest oppakken.   7.9    Het hof volgt klaagster niet in haar standpunt. Klaagster heeft haar standpunt niet nader onderbouwd. Uit de gedingstukken volgt dat klaagster verweerder op 14 februari 2022 heeft gevraagd contact op te nemen met de SVB. In zijn brief van 15 februari 2022 aan klaagster heeft hij geschreven dat zij op 14 februari 2022 samen de SVB hebben gebeld en dat de medewerker hen telefonisch heeft medegedeeld dat de (tweede) aanvraag was afgewezen en dat de beslissing op 29 december 2021 was verzonden naar de berichtenbox van klaagster. Klaagster heeft toen aan verweerder gevraagd om bezwaar tegen deze beslissing in te dienen. Verweerder heeft klaagster uitgelegd dat de bezwaartermijn inmiddels was verstreken en heeft haar verder geadviseerd een nieuwe aanvraag in te dienen. Dat klaagster verweerder al eerder heeft verzocht haar bij te staan bij het aanvragen van kinderbijslag, kan het hof uit de gedingstukken niet afleiden. Zelfs als verweerder al eerder op de hoogte was van problemen van klaagster bij het aanvragen van kinderbijslag, maakt dit nog niet dat hij zonder concrete opdracht hier uit zichzelf mee aan de slag had moeten gaan. 

7.10     Ook hier sluit het hof zich met betrekking tot de overige verwijten van klaagster in de kinderbijslagzaak aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Als er al beroepsgronden zijn aangevoerd, houden deze een herhaling van eerder door klaagster ingenomen standpunten in, en het onderzoek in hoger beroep geeft geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. 

- Paspoortenzaak

7.11       Met betrekking tot de paspoortenzaak handhaaft klaagster in hoger beroep haar verwijt aan verweerder dat hij al veel eerder (in maart 2021) bekend was met de problemen die klaagster had met de registratie van de kinderen (en het verkrijgen van een paspoort voor hen). Volgens klaagster had verweerder beloofd de zaak op te pakken, maar heeft hij pas in augustus 2022 actie ondernomen. Ter zitting bij het hof heeft klaagster nader toegelicht dat zij in 2021 bij verweerder is geweest met de kinderbijslagzaak, de bijstandszaak en de paspoortenzaak. In haar ogen was dit één en dezelfde kwestie en heeft zij verweerder opdracht gegeven het allemaal op te pakken. 

7.12        Het hof volgt klaagster ook hier niet in haar standpunt. Klaagster en verweerder hebben allebei een andere lezing over het moment waarop aan verweerder een opdracht is verstrekt in de paspoortenzaak. Uit de gedingstukken volgt dat klaagster verweerder in ieder geval op 16 juli 2022 heeft gevraagd haar bij te staan in de kwestie van de paspoorten van haar kinderen. Dat zij dit al eerder heeft gedaan, kan het hof niet vaststellen.  Voor zover klaagster heeft verwezen naar notulen van 23 augustus 2021 van een vergadering van haar hulpverleners waaruit volgens haar zou volgen dat haar hulpverleners al in juli 2021 contact zouden hebben gehad met verweerder over de paspoortenzaak, geldt dat uit dit verslag niet kan worden afgeleid dat de advocaat waarover wordt gesproken verweerder was, dan wel dat er naar aanleiding van deze vergadering daadwerkelijk contact is opgenomen (door een van de hulpverleners) met een advocaat en aan deze advocaat een concreet verzoek is gedaan c.q. opdracht verleend. Verweerder heeft ter zitting bij het hof nadrukkelijk ontkend dat hij vóór februari 2022 met een van de hulpverleners van klaagster contact heeft gehad. Bovendien heeft klaagster op de zitting verklaard dat zij in de kwestie rondom haar verblijfsvergunning werd bijgestaan door een andere advocaat, zodat niet valt uit te sluiten dat er in de vergadering van de hulpverleners werd gesproken over deze andere advocaat. Daarmee is hetgeen klaagster heeft overgelegd ontoereikend om te concluderen dat verweerder al eerder dan op 16 juli 2022 opdracht heeft gekregen om klaagster bij te staan in de paspoortenzaak.

7.13      Voor het overige is het hof met de raad van oordeel dat niet gebleken is dat verweerder in de paspoortenzaak niet zorgvuldig en gedegen te werk is gegaan. Ook op dit punt geven de beroepsgronden en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. 

Slotsom

7.14       De conclusie is dat het hof, evenals de raad, de klacht van klaagster ongegrond acht. Het beroep van klaagster slaagt dan ook niet. De beslissing van de raad zal worden bekrachtigd. 

  8     BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 30 september 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-509/A/A.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 20 oktober 2025.