Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:227
Zaaknummer
25-199/AL/NN
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. De raad verklaart en klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 20 oktober 2025
in de zaak 25-199/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
gemachtigde: mr. R.J.A. Olie-Hallmans
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 4 juli 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 24 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN080 / 2356036 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 juni 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces‑verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 In maart 2019 had klaagster een overeenkomst gesloten met een bestratingsbedrijf om werkzaamheden uit te voeren op het erf en het parkeerterrein bij de paardenbak. Er is een geschil ontstaan over de geleverde soort betonklinkers en over kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden.
2.2 De bestrating was (extra) van belang omdat klaagster de zorg had voor haar ernstig zieke en invalide moeder. Er zou in samenwerking met de gemeente W. een zorgunit geplaatst worden.
2.3 Klaagster deed een beroep op haar rechtsbijstandverzekering vanwege dit geschil. Aanvankelijk werd klaagster bijgestaan door mr. K. Klaagster was niet tevreden over mr. K en mr. K heeft zich op 6 april 2022 bij de rechtbank aan de procedure onttrokken. X(de X, hierna de X) besteedde op 11 april 2022 de zaak daarom uit aan een andere advocaat, verweerder.
2.4 Op 14 april 2022 heeft het eerste gesprek met klaagster plaatsgevonden op het kantoor van verweerder. Verweerder heeft de opdracht bevestigd op 21 april 2022. Verweerder heeft op 13 mei 2022 een akte genomen om bezwaar te maken tegen de voorgenomen benoeming van de heer H. als deskundige.
2.5 De mondelinge behandeling vond plaats op 1 mei 2023. De rechtbank heeft op 21 juni 2023 een tussenvonnis gewezen om een deskundige aan te wijzen. Bij eindvonnis van 8 mei 2024 is klaagster grotendeels in het gelijk gesteld.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zich met een jantje-van-leiden van de zaak af te hebben gemaakt en klaagster volkomen in de steek te laten.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Voor zover klagers zich beroepen op andere (internationale) wet- en regelgeving, worden deze buiten beschouwing gelaten. Bij zijn toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels voor advocaten, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 Op grond van gedragsregel 16 lid 1 moet de advocaat zijn cliënt op de hoogte brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand daarover moet de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk vastleggen
Klachtonderdeel over communicatie
5.4 Klaagster verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat hij niet goed met haar heeft gecommuniceerd. De raad is van oordeel dat de communicatie van verweerder in de richting van klaagster beter had gekund. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat klaagster tevergeefs op verschillende momenten met verweerder (schriftelijk en telefonisch) contact heeft proberen op te nemen en alleen een out-of-office-bericht als reactie kreeg. Verweerder had klaagster beter kunnen inlichten over de momenten waarop hij onbereikbaar zou zijn en over de termijn waarop zij een reactie kon verwachten. Ook over het besluit van verweerder om alleen per e-mail (en niet telefonisch) met klaagster te communiceren, bestond bij klaagster onduidelijkheid. Verweerder had klaagster hierover beter (schriftelijk) moeten inlichten.
5.5 Uit het dossier blijkt echter ook dat de moeizame communicatie tussen klaagster en verweerder niet alleen aan verweerder te wijten is en dat hij wel degelijk (persoonlijk, schriftelijk en telefonisch) veelvuldig met klaagster contact heeft gehad en haar op de hoogte heeft gebracht van de inhoud en het verloop van haar zaak. Gelet op deze omstandigheden is de raad van oordeel dat niet is gebleken dat het handelen van verweerder duidelijk onder de maat is geweest. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel over de inhoudelijke aanpak van de zaak
5.6 Klaagster stelt ook dat verweerder haar zaak inhoudelijk niet goed heeft behandeld. Klaagster heeft (onder meer) aangevoerd dat verweerder onvoldoende dossierkennis had en dat hij weigerde om bewijsstukken in te dienen en/of getuigen op te roepen.
5.7 De raad volgt klaagster niet in dit verwijt. Niet is gebleken dat verweerder onvoldoende kennis van het dossier had. Verder geldt dat een advocaat bij de behandeling van de zaak de leiding heeft en aan hem een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Het stond verweerder daarom dan ook vrij om bepaalde stukken niet in het geding te brengen of om getuigen niet op te roepen. Het is niet vast komen te staan dat verweerder daarmee in strijd met de hierboven genoemde professionele standaard heeft gehandeld. De door klaagster aangehaalde overweging van de rechtbank, waarin de rechtbank voorbijgaat aan het door klaagster overgelegde expertiserapport, maakt dat niet anders. Ten slotte is ook niet gebleken dat verweerder op dit punt onvoldoende met klaagster heeft overlegd of haar hierover niet heeft geïnformeerd. Het voorgaande betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus, M.M. Mok, P. Rijnsburger en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025
