Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2025:187
Zaaknummer
25-326/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is deels gegrond. Naar het oordeel van de raad kon van verweerder redelijkerwijs worden verwacht dat een inhoudelijk bericht aan de wederpartij opgesteld zou zijn, terwijl verweerder nadien slechts kwam met een vraag die algemeen van aard was en daarbij geen blijf gaf van bestudering door hetgeen klager hem reeds had aangereikt. Verweerder had meer kunnen doen, zoals hij had toegezegd, maar dat heeft hij niet gedaan. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder daarom niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mocht worden verwacht. De uitleg die verweerder heeft verstrekt acht de raad in dit verband onvoldoende. De raad ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. De raad weegt hierin mee dat verweerder de eigen bijdrage aan klager heeft terug betaald en klager geen nadeel heeft ondervonden van het handelen van verweerder. Aan verweerder zal daarom geen maatregel worden opgelegd.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 13 oktober 2025 in de zaak 25-326/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 16 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 16 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2443152/JS/BF van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 september 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van verweerder van 19 mei 2025 en van 30 mei 2025, als ook van de nagezonden stukken van klager van 2 juni 2025.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager heeft een geschil met een online gokbedrijf (hierna: B). 2.3 Vanaf 29 mei 2024 is verweerder klager in dit geschil gaan bijstaan. 2.4 Op 29 mei 2024 heeft verweerder in een e-mailbericht aan klager geschreven, voor zover relevant: “Zojuist hebben wij bovenstaande zaak telefonisch besproken. U bent € 35.000,-- kwijtgeraakt verloren met gokken online via aanbieder [B] (…) Volgens u is de zorgplicht geschonden en sprake van onrechtmatigheid (met beroep op Wet op de Kansspelen/Leidraad/redelijkheid & billijkheid. (…) Ik geef u een half uur gratis advies. Daarna ga ik kosten rekenen. Zonder gefinancierde rechtshulp is mijn uurtarief € 220,-- (inclusief BTW en kantoorkosten). Bijgaand mijn toepasselijke algemene voorwaarden. Graag ontvang ik van u nadere stukken van de zaak ter beoordeling (…).” 2.5 B wordt in het geschil bijgestaan door mr. V. 2.6 In een tweetal e-mailberichten van 31 mei 2024 heeft klager aanvullende informatie over de zaak aan verweerder gestuurd, als ook zijn gegevens voor het aanvragen van de rechtsbijstand. 2.7 Op 1 juni 2024 om 14:32 uur en om 14:33 uur heeft verweerder klager twee e-mails gestuurd met daarin, voor zover relevant: “het gratis half uur advies is voorbij. Voor verdere werkzaamheden ga ik kosten rekenen. Dat is gefinancierde rechtshulp of anders naar mijn uurtarief van 220,--. (…) U zei mij dat u wilde dat ik voor de zaak gefinancierde rechtshulp aanvraag.” “Ik zal gefinancierde rechtshulp aanvragen.” 2.8 Op 5 juni 2024 om 13:35 uur heeft verweerder aan klager geschreven, voor zover relevant: “Voor bovengenoemde zaak heb ik gefinancierde rechtshulp gevraagd en verkregen. Er is door de Raad voor de Rechtsbijstand een eigen bijdrage voor advocaatkosten opgelegd van € 714,--. (…) Als dat bedrag van € 714,-- eigen bijdrage voor u te hoog is, kunt u binnen zes weken na vandaag proberen het te verlagen door in bezwaar te gaan omdat uw inkomen in 2022 lager is dan € 2024,-- of te verzoeken om peiljaarverlegging van 2022 naar € 2024,--…(…).” 2.9 Dezelfde dag om 16:25 uur heeft verweerder aan klager geschreven, voor zover relevant: “We hebben het telefonisch besproken. U gaat per omgaande met het peiljaarverleggingsformulier en bewijs van uw gedaalde inkomen proberen de eigen bijdrage naar beneden te brengen. Hopelijk lukt dat en krijgt u de minimale eigen bijdrage van € 165,--. Daarna (binnen 10 dagen erna) kunt u nog proberen bijzondere bijstand te krijgen van de gemeente Amsterdam. Als de eigen bijdrage naar het minimum gaat en u daarna nog bijzondere bijstand krijgt, is het bedrag aan eigen bijdrage voor advocaatkosten nog maar € 50,--. Ik heb u verzocht € 50,-- over te maken op mijn rekening (…) Dat bedrag vraag ik wel vooruit.” 2.10 Om 16:43 uur heeft klager aan verweerder geschreven, voor zover relevant: “Ik probeer deze week € 50 regelen al gaat dat heel moeilijk worden vanwege mijn situatie. Als ik U € 50 hebt overgemaakt kunt U dan zo snel mogelijk dit oppakken en de tegenpartij aanschrijven. (…)” 2.11 Om 20:02 uur heeft klager aan verweerder per e-mail laten weten dat hij een peiljaarverlegging heeft ingediend, hij na ontvangst van zijn salaris € 50,-- zal overmaken en heeft hij verweerder gevraagd een uitzondering te maken en de zaak alvast op te pakken. 2.12 Verweerder heeft om 17:12 uur per e-mail gereageerd met: “De zaak moet ik eerst nog bestuderen. Ook moet er eerst nog worden gecorrespondeerd met de advocaat van [B].” 2.13 Op 15 juni 2024 heeft klager verweerder een e-mailbericht gestuurd met daarin, voor zover relevant: “Aankomende donderdag krijg ik uitbetaald en zal ik U meteen € 50,-- overmaken. Kunt U de zaak dan meteen oppakken en de tegen partij aanschrijven. (…)” 2.14 Op 18 juni 2024 heeft verweerder een e-mailbericht aan klager geschreven met daarin, voor zover relevant: “Uw verzoek tot peiljaarverlegging is succesvol geweest. De eigen bijdrage voor advocaatkosten is verlaagd naar € 165,--.” 2.15 Op 20 juni 2024 heeft klager € 50,-- over aan verweerder overgemaakt. 2.16 Ook op 20 juni 2024 heeft klager een e-mailbericht aan verweerder gestuurd met daarin, voor zover relevant: “In deze mail noem ik alles wat [B] niet had mogen doen nog een keer op. (…) De algemene voorwaarden kan ik mezelf niet terug in vinden dat ik die ondertekend heb en ben bang dat ze dit gaan goed praten.” 2.17 Bij e-mail van 21 juni 2024 heeft klager aan verweerder gevraagd hem mee te nemen in de cc als hij de tegenpartij aanschrijft. 2.18 Verweerder heeft hierop op 24 juni 2024 gereageerd met: “Het vermoeden mijnerzijds is dat de wederpartij u niet gelijk gaat geven. Maar eerst moet de andere kant nog worden aangeschreven en de reactie afgewacht.” 2.19 Op 28 juni 2024 heeft verweerder klager een e-mail gestuurd met daarin, voor zover relevant: “Het opstellen van een concept van de email aan [mr. V] vergt wat meer tijd. Ik kom hier maandag op terug.” 2.20 Op 1 juli 2024 om 15:48 uur heeft verweerder klager een e-mailbericht gestuurd met daarin, voor zover relevant: “(…) Van [mr. V] (advocaat [B]) hebt u op vrijdag 31 mei 2024 om 15.45 uur een email gehad. Ik mis uw commentaar op de stellingen in de brief. Wat is er onjuist aan? U stelde dat er schending van de zorgplicht was wegens een te hoog ingestelde limiet en het kunnen registreren in het buitenland. Waar staan daarvoor de regels?” 2.21 Direct hierna is klager naar het kantoor van verweerder gegaan en hebben zij elkaar daar gesproken. 2.22 Om 16:43 uur heeft klager verweerder een e-mail gestuurd met daarin, voor zover relevant: “Graag zou ik mijn eigen bijdragen per direct terug gestort willen hebben naar (rekeningnummer) aangezien U mijn belangen totaal niet behartigt en nog geen werk heeft verricht in mijn zaak. Geen concept, niet de tegenpartij aangeschreven en continu valse beloftes maakt waar ik bewijs van heb. Doet U dit niet dan zal ik een klacht indienen bij de advocatenorden. Ook heeft U mij zojuist bedreigd wat ik heel schrikwekkend vind. Kunt U aub mijn € 50 per direct terugstorten en dan wil ik niets meer met U te maken hebben.” 2.23 Verweerder heeft hierop om 17:07 uur per e-mail hierop gereageerd met, voor zover relevant: “Vanmiddag belde u mij. Ik heb u gezegd dat u niet bent ingegaan op de inhoud van de email van [mr. V] van 31 mei. U stond mij hysterisch schreeuwend te woord. Ik heb u gezegd dat ik hiervan niet gediend was. (…) Zojuist kwam u zonder afspraak bij mij op kantoor. Nadat u tien minuten had staan ageren tegen de secretaresse, heb ik me ermee bemoeid. U weigerde desgevraagd weer in te gaan op de inhoud van de email van [mr. V]. Ik heb u gezegd dat u mij de feiten moet geven. Als u die email niet weerlegd, dan hebt u een zwakke zaak. (…) U komt met het onterechte verwijt dat ik geen werk zou hebben verricht in de zaak. Dat is uiteraard onzin. Ik kan geen concept opstellen als u mij niet de feiten aanlevert. (…) U stelt dat ik u heb bedreigd. Het omgekeerde is het geval. (…) Uiteraard verricht ik verder geen werkzaamheden meer in deze zaak. Ik stop ermee. Uw handelswijze is volstrekt onacceptabel.” 2.24 Om 17:29 uur heeft klager per e-mail op verweerder gereageerd met de mededeling dat verweerder zijn zaak totaal niet serieus heeft genomen, dat verweerder nauwelijks werk heeft verricht, dat als verweerder een valse aangifte wil doen hij genoodzaakt is de opname te delen met de politie en de advocatenorde als bewijs en dat hij zijn eigen bijdrage per direct gestort wil hebben. 2.25 Om 17:40 uur heeft klager aan verweerder gestuurd dat hij hem heeft bedreigd en dat dit op de opname van klager is te horen. 2.26 Verweerder heeft hierop dezelfde dag om 18:04 uur gereageerd met, voor zover relevant: “Uw valsheden ben ik nu wel zat. De gestelde bedreiging is onzin. (…) U weet zelf dat de zaak vooral stil heeft gelegen omdat ik op 6 juni wilde dat u eerst € 50,-- zou betalen voordat ik ging beginnen. U hebt pas op 20 juni betaald. Daarna heeft het een tijdje stilgelegen omdat ik het druk had met andere zaken. Hiervoor had ik mij geëxcuseerd. Hier maakt u een halszaak van. Dat is belachelijk want in de email van [mr. V] van 31 mei 2024 (die u niet hebt weerlegd) staat dat u pas na een half jaar op de zaak terug bent gekomen. Het was voor mij niet mogelijk om een concept te naken omdat u mij de feiten niet had verstrekt. Waarschijnlijk kloppen de feiten zoals gesteld in de brief van [mr. V]. (…)” 2.27 Om 18:08 uur heeft verweerder aan klager geschreven, voor zover relevant: “Dit is wel degelijk chantage. Ik heb voor u gefinancierde rechtshulp aangevraagd, U moet dan de eigen bijdrage betalen. U hebt maar een deel betaald. Ik heb zeker een paar uur werk in de zaak zitten. (…)” 2.28 Klager heeft verweerder hierna dezelfde dag nog enkele e-mailberichten gestuurd waarin hij hem vraagt of hij de gemaakte opname moet delen en of verweerder het bedrag van €50,- aan klager wil teruggeven. 2.29 Op 2 juli 2024 heeft verweerder aan klager per e-mail geschreven: “De zaak is voor mij gesloten. Eventuele klachten kunt u kwijt bij klachtenfunctionaris mr. Van O., mijn kantoorgenoot.” 2.30 In de urenstaat van verweerder staat dat hij in totaal 7,25 uur aan de zaak van klager heeft besteed in de periode van 31 mei 2024 tot en met 2 juli 2024. 2.31 Op 4 oktober 2024 heeft de nieuwe advocaat van klager (hierna: mr. B) namens klager een aansprakelijkheidsstellingsbrief aan B gestuurd. 2.32 Op 30 oktober 2024 heeft klager verweerder een e-mailbericht gestuurd met daarin, voor zover relevant: “Tot mijn verbazing kan ik volgens de raad van rechtsbijstand geen gebruik meer maken van een toevoeging voor de zaak omtrent [B]. Kunt U mijn asjeblieft uitleggen hoe het zo kan zijn dat U een zaak afrond en kan afsluiten zonder dat U ooit heeft gecorrespondeerd met de tegenpartij (…) Hoe kan het dan zo zijn dat U dit kan afronden en afsluiten waardoor ik dit niet meer kan voorleggen bij een andere advocaat? U gaf in een eerdere mail ook aan dat U een paar uur aan deze zaak heeft besteed. Van wat ik weet is het getal 7 geen paar. Kunt U mij a.u.b. uitleggen hoe dit allemaal zit, want nu ben ik de dupe zodra ik een advocaat zoek die mij hierin kan bijstaan. (…)” 2.33 Op 5 november 2024 heeft klager aan de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder zijn eerder die week aan verweerder verzonden e-mail gestuurd. In deze e-mail staat, voor zover relevant: “Ik vind dat U mij heel erg bent tekort gekomen. De toevoeging waar U gebruik van heeft gemaakt is onterecht. U heeft nooit gecorrespondeerd met de tegen partij, nooit de tegenpartij ingelicht met dat u mijn belangenbehartiger bent, ik heb nooit een overeenkomst met U getekend. U heeft enkel en alleen de aanvraag voor een toevoeging gedaan, sterker nog ik moest de peiljaarverlegging zelf doen. U heeft 7 uur ingediend en uitbetaald gekregen is mij verteld. U heeft de zaak afgesloten terwijl deze zaak niet is afgesloten. Hierdoor zegt rechtsbijstand dat ik nooit meer een toevoeging kan aanvragen voor de zaak tegen [mr. B]. (…) Ik adviseer U om de toevoeging terug te draaien en het geld terug te sturen aangezien U niets aan de zaak heeft gedaan. Anders zal ik een klacht indienen en laat ik mijn advocaat hier een zaak van maken. Ik zal ook alle geluid/beeld materiaal van U bedreiging en dat U mijn telefoon uit mijn handen wilt grijpen eventueel meenemen.” 2.34 Verweerder heeft hierna het bedrag van € 50,- aan klager terugbetaald. 2.35 Op 16 januari 2025 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder: a) onterecht gebruik en misbruik te hebben gemaakt van de toevoeging. Er is nooit gecorrespondeerd met de wederpartij. Nu kan klager geen gebruik meer maken van de toevoeging. Verweerder heeft de toevoeging afgesloten zonder met klager te overleggen; b) de mails en klachten van klager te negeren en niet met hem te willen overleggen. Een bij het kantoor ingediende klacht is nooit in behandeling genomen en er is niet op gereageerd. 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING 5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdeel a) 5.2 Klager verwijt verweerder dat hij onterecht gebruik en misbruik heeft gemaakt van de toevoeging. Tot zijn verbazing moest klager er via zijn nieuwe advocaat achter komen dat verweerder de toevoeging had afgerond en het geld al had geïnd. Hierdoor kon klager aanvankelijk geen gebruik meer maken van deze toevoeging. 5.3 De raad stelt op grond van het klachtdossier vast dat verweerder op 5 juni 2024 aan klager heeft laten weten dat hij de gefinancierde rechtshulp voor klager had aangevraagd en ook had verkregen. Daarbij heeft verweerder aan klager uitgelegd dat, indien het bedrag van de eigen bijdrage voor klager te hoog was, klager dit kon proberen te verlagen door middel van het indienen van een verzoek tot peiljaarverlegging. Daarbij heeft verweerder klager verzocht om in ieder geval alvast een bedrag van €50,- aan hem vooruit te betalen. Klager heeft dezelfde dag nog een verzoek tot peiljaarverlegging ingediend, waarna verweerder klager op 18 juni 2024 heeft bericht dat het verzoek succesvol was geweest en dat de eigen bijdrage was verlaagd. Hierna heeft klager op 20 juni 2024 de door verweerder gevraagde € 50,- aan hem betaald. Op 28 juni 2024 heeft verweerder klager bericht dat het aanschrijven van de wederpartij iets langer zou gaan duren, waarna hij op 1 juli 2024 nog om aanvullende informatie heeft gevraagd bij klager. Vervolgens is klager naar het kantoor van verweerder gegaan, alwaar er een confrontatie tussen hen heeft plaatsgevonden en verweerder klager vervolgens heeft laten weten dat hij zijn bijstand zal beëindigen. 5.4 Gelet op hetgeen partijen hierover ter zitting hebben aangevoerd, komt het de raad voor dat de door verweerder aangevraagde toevoeging in eerste instantie niet op de juiste wijze door hem is beëindigd. Verweerder heeft hierna echter de eerder door klager betaalde eigen bijdrage van €50,- aan klager terugbetaald en de toevoeging vervolgens alsnog op de juiste wijze afgerond, waarna de nieuwe advocaat van klager een toevoeging heeft gekregen en klager weer bijstand kon genieten van een advocaat. 5.5 Voor zover klager verweerder daarnaast verwijt dat hij niets voor hem heeft gedaan, overweegt de raad dat verweerder heeft aangevoerd dat hij de wederpartij weliswaar nog niet had aangeschreven, maar dat hij wel met klager over de zaak had gecorrespondeerd, hem had laten weten dat het opstellen van de conceptbrief aan de wederpartij iets langer zou gaan duren en dat hij hem nog om nadere informatie heeft verzocht. Dit alles zou verweerder kennelijk 7 werkuren gekost hebben, althans dat is wat hij heeft gedeclareerd. 5.6 Naar het oordeel van de raad kan de vraag of door verweerder aan de zaak van klager werkelijk 7 uur is besteed in het midden blijven, nu (a) indien deze uren door verweerder zijn besteed, deze dermate ineffectief zijn besteed dat deze in redelijkheid niet opgegeven konden worden en (b) dat dit temeer zo is omdat gelet op de correspondentie van 5, 15 en 28 juni 2024 redelijkerwijs mocht worden verwacht dat een inhoudelijk bericht aan de wederpartij opgesteld zou zijn, terwijl verweerder nadien slechts kwam met een vraag die algemeen van aard was en daarbij geen blijk gaf van bestudering door hetgeen klager hem reeds had aangereikt. Verweerder had met andere woorden meer kunnen doen, zoals hij had toegezegd, maar dat heeft hij niet gedaan. 5.7 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder daarom niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mocht worden verwacht. De uitleg die verweerder heeft verstrekt acht de raad in dit verband onvoldoende. 5.8 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat klachtonderdeel a) gegrond is. Klachtonderdeel b) 5.9 De raad stelt ten aanzien van klachtonderdeel b) vast dat klager op 5 november 2024 een klacht over verweerder heeft ingediend bij de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder. Alhoewel het opmerkelijk te noemen is dat enige reactie op deze klacht ontbreekt, overweegt de raad dat de wijze waarop de klacht van klager door de klachtenfunctionaris is behandeld, geen betrekking heeft op het handelen van verweerder. Dat verweerder hierin (ook) een aandeel zou hebben gehad, heeft klager niet onderbouwd en dit is de raad ook overigens niet gebleken. 5.10 Klachtonderdeel b) is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk.
6 MAATREGEL 6.1 Hoewel verweerder ten aanzien van klachtonderdeel a) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, ziet de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. De raad weegt hierin mee dat verweerder de eigen bijdrage aan klager heeft terug betaald en klager geen nadeel heeft ondervonden van het handelen van verweerder. Aan verweerder zal daarom geen maatregel worden opgelegd.
7 GRIFFIERECHT 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. D. Horeman en M. Kemmers, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 oktober 2025
