Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

29-09-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:187

Zaaknummer

25-222/DH/DH

Inhoudsindicatie

Eindbeslissing na voortzetten wegens algemeen belang. Verweerder heeft gedurende meerdere jaren nagelaten om voldoende zorgvuldig en voortvarend te handelen in het dossier van zijn cliënt. Belangrijke afspraken over onder meer de financiën en aan te leveren stukken zijn niet deugdelijk schriftelijk vastgelegd. Op het moment dat zijn cliënt zich tot een andere rechtsbijstandsverlener heeft gewend, heeft verweerder ook het dossier niet (direct) willen afgeven en de naam van de advocaat in Suriname niet (onverwijld) kenbaar willen maken. Mede gelet op met de cliënt getroffen schikking, het nadeel dat verweerder aan de klacht heeft ondervonden en de maatregel die de deken voor ogen heeft, komt de raad tot een berisping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 september 2025 in de zaak 25-222/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

de deken van de Orde van Advocaten  in het arrondissement Den Haag deken

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 1 november 2023 is namens de heer J bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 20 december 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K230 2023 van de deken ontvangen.  1.3    Op 28 januari 2025 is namens de heer J de klacht ingetrokken.  1.4    Op 5 februari 2025 heeft de deken desgevraagd te kennen gegeven voortzetting van de klacht om redenen van algemeen belang te wensen.  1.5    Bij beslissing van 31 maart 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:64) heeft de raad besloten dat de behandeling van de klacht zal worden voortgezet om redenen van algemeen belang. Daarbij is bepaald dat de deken voor het vervolg van de zaak als klager zal worden aangemerkt. 1.6    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 18 augustus 2025. Daarbij waren de deken, bijgestaan door haar stafjurist, en verweerder aanwezig. 1.7    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende reactie van verweerder van 4 augustus 2025. 2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    De heer J heeft zich in januari 2017 tot verweerder gewend voor juridische bijstand om een perceel grond in Suriname te verkrijgen dat aan zijn overleden vader zou toebehoren. Op 13 januari 2017 hebben J en verweerder een bespreking gehouden. Op de papieren aantekeningen van verweerder van het gesprek staat onder meer vermeld:  “Verklaring v. erfrecht  volgt  perceelkaart  volgt Getuigenverkl.  volgt i.v.m. stuiting verjaring Originele Verklaring  wordt onderzocht Adres w.p.  volgt Opdr bev opstellen + te overleggen stukken in opnemen” 2.3    In een e-mail d.d. 14 februari 2017 (met titel: opdrachtbevestiging) heeft verweerder de opdracht bevestigd. Daarin is niet opgenomen of, en zo ja welke stukken de heer J nog diende te overleggen. Verweerder heeft diezelfde dag de verjaringstermijn naar Surinaams recht gestuit, die op 18 februari 2017 zou aflopen. Verweerder heeft de heer J daarvan op 16 februari 2017 in kennis gesteld, met toezending van zijn (voorschot)declaratie. 2.4    In maart 2017 heeft verweerder gecorrespondeerd met de landmeter/taxateur. 2.5    De kosten voor de werkzaamheden van verweerder zijn begroot op € 10.000,-. De heer J heeft aan klager op 21 april 2017 een voorschot van € 5.000,- betaald. Van dit bedrag is € 2.050,- overgemaakt aan de advocaat die verweerder in Suriname heeft ingeschakeld. 2.6    Op 24 april 2017 heeft verweerder aan de advocaat in Suriname geschreven: “Bijgaand zend ik je toe de stukken in bovengenoemde zaak.  Wij hebben afgesproken dat er zsm beslag wordt gelegd en dat een bodemprocedure wordt gestart tegen [de wederpartij]. De argumenten daarvoor zijn te ontlenen aan mijn bijgaande brief van 14 februari 2017 en de verklaring van 18 februari 1987.  Wij hebben verder afgesproken dat je tbv de procedure inzage vraagt in het hypotheekregister. Daartoe heb ik de perceelkaart bijgevoegd.”  2.7    Op 26 april 2017 heeft de advocaat in Suriname aan verweerder geschreven: “(…) Om het verzoekschrift in de zaak van [de heer J] te kunnen afronden het navolgende: - Ingevolge je aanmaning moet ik de vordering indienen namens de erfgenamen van [de heer J]. Ik heb daarvoor een verklaring van erfrecht nodig. Zonder dit stuk zal de rechter geen toestemming voor het leggen van beslag geven. (…)” 2.8    Op 27 april 2017 heeft de advocaat in Suriname aan verweerder geschreven: “In navolging van onderstaande mail nog twee opmerkingen/vragen: - Volgens de verklaring is er een bedrag van f 44.050,= geleend. Er staat evenwel niet als het om Nederlandse of Surinaamse gulden gaat. Kunnen clienten daarin ook opheldering geven. De Surinaamse rechter gaat tot nu toe uit van de vergoeding van de nominale waarde en het Markarrest. En dat zou dan neerkomen op Srd 44,05, hetgeen zeer onredelijk is. Zal zeker verweer voeren tegen een waardevaste vergoeding (…)” 2.9    Op 2 mei 2017 heeft de heer J aan verweerder diverse stukken toegezonden, waaronder de ID-gegevens van de erfgenamen en de overlijdensakte van de vader van de heer J. 2.10    Op 2 mei 2017 heeft verweerder aan de advocaat in Suriname geschreven: “Bijgaand de ID-info in de zaak [de heer J]. Kun je nagaan of je aan de hand hiervan de erfrechtverklaring kan doen opstellen?” 2.11    Op een e-mail van 12 augustus 2019 van de heer J (met onderwerp: status zaak) wordt een afwezigheidsbericht van verweerder teruggestuurd. Op 18 september 2019 heeft de heer J aan verweerder geschreven: “Bent u inmiddels al terug en heeft u een antwoord voor ons? Ik heb al een aantal keren gebeld en gemaild, graag zsm een antwoord.” 2.12    Op 14 september 2020 heeft de heer J aan verweerder geschreven: “Wederom hebben we niks van u gehoord nadat we vorige maand contact met u hebben gehad. Wanneer krijgen we iets te horen?” 2.13    Op 18 september 2020 heeft verweerder aan de heer J geschreven: “Ik heb bericht uit Suriname.  Beschikt u over een verklaring van erfrecht? Zo ja, kunt u mij deze omgaand toezenden? Zo niet, dan dient een verklaring te worden opgemaakt. Daarvoor heb ik de ID-gegevens van alle erfgenamen nodig. Van belang is dan te weten waar de erflater (…) is overleden, in Nederland of in Suriname.” 2.14    In januari 2023 heeft de heer J zich gewend tot een juridisch bureau. Op 9 januari 2023 heeft de gemachtigde van de heer J van dit juridisch bureau aan verweerder geschreven: “(…) Op of rond 13 januari 2017 heeft u een overeenkomst van opdracht gesloten met cliënten dat toeziet op door u te verrichten werkzaamheden m.b.t. het overschrijven van een perceel gelegen in Suriname, waarvan cliënten de rechtmatige eigenaar zijn. U heeft de opdracht via mail op 14 februari 2017 bevestigd. Met gelijke datum heeft u een ingebrekestelling en sommatie opgesteld ten behoeve van de wederpartij. Met uw brief van 16 februari 2017 heeft u cliënten geïnformeerd dat de deurwaarder in Suriname de ingebrekestelling en sommatie heeft bezorgd bij de wederpartij. Vervolgens heeft u bij die brief een factuur gevoegd dat toeziet op uw honorarium en de kosten van de deurwaarder in Suriname, totaal € 363,68. Kennelijk is door de wederpartij niet afdoende gereageerd, want uit de mij ter beschikking gestelde stukken blijkt dat op 17 maart 2017 wordt gesproken over het leggen van beslag. In een e-mail van 21 april 2017 bevestigd u aan cliënten dat de zaak in totaal € 10.000,- zal kosten dat daarin de kosten besloten liggen van uw honorarium, de kosten van de advocaat in Suriname, deurwaarders- en beslagkosten, griffierecht en landmeter/taxateur. Cliënten hebben aangegeven akkoord te zijn met de vervolgwerkzaamheden en u heeft verzocht om een voorschot te betalen van € 5.000,00. Op 21 april 2017 heeft [de heer J] het voorschotbedrag op uw rekening voldaan. Na betaling van het voorschot hebben cliënten niets meer van u vernomen. In de jaren daarna hebben zij u regelmatig verzocht om hen te informeren over de voortgang. U geeft cliënten niet de informatie waarop zij recht hebben en houdt de boot steeds weer af, met de mededeling dat u op hun dossier terugkomt. Cliënten beginnen het vertrouwen in u als hun raadsman te verliezen en hebben mij verzocht om een afschrift te krijgen van het dossier. Uit het dossier moet blijken welke handelingen u heeft verricht om de overeenkomst van opdracht uit te voeren. Namens cliënten verzoek ik u vriendelijk doch dringend binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief, aan ondergetekende, opgave te doen van de status in dit dossier, e.e.a. onder verstrekking van een afschrift van de dagvaarding, exploten van beslaglegging en andere relevante documenten en geschriften zoals door u, werd aangekondigd. (…)” Begin februari 2023 is een herinnering van deze brief aan verweerder betekend.  2.15    Verweerder heeft daarop niet gereageerd. Op 27 februari 2023 heeft de gemachtigde van de heer J een klacht ingediend op grond van de kantoorklachtenregeling. 2.16    Op 7 maart 2023 heeft de externe klachtenfunctionaris van verweerder gereageerd: “Naar aanleiding van uw e-mail bericht ik u het volgende: [verweerder] is in afwachting van een bericht van de advocaat uit Suriname. Zodra er bericht is zal hij contact opnemen met cliënten. Ervan uitgaande u voldoende te hebben geïnformeerd.”  2.17    Op 16 maart 2023 heeft de heer J aan verweerder verzocht de naam van de advocaat in Suriname kenbaar te maken. 2.18    Op 20 maart 2023 heeft de gemachtigde van de heer J aan verweerder geschreven: “Afgelopen vrijdag heb gesproken met cliënte, [naam]. Zij heeft mij verzocht om haar belangen te blijven behartigen en de communicatie met u voort te zetten.  Cliënte zou graag de naam van de advocaat in Suriname vernemen die u indertijd heeft ingeschakeld om beslag te leggen en een procedure op te starten. U gaf bij mij in een eerder telefoongesprek aan dat u de advocaat in Suriname om een update van de zaak zou vragen. Hierop heeft cliënte, noch ik antwoord gekregen.  Graag verneem ik de stand van zaken” 2.19    Op 20 maart 2023 heeft verweerder gereageerd: “Ik heb afgelopen weekend contact gehad met mijn Surinaamse collega.  De stand van zaken is deze.  Er zijn diverse pogingen ondernomen om in contact te komen met de wederpartij. Dat is niet gelukt.  De zaak kan worden vervolgd door conservatoir beslag te leggen op het perceel en uw vordering aan de rechter voor te leggen. Weliswaar heeft de transactie tussen uw vader en de wederpartij ruim 30 jaar geleden plaatsgevonden maar is de verjaring destijds door mij tijdig gestuit. Dat wil zeggen dat u nog steeds kunt procederen. Let u daarbij wel op het feit dat het document waarop u uw vordering baseert niet erg duidelijk is. Er bestaat twijfel over de valutasoort van de geldlening bedoeld in het document omdat de valuta daarin niet is gespecificeerd. Het is niet duidelijk of daarin destijds Nf (Nederlands gulden) is bedoeld of Sf (Surinaamse gulden). Indien de wederpartij daar bezwaren over opwerpt, moet u bewijzen welke valuta is bedoeld. Het is dan zaak dat u over aanwijzingen beschikt dat uw vader indertijd de geldlening in Nederlandse guldens heeft verstrekt. Als dat Sf is geweest, dient u serieus rekening te houden met de ontwaarding van die munteenheid door de jaren heen. U kunt ook stellen dat de rechter daar dan maar een beslissing over moet nemen.  Gaarne zie ik uw reactie tegemoet.” 2.20    Op 21 maart 2023 heeft de gemachtigde van de heer J aan verweerder geschreven: “Cliënt wenst voorafgaand aan een eventueel besluit om een procedure in gang te zetten, graag vernemen wie de behandelend advocaat in Suriname is. Indien mogelijk zou ik graag een afschrift ontvangen van de indertijd tussen partijen gesloten (geldlenings)overeenkomst.” 2.21    Op 3 mei 2023 heeft de gemachtigde van de heer J aan verweerder geschreven: “Onder verwijzing naar mijn brief van 9 januari jl. waarin namens cliënte heb verzocht om afschrift van het dossier met daarin documenten die betrekking hebben op de zaak en de e-mail van cliënte aan u met het verzoek om opgave te doen van de advocaat die u heeft ingeschakeld om de procedure tegen de wederpartij op te starten, heeft cliënte noch ondergetekende de gevraagde informatie ontvangen. Cliënte is het vertrouwen in u als advocaat kwijt en heeft mij daarom verzocht om een klacht in te dienen bij de Deken van de Orde van Advocaten.” 2.22    Op 20 januari 2025 heeft verweerder met de heer J een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarna hij € 4.929,23 aan de heer J heeft betaald.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Verweerder wordt het volgende verweten: a)    Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld in het behartigen van de belangen van de heer J. b)    Verweerder heeft de heer J onvoldoende geïnformeerd over de status en voortgang van zijn zaak. c)    Verweerder heeft geen overleg gevoerd met de heer J over het inschakelen van de advocaat in Suriname en heeft de naam van deze advocaat niet kenbaar willen maken. d)    Verweerder heeft het dossier niet aan de gemachtigde van de heer J verstrekt. e)    Verweerder is niet transparant geweest over zijn wijze van declareren.

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Klachtonderdelen a) en b) 5.2    Verweerder heeft begin 2017 een zaak aangenomen. Aanvankelijk is verweerder voortvarend te werk gegaan, onder meer door de naderende verjaringstermijn te (laten) stuiten en het hebben van contact met een met een landmeter/taxateur in Suriname. Uit het dossier volgt echter dat de werkzaamheden daarna nagenoeg stil zijn komen te liggen. Eind april en begin mei 2017 is nog gecommuniceerd met de advocaat in Suriname en was het verweerder duidelijk dat hij een verklaring van erfrecht nodig had voor zijn cliënt. Uit het dossier volgt dat verweerder pas ruim drie jaar later (in september 2020) aan zijn cliënt om deze verklaring van erfrecht heeft gevraagd, ondanks dat de cliënt meerdere keren naar informatie en de voortgang heeft gevraagd. Vervolgens zijn de werkzaamheden en communicatie opnieuw stilgevallen totdat klager – opnieuw drie jaar later – in januari 2023 zich via een juridisch bureau beklaagt over het gebrek aan voortgang. Niet gebleken is dat verweerder na mei 2017 daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht in de zaak van de heer J. Verweerders stelling dat de heer J vaak op zijn kantoor is geweest en dat hij veelvuldig (telefonisch) contact met hem heeft gehad, maar dat juist hij (verweerder) moest wachten totdat de heer J stukken (zoals een verklaring) zou aanleveren, vindt geen steun in het dossier. Verweerders e-mails van mei 2017 en september 2020 duiden eerder in de tegenovergestelde richting, namelijk dat hij zorg zou dragen voor deze verklaring. Dat geldt ook voor zover de heer J zou moeten onderbouwen of het in de oorspronkelijke verklaring om Surinaamse of Nederlandse guldens ging; verweerder heeft pas voor het eerst in maart 2023 schriftelijk vastgelegd dat de valuta onduidelijk was. Het lag gelet op gedragsregel 16 lid 2 op de weg van verweerder om dergelijke afspraken schriftelijk vast te leggen. Bij gebrek aan deugdelijke vastlegging, dient onduidelijkheid over wat al dan niet is besproken over de aanpak en timing van de zaak voor risico van verweerder te komen. 5.3    Verweerder heeft erkend dat hij de heer J onvoldoende op de hoogte heeft gebracht van de ontwikkelingen in zijn zaak. 5.4    Klachtonderdelen a) en b) zijn gegrond. Klachtonderdeel c) 5.5    Het uitgangspunt is, mede gelet op gedragsregel 13, dat een advocaat de aan hem gegeven opdracht persoonlijk uitvoert. In overleg met de cliënt kan daarvan worden afgeweken, zoals - in dit geval - wanneer het nodig is om een advocaat in Suriname in te schakelen. Dit laat onverlet dat deze ingeschakelde advocaat werkzaamheden (moet) verricht(en) ten behoeve van de cliënt, die ook de kosten van de inzet van deze advocaat zal moeten dragen. Het achterhouden van de naam van de ingeschakelde hulppersoon staat daarmee op gespannen voet, zeker wanneer de cliënt daar uitdrukkelijk om vraagt. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder in ieder geval op eerste verzoek kenbaar had moeten maken welke advocaat de belangen van de heer J in Suriname behartigde. Door dit niet te doen, heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij de naam van deze advocaat niet heeft genoemd, omdat hij zich onprettig bejegend door de gemachtigde van de heer J heeft gevoeld en hij niet wilde dat deze advocaat ook zo zou worden benaderd. Dat is echter geen legitieme reden om zijn cliënt deze informatie te onthouden. Klachtonderdeel c) is gegrond. Klachtonderdeel d) 5.6    Ook was verweerder gehouden om het dossier van zijn cliënt op eerste verzoek over te dragen aan de gemachtigde van de heer J, nadat hij zich als de nieuwe belangenbehartiger had gesteld. Door dit na te laten, heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel d) is gegrond. Klachtonderdeel e) 5.7    Verweerder heeft met de heer J kennelijk een vaste prijs van € 10.000,- afgesproken. Een schriftelijke vastlegging van deze afspraak ontbreekt echter in het dossier, evenals een onderbouwing hoe verweerder tot dat bedrag is gekomen en in hoeverre kosten van derden zoals de taxateur/landmeter en de buitenlandse advocaat in dit bedrag zijn begrepen. Ook heeft verweerder tot op heden nagelaten deugdelijk te specificeren welke kosten voor zijn werkzaamheden in rekening zijn gebracht op het betaalde voorschot van € 5.000,-, afgezien van een grove begroting, waarover hieronder meer. Van het voorschot is € 2.050,- overgemaakt aan de advocaat in Suriname, maar daarover is evenmin verantwoording afgelegd aan de cliënt. Die transparantie had verweerder wel moeten bieden aan zijn cliënt.  5.8    In het kader van de klachtprocedure heeft verweerder in grote lijnen zijn werkzaamheden in de zaak van de heer J begroot. Bij beslissing d.d. 31 maart 2025 heeft de raad verweerder in overweging gegeven om voorafgaand aan de zitting alsnog, gemotiveerder dan hij deed, rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van het door klager betaalde voorschot. Hierover is op dit punt geen nadere uitleg gegeven. Ook in de klachtprocedure is dus transparantie uitgebleven.  5.9    Verweerder heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit.  Conclusie 5.10    De raad zal alle onderdelen van de klacht gegrond verklaren.

6    MAATREGEL 6.1    Verweerder heeft gedurende meerdere jaren nagelaten om voldoende zorgvuldig en voortvarend te handelen in het dossier van zijn cliënt. Belangrijke afspraken over onder meer de financiën en aan te leveren stukken zijn niet deugdelijk schriftelijk vastgelegd. Op het moment dat zijn cliënt zich tot een andere rechtsbijstandsverlener heeft gewend, heeft verweerder ook het dossier niet (direct) willen afgeven en de naam van de advocaat in Suriname niet (onverwijld) kenbaar willen maken.  6.2    Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen maatregel, weegt de raad echter ook het volgende mee. Verweerder heeft een schikking getroffen met zijn (voormalige) cliënt. Daarbij heeft verweerder het voorschot nagenoeg geheel vergoed, terwijl ruim 40% van dat voorschot ook bestond uit het honorarium voor de advocaat in Suriname. Verweerder heeft zodoende ook financieel nadeel ondervonden van deze klacht. De cliënt heeft de klacht vervolgens ingetrokken, zodat de raad ervan uitgaat dat de kwestie daarmee voor hem was afgedaan. Ter zitting heeft verweerder toegegeven dat hij bij dit dossier beter had kunnen handelen en daaruit lering heeft getrokken. Daar komt bij dat de deken desgevraagd heeft aangegeven geen schorsing voor ogen te hebben, maar dat een berisping op zijn plaats is. Verder heeft de raad in aanmerking genomen dat op basis van het klachtdossier niet aannemelijk is geworden dat verweerder moedwillig de financiële belangen van zijn cliënt heeft geschonden, laat staan dat verweerder dit op grotere schaal zou doen. Het verwijt ligt meer in het niet (blijvend) voortvarend handelen, het niet vastleggen van financiële afspraken en verantwoording daarvan, het niet op de hoogte houden van de cliënt over de ontwikkeling in zijn zaak, het desgevraagd niet verstrekken van het dossier en het desgevraagd niet noemen van de advocaat die ook werkzaamheden in de zaak verrichtte.  6.3    Gelet op bovengenoemde omstandigheden, zal de raad de maatregel van berisping opleggen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerder dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht gegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van berisping op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en N. de Boer, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 29 september 2025.