Rechtspraak
Uitspraakdatum
14-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:145
Zaaknummer
25-590/DB/OB
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat in hoedanigheid van deken kennelijk ongegrond. Niet gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 14 oktober 2025
in de zaak 25-590/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: “voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 29 augustus 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken), van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10 en van het nagekomen e-mailbericht met bijlagen van klager van 16 september 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klacht 1
Op 29 februari 2024 heeft klager bij verweerster, in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag, een klacht ingediend over de kwaliteit van de door mr. D aan klager verleende rechtsbijstand. Verweerster heeft de klacht onderzocht. Op 29 februari 2025 is het dekenstandpunt aan klager toegestuurd, waarbij aan klager is medegedeeld dat verweerster verwachtte dat de raad de klacht gegrond zou verklaren. Klager is in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken het griffierecht te voldoen. Klager heeft het griffierecht niet (tijdig) voldaan, zodat het dossier niet is doorgezonden aan de raad van discipline.
1.2 Klacht 2
Op 27 september 2024 heeft klager opnieuw bij verweerster een klacht tegen mr. D ingediend over de kwaliteit van de door mr. D aan klager verleende rechtsbijstand.
1.3 Verweerster heeft de nieuwe klacht in behandeling genomen. Bij brief van 19 november 2024 heeft verweerster haar dekenvisie aan klager kenbaar gemaakt. Verweerster heeft samengevat aan klager medegedeeld dat hij naar haar mening dezelfde klacht opnieuw had ingediend, dat zij die eerdere klacht reeds had onderzocht en dat het verrichten van nader onderzoek niet nodig was. Verweerster heeft voorts aan klager medegedeeld dat zij verwachtte dat hij door de raad niet in klacht 2 zou worden ontvangen omdat hij, door dezelfde klacht opnieuw in te dienen, misbruik van klachtrecht maakte en omdat het beginsel van rechtszekerheid zich daartegen verzette.
1.4 Bij brief van 25 november 2024 heeft klager bij het Hof van Discipline een klacht tegen verweerster ingediend. Bij beslissing van 19 december 2024 (kenmerk 240338) heeft de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline de zaak verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant.
1.5 Bij e-mail van 5 februari 2025 heeft verweerster klager in de gelegenheid gesteld om het griffierecht te betalen en aan te geven of hij doorzending wenste van klacht 2 aan de raad van discipline in het ressort Den Haag. Bij e-mail van 11 februari 2025 heeft klager laten weten dat hij inderdaad doorzending wenst. Klacht 2 is doorgezonden aan de raad van discipline in het ressort Den haag.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft misbruik gemaakt van de monopolie positie van een deken. Verweerster heeft klagers nieuwe klacht zonder meer afgedaan als een herhaling van zijn eerdere klacht. Verweerster heeft gesproken van misbruik van klachtrecht en schending van de rechtszekerheid van de advocaat waartegen de klacht is gericht, zonder onderzoek te doen, zonder klager te horen en zonder over dossiers te beschikken.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Toetsingskader
Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, dan blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Beoordeling
De klacht heeft betrekking op de wijze waarop verweerster klacht 2 heeft behandeld. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster klacht 2 in behandeling heeft genomen en onderzocht en dat zij vervolgens bij brief van 19 november 2024 haar dekenvisie aan klager heeft kenbaar gemaakt. Kennelijk kan klager zich niet vinden in de inhoud van die dekenvisie, maar dat betekent nog niet dat verweerster een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De deken geniet een grote mate van vrijheid bij de wijze waarop hij/zij het onderzoek naar de klacht verricht, waarbij de deken handelt conform het bepaalde in de Leidraad dekenaal klachtonderzoek. Anders dan klager meent heeft verweerster klacht 2 wel degelijk onderzocht. Daarbij heeft verweerster vastgesteld dat klacht 2 naar haar oordeel op dezelfde feiten en gronden berustte als klacht 1, welk oordeel de voorzitter overigens alleszins begrijpelijk acht. Omdat klacht 1 reeds was onderzocht, stond het verweerster vervolgens vrij om te oordelen dat het verrichten van een nader onderzoek niet nodig was. De voorzitter is daarom van oordeel dat verweerster klacht 2 voldoende heeft onderzocht en dat verweerster de dekenvisie in de brief van 19 november 2024 voldoende heeft gemotiveerd. Dat verweerster daarbij misbruik heeft gemaakt van een – vermeende - monopolie positie is geenszins gebleken.
4.3 Klager is in de gelegenheid gesteld om klacht 2 door te zenden aan de raad van discipline in het ressort Den Haag. Klager heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. In de procedure bij de raad van discipline in het ressort Den Haag kan klager zijn standpunten over de klacht tegen mr. D nader toelichten. Het is vervolgens aan de raad van discipline in het ressort Den Haag, en niet in de onderhavige procedure aan de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, om een oordeel te geven over (de ontvankelijkheid) van de klacht tegen mr. D. De raad van discipline in het ressort Den Haag is daarbij overigens niet gebonden aan de door verweerster in de brief van 19 november 2024 geformuleerde dekenvisie.
4.4 Omdat niet is gebleken dat verweerster zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur is of kon worden geschaad, zal de voorzitter de klacht kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 14 oktober 2025
