Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:200
Zaaknummer
250018
Inhoudsindicatie
Klacht over eigen advocaat. Klager is verdachte geweest in een strafzaak. Verweerder heeft hem bijgestaan. Klager verwijt verweerder dat hij niets heeft gedaan met het verzoek van klager om mediation met aangeefster (het slachtoffer) en dat hij geen hoger beroep in heeft gesteld, terwijl klager dat wel wilde. Het hof oordeelt dat gelet op het feit dat sprake was van een moeilijke relatie tussen klager en aangeefster die niet direct voorbij was, verweerder meer moeite had moeten doen om mediation tot stand te brengen en dat hij in ieder geval daarover voldoende met klager had moeten communiceren. Het behoort daarnaast tot de taak van een advocaat, die in een strafrechtelijke procedure in de eerste aanleg zijn cliënt bijstaat, om de termijn van het hoger te bewaken en te bespreken of er al dan niet hoger beroep dient te worden ingesteld. De onduidelijkheid die na de zitting tussen klager en verweerder over het instellen van hoger beroep is blijven bestaan, komt voor rekening van verweerder. Bekrachtiging raadsbeslissing.
Uitspraak
Beslissing van 20 oktober 2025 in de zaak 250018
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Klager is verdachte geweest in een strafzaak. Verweerder heeft hem bijgestaan. Klager verwijt verweerder (voor zover in hoger beroep nog van belang) dat hij niets heeft gedaan met het verzoek van klager om mediation met aangeefster (het slachtoffer) en dat hij geen hoger beroep in heeft gesteld, terwijl klager dat wel wilde. De raad heeft geoordeeld dat verweerder klager met betrekking tot de mediation en met betrekking tot het instellen van hoger beroep onvoldoende (schriftelijk) heeft geïnformeerd. De raad heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hof is van oordeel dat gelet op het feit dat sprake was van een moeilijke relatie tussen klager en aangeefster die niet direct voorbij was, verweerder meer moeite had moeten doen om mediation tot stand te brengen en dat hij in ieder geval daarover voldoende met klager had moeten communiceren. Dit heeft hij niet gedaan. Het hof oordeelt daarnaast dat het behoort tot de taak van een advocaat, die in een strafrechtelijke procedure in de eerste aanleg zijn cliënt bijstaat, om de termijn van het hoger te bewaken en te bespreken of er al dan niet hoger beroep dient te worden ingesteld. De onduidelijkheid die na de zitting tussen klager en verweerder over het instellen van hoger beroep is blijven bestaan, komt voor rekening van verweerder. Ook op dit punt heeft verweerder onvoldoende gecommuniceerd met klager. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad over de beide klachtonderdelen en acht de maatregel van waarschuwing eveneens op zijn plaats. 1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-270/DH/RO) een beslissing gewezen op 16 december 2024. In deze beslissing zijn klachtonderdelen a) en d) gegrond verklaard en zijn de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:219 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 14 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 25 augustus 2025. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, verweerder mede aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager is verdachte geweest in een strafzaak. Op 25 augustus 2022 heeft verweerder piketbijstand aan klager verleend. Klager is diezelfde dag gedagvaard voor mishandeling, Ook is aan klager een gedragsaanwijzing opgelegd, waarbij hem onder meer is verboden contact te hebben met de aangeefster.
3.3 Op 8 september 2022 heeft verweerder de opdracht aan klager bevestigd. In de e-mail schrijft verweerder onder meer:
“Tevens zal ik het OM vragen, om te kijken of zij openstaat voor een gesprek / uitwisseling van spullen. Mocht u vragen hebben, ik ben per mail goed te bereiken.”
In de als bijlage gevoegde opdrachtbevestiging staat onder meer:
“Op dinsdag 6 september, heeft u mijn bijstand verzocht bij uw strafzaak. (…) Voorts heeft u aangegeven dat u nog wat spullen (…) terugwenst van uw ex-partner. Daarbij gaf u ook aan wellicht nog een gesprek met haar te willen. Ik heb u aangegeven te bezien of ik hierin wat zou kunnen betekenen via het OM, maar de spullen van dusdanige aard zijn, dat een procedure niet op zijn plaats is, mocht zij hierin niet meegaan/voor openstaan.”
3.4 Diezelfde dag heeft verweerder zich bij het OM als advocaat van klager gesteld. In zijn e-mail aan het OM heeft verweerder onder meer geschreven:
“Voorts heb ik geconstateerd dat er in dezen een gedragsaanwijzing is gegeven. Verdachte heeft aangegeven nog enkele kleine spullen te willen terughebben van zijn ex-partner. Ik weet even niet wat praktisch is om te doen, om dit via slachtofferhulp te laten verlopen?”
3.5 Op 12 september 2022 heeft verweerder in een e-mail aan klager geschreven dat hij contact heeft gehad met de officier over de spullen en dat klager het beste via de politie om teruggave van zijn spullen kan vragen. “Zij geeft ze dan af en u kunt ze ophalen.”
3.6 Op 21 november 2022 is de strafzaak op zitting behandeld door de politierechter. Klager en verweerder waren daarbij aanwezig. Klager is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke straf.
3.7 Op 25 januari 2023 heeft klager in een e-mail aan verweerder geschreven dat hij niks meer heeft gehoord over zijn zaak en vraagt hij verweerder of het hoger beroep geregeld is. Klager schrijft daarbij onder meer:
“…u zei dat ik een gesprek kon krijgen met [aangeefster] dat is niet gebeurd ook heb ik netjes aan de contactverbod gehouden terwijl ik geld en spullen moest krijgen de politie zei dat het via u moest maar u zei telkens weer dat het via de politie moest ik heb een paar x gebeld na u kantoor en er is toen een terugbel notitie gemaakt maar werd telkens niet terug gebeld (…) [Aangeefster] heeft in de tussentijd de aangifte in willen trekken omdat ze spijt heeft het verhaal erger te laten lijken maar dat mocht niet meer ze heeft een brief gestuurd maar tijdens de zitting kreeg ik toch voorwaardelijk terwijl ze duidelijk zei dat ze hulp voor mij wou en geen straf. En ik heb ook gebeld en gevraagd aan u of ik in termijn kan betalen omdat ik al maanden geen werk heb en ik krijg alsnog een heel bedrag wanneer krijg ik de datum te horen van het hoger beroep en kan ik de rest wat ik u moet betalen in twee keer overmaken.”
3.8 Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd en schrijft:
“Zoals tezamen uitgebreid besproken na de zitting en ook telefonisch, was het in uw zaak niet aan de orde om appel in te stellen. Voorts zag de bijstand strikt op de behandeling van de strafzaak. Ik begrijp dat u wellicht betalingsproblemen heeft en sta open voor een betalingsregeling. Twee termijnen is akkoord.”
3.9 Bij brief van 6 februari 2023 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij verweerders kantoor. Verweerder heeft op 17 februari 2023 op de klacht gereageerd.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van toepassing, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
a) Klager heeft verzocht om mediation met de aangeefster, maar verweerder heeft hier niets mee gedaan.
(…)
d) Klager wilde in hoger beroep gaan. Verweerder heeft dat afgeraden. Er is geen hoger beroep ingesteld, terwijl klager dat wel wilde.
(…)
5 OMVANG HOGER BEROEP 5.1 Het hoger beroep van verweerder richt zich tegen de gegrondverklaring van klachtonderdelen a) en d) en de opgelegde maatregel. De overige klachtonderdelen (de telefonische bereikbaarheid van verweerder, de veroordeling van klager, de afgifte van spullen van klager en de gewenste betaling in termijnen door klager) zijn in hoger beroep niet meer aan de orde.
6 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel a) – mediation
6.1 Volgens de raad blijkt uit de opdrachtbevestiging en de begeleidende e-mail dat klager en verweerder hebben gesproken over mediation. Verweerder heeft bevestigd dat hij het OM zou vragen naar de mogelijkheden voor een gesprek met aangeefster. Daarna is het in de communicatie tussen klager en verweerder niet meer over mediation gegaan. Verweerder heeft ter zitting bij de raad verklaard dat hij de mogelijkheid van mediation met de officier van justitie heeft besproken, maar dat verweerder klager niet er niet meer over heeft geïnformeerd dat de officier van justitie daarop tegen was. De raad is van oordeel dat verweerder op dit punt onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd en dat hem daarvan een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. De raad heeft geoordeeld dat dit klachtonderdeel gegrond is.
Klachtonderdeel d) hoger beroep
6.2 De raad heeft geconstateerd dat klager en verweerder een andere visie hebben op wat er na afloop van de zitting op de gang is besproken. Verweerder stelt dat hij heeft geadviseerd geen hoger beroep in te stellen, gezien de volgens hem gunstige uitkomst van de zaak. Verweerder erkent dat klager daarover wat vragen had, maar uiteindelijk akkoord was en dat hij afstand van hoger beroep wilde doen. Hiervoor was echter geen mogelijkheid meer, omdat de politierechter al begonnen was met de behandeling van de volgende zaak. Volgens klager heeft verweerder inderdaad geadviseerd geen hoger beroep in te stellen. Klager stelt echter dat hij in het gesprek na de zitting op de gang al had aangegeven dat hij toch in hoger beroep wilde gaan, omdat het onduidelijk was wat de veroordeling zou betekenen voor het vinden van werk. Hij had daarover ook veel vragen aan verweerder gesteld en verweerder kon hierop geen duidelijk antwoord geven. De raad heeft vervolgens geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld wat tussen klager en verweerder na de zitting is besproken, maar dat wel vast staat dat er geen hoger beroep is ingesteld en dat klager op 25 januari 2023 in een e-mail de vraag heeft gesteld hoe het stond met het hoger beroep. Volgens de raad had verweerder dit misverstand kunnen en moeten voorkomen door kort na de zitting schriftelijk aan klager te bevestigen dat hij geen hoger beroep zou instellen. Verweerder is tekort geschoten in zijn informatievoorziening aan klager en heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 16, aldus de raad. De raad acht ook dit klachtonderdeel gegrond.
Maatregel
6.3 De raad heeft geoordeeld dat verweerder op twee momenten klager onvoldoende (schriftelijk) heeft geïnformeerd (met betrekking tot de mediation en het instellen van het hoger beroep). Verweerder had met tijdige schriftelijke vastlegging van de afspraken onduidelijkheid, zoals die hier nu is ontstaan, kunnen voorkomen. Omdat verweerder deels heeft erkend onvoldoende te hebben gecommuniceerd, hij zijn werkwijze heeft aangepast en omdat hij een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft, acht de raad de maatregel van een waarschuwing passend.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
7.1 Verweerder heeft met betrekking tot klachtonderdeel a) (mediation) aangevoerd dat hij contact heeft gehad met de officier van justitie over de spullen van klager en over een mogelijk contact tussen het slachtoffer en klager. Het laatste was voor de officier van justitie niet aan de orde. Omdat klager in zijn e-mail van 9 september 2022 met geen woord meer heeft gerept over een gesprek met het slachtoffer en feitelijk zegt dat hij de relatie wil beëindigen, heeft verweerder in zijn reactie op 12 september 2022 alleen vermeld dat hij contact heeft gehad met de officier over de spullen en dat klager die via de politie terug kan vragen. Volgens verweerder heeft hij ook niet verder aangedrongen op “mediation” omdat hij inschatte dat het gelet op wat er wél in de e-mail van 9 september 2022 stond, niet in het belang was van klager om contact te hebben met het slachtoffer. Volgens verweerder stond het hem ook vrij om niet verder aan te dringen op mediation omdat de scope van de opdrachtbevestiging beperkt was. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting nader toegelicht dat het vragen om mediation wel binnen de scope van de opdracht valt, maar dat er in dit geval sprake was van een heftige situatie waarbij de gemoederen heel hoog waren opgelopen. Verweerder heeft weliswaar het woord mediation niet gebruikt in het gesprek met de officier van justitie het woord, maar hij heeft wel geïnformeerd naar de mogelijkheid van contact. De officier van justitie stond hier echter niet voor open. Omdat op dat moment de focus van klager op zijn spullen lag, is dat hetgeen verweerder in zijn e-mail van 12 september 2022 heeft vermeld. Achteraf kan verweerder erkennen dat het beter was geweest als hij in de e-mail van 12 september 2022 ook iets had vermeld over de mogelijkheid van contact met het slachtoffer. 7.2 Met betrekking tot klachtonderdeel d) (instellen hoger beroep) heeft verweerder aangevoerd dat het duidelijk was dat er geen beroep zou worden ingesteld, gezien de gunstige uitkomst voor klager, die dat ook inzag en na de zitting afstand wilde doen van hoger beroep. De enige reden dat dat niet werd gedaan was het begin van de volgende zaak. Daarbij had klager verweerder expliciet de opdracht moeten geven om hoger beroep in te stellen. Dit heeft hij niet gedaan. Verweerder heeft in zijn beroepschrift ontkend dat er sprake was van een misverstand. Zijn advies was duidelijk en ook als zodanig bij klager overgekomen. Dat klager zich later mogelijk heeft bedacht, kan niet aan verweerder worden verweten, aldus verweerder. Bovendien had klager zelf ook beroep kunnen instellen.
7.3 Verweerder heeft verder nog aangevoerd dat de door hem gekozen strategie (van rust) voor klager goed heeft gewerkt en dat klager de laagst mogelijke straf en hulp heeft gekregen. Verweerder is van mening dat hij verder moet kunnen kijken dan strikt het juridische probleem en dat hem tegen die achtergrond geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Verweerder heeft zich er bewust van getoond dat een schriftelijke bevestiging de voorkeur heeft, maar dat dit gezien de feiten en omstandigheden in deze zaak niet nodig was. Volgens verweerder zou – ook als hem wel een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken – een maatregel achterwege dienen te blijven. Verweer klager
7.4 Klager heeft op de mondelinge behandeling verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. 8.3 Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.
Overwegingen hof
- klachtonderdeel a): mediation
8.4 Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de raad dat uit de opdrachtbevestiging en de begeleidende e-mail volgt dat verweerder bij het OM zou vragen naar de mogelijkheden voor een gesprek met aangeefster en dat het in de communicatie tussen klager en verweerder vervolgens niet meer over mediation is gegaan. Verweerder heeft erkend dat hij klager niet meer heeft geïnformeerd over de onmogelijkheid van een gesprek met aangeefster. Dat had hij wel moeten doen. Gelet op de in de opdrachtbevestiging en de begeleidende e-mail opgenomen uitdrukkelijke wens van klager om de mogelijkheid van een gesprek met aangeefster te onderzoeken en het feit dat hier sprake was van een moeilijke relatie die niet direct voorbij was, lag het op de weg van verweerder om niet alleen meer moeite te doen om mediation tot stand te brengen, maar in ieder geval klager ervan op de hoogte te stellen dat het OM een gesprek met aangeefster niet toe wilde staan. Verweerder had dat moeten terugkoppelen aan klager. Dat de focus lag op afgifte van de spullen van klager en wat klager zelf in zijn e-mail van 9 september 2022 schreef, doet aan de verantwoordelijkheid van verweerder niet af. Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder op dit punt onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd en dat hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel a) is gegrond.
- klachtonderdeel d): hoger beroep
8.5 Het hof stelt voorop dat het behoort tot de taak van een advocaat, die in een strafrechtelijke procedure in de eerste aanleg zijn cliënt bijstaat, om na het vonnis de termijn van het hoger beroep te bewaken en te bespreken of er al dan niet hoger beroep dient te worden ingesteld.
8.6 Klager en verweerder hebben ook in hoger beroep nog een verschillende visie op wat er na afloop van de zitting op de gang is besproken over hoger beroep tegen het vonnis. Zij zijn het eens over het feit dat klager na de zitting wilde weten of hij met deze uitspraak problemen zou krijgen met (het vinden van) werk en dat verweerder daar op dat moment geen antwoord op kon geven. Volgens verweerder heeft hij klager gezien de gunstige uitkomst van de zaak geadviseerd om niet in hoger beroep te gaan en was klager uiteindelijk akkoord. Klager zou afstand van hoger beroep gaan doen, maar dit kon op dat moment niet omdat de politierechter al begonnen was met de behandeling van de volgende zaak. Volgens klager heeft hij nooit afstand van hoger beroep willen doen en heeft hij duidelijk gezegd dat als hij problemen zou krijgen met (het vinden van) werk hij hoger beroep in wilde stellen.
8.7 Het hof is met de raad van oordeel dat onvoldoende is gebleken wat er tussen klager en verweerder na de zitting is besproken en afgesproken. Het lijkt er op dat verweerder en klager na de zitting met een meningsverschil uiteen zijn gegaan. Vast staat in ieder geval dat uiteindelijk geen hoger beroep is ingesteld en dat klager op 25 januari 2023 heeft gemaild met de vraag hoe het stond met het hoger beroep. Het hof is van oordeel dat de onduidelijkheid die is blijven bestaan na de zitting over het al dan niet instellen van hoger beroep aan verweerder is toe te rekenen. Het ligt op de weg van verweerder als deskundige advocaat zijn dienstverlening in eerste aanleg goed af te ronden. Hierbij hoort het bewaken van de beroepstermijn en het afkaarten van de vraag of hoger beroep zal worden ingesteld. Het hof is met de raad van oordeel dat juist in de hectiek en onrust na de zitting het voorstelbaar is dat een cliënt niet goed registreert wat er allemaal afgesproken wordt. Verweerder had ook dan binnen de beroepstermijn nogmaals bij klager moeten informeren of hij al dan niet hoger beroep wilde instellen en dit schriftelijk moeten bevestigen. Verweerder is ook hiermee tekortgeschoten in zijn informatievoorziening en heeft onvoldoende met klager gecommuniceerd. Ook dit klachtonderdeel is gegrond.
- maatregel
8.8 Het hof ziet geen aanleiding om anders te oordelen over de door de raad opgelegde maatregel. De raad heeft hierbij reeds rekening gehouden met het feit dat verweerder zijn werkwijze heeft aangepast en dat hij een blanco tuchtrechtelijke verleden heeft. Ook het hof acht de maatregel van waarschuwing passend.
Slotsom
8.9 Het hof verwerpt het hoger beroep van verweerder en zal de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a) € 50,- kosten van klager (forfaitair); b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; c) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 bekrachtigt de beslissing van 16 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 24-270/DH/RO, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
10.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 20 oktober 2025.
