Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:193

Zaaknummer

25-504/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een bestuursrechtelijke procedure. Verwijten kunnen grotendeels niet aan verweerder worden toegerekend, omdat het verweerschrift door de kantoorgenote van verweerder is ingediend. Klacht ook voor het overige deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 1 oktober 2025 in de zaak 25-504/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 juli 2025 met kenmerk K090 2024 en van de op de inventaris genoemde bijlagen.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Op 9 oktober 2023 heeft klager een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) gedaan bij [een bibliotheek]. Het verzoek is niet in behandeling genomen dan wel afgewezen, omdat de bibliotheek zich op het standpunt stelde dat zij geen bestuursorgaan is en dus niet onder de Woo valt. Klager heeft hiertegen op 27 november 2023 een beroep wegens het niet tijdig beslissen ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. 1.2    Op 13 december 2023 heeft de kantoorgenoot van verweerder, mr. Van D, een verweerschrift ingediend namens de bibliotheek. In het verweerschrift is primair het standpunt ingenomen dat de bibliotheek geen bestuursorgaan is en zodoende de Woo niet op haar van toepassing is. Subsidiair is het standpunt ingenomen dat sprake is van misbruik van recht, waarbij onder meer is geschreven: “De Bibliotheek heeft in het recente verleden enkele vervelende ervaringen gehad met [klager]. In het voorjaar van 2023 werd er door andere bezoekers van de Bibliotheek (centrale vestiging) geklaagd over het gedrag van [klager] die ongevraagd foto’s zou hebben gemaakt van minderjarige meisjes. [Klager] is toen aangesproken op zijn gedrag. Sindsdien ontvangt de Bibliotheek regelmatig klachten en verzoeken van [klager]. (…)” 1.3    Op 21 december 2023 heeft klager telefonisch contact gezocht met mr. Van D. Vanwege diens afwezigheid, heeft verweerder klager te woord gestaan. Daarna heeft klager aan verweerder geschreven: “Hierbij nogmaals het verzoek om het beroepsverweerschrift van de zaak ROT 23/7832 digitaal te ontvangen. Het betreft de zaak van de bibliotheek [plaats].  Ik had u al vandaag gesproken. Ik zou het digitale beroepsverweerschrift via het secretariaat ontvangen. Dat heb ik niet ontvangen, ondanks het feit, dat een tijd heb afgewacht.  Ik wil tevens nog steeds weten hoe ik ben geïdentificeerd door de bibliotheek [plaats] na het zogenaamde voorval aan het begin van het jaar 2023 en of er nog steeds informatie in bepaalde systeem omtrent mijn persoon te vinden is.” 1.4    Op 22 december 2023 heeft verweerder het verweerschrift digitaal aan klager toegezonden, met de begeleidende tekst: “Onderhavige procedure betreft een bestuursrechtelijke procedure, waarbij de rechtbank zorgt voor verzending van de stukken aan de wederpartij. Het is niet gebruikelijk dat het bestuursorgaan een afschrift van het verweerschrift naar de wederpartij stuurt, behoudens wanneer stukken worden ingediend kort voor een geplande zitting. Dit is hier niet het geval.  Ik begrijp dat u het verweerschrift inmiddels ook in hard-copy hebt ontvangen van de rechtbank. Coulancehalve treft u bijgaand een digitaal afschrift aan van het verweerschrift.  Indien u wilt weten hoe de Bibliotheek u geïdentificeerd heeft met betrekking tot het voorval in het voorjaar van 2023 en welke informatie hierover aanwezig is in de systemen van de Bibliotheek, dan kunt u een inzageverzoek ex artikel 15 AVG indienen bij de Bibliotheek. De Bibliotheek zal dit verzoek vervolgens in behandeling nemen.” 1.5    Op 28 december 2023 heeft klager bij de rechtbank een reactie ingediend op het verweerschrift. 1.6    Op 10 januari 2024 heeft verweerder aan klager geschreven: “Wij verwijzen naar uw e-mailbericht van 28 december 2023.  Woo-verzoek  Zoals u bekend, stelt cliënte zich op het standpunt dat zij geen bestuursorgaan is en dat de Woo niet op haar van toepassing is. Cliënte zal daarom niet beslissen op uw nieuwe Woo-verzoek van 28 december 2023 met betrekking tot de factuur voor het opstellen van het verweerschrift. Mocht de rechtbank oordelen dat de Woo wel op cliënte van toepassing is, dan zal cliënte uw Woo-verzoek alsnog in behandeling nemen en daarop beslissen.  AVG-verzoek  U verwijst naar een AVG-verzoek van 22 december 2023. Wij hebben navraag gedaan bij cliënte of zij bekend is met een AVG-verzoek van die datum. Dit was echter niet het geval. Ook wij zijn niet bekend met een AVG-verzoek van 22 december 2023. Wel zijn wij bekend met een e-mail die u ons stuurde op 21 december 2023 waarin u schreef:  “Ik wil tevens nog steeds weten hoe ik ben geïdentificeerd door de bibliotheek [plaats] na het zogenaamde voorval aan het begin van het jaar 2023 en of er nog steeds informatie in bepaalde systeem omtrent mijn persoon te vinden is.”  Graag vernemen wij of dit het AVG-verzoek is waarop u doelt.  Wij houden onze rol graag zuiver. Wij vertegenwoordigen cliënte alleen in de door u aangespannen beroepsprocedure inzake de Woo. Niet in overige zaken. Wij zijn bereid het AVG-verzoek – indien het bericht van 21 december 2023 inderdaad het AVG-verzoek betreft – eenmalig door te sturen naar cliënte, maar verzoeken u om eventuele toekomstige verzoeken rechtstreeks te richten aan cliënte door een bericht te sturen naar privacy@bibliotheek.[plaats].nl.” 1.7    Op 18 januari 2024 heeft de functionaris gegevensbescherming van de bibliotheek gereageerd op het AVG-verzoek van klager, met een kopie aan verweerder. Op 25 januari 2024 heeft klager de functionaris gegevensbescherming gevraagd of verweerders kantoor een vergoeding vroeg voor het doorzenden van de e-mail en het verlenen van juridisch advies.  1.8    Op 5 april 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.  a)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1, door pas op 13 december 2023 en daarmee te laat te wijzen op artikel 4.6 van de Woo. Als gevolg daarvan is de paragraaf uit het verweerschrift omtrent het misbruik van recht niet van toepassing en dat had verweerder moeten beseffen; b)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door de rechtbank te misleiden door met een voorbeeld te trachten het Woo-verzoek van klager als misbruik van recht aan te merken; c)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1 en 7, door niet tweemaal na te denken voordat hij onjuiste, schadelijke en niet gerelateerde informatie over klager in een juridisch document plaatste; d)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 3, door klagers vertrouwelijke e mails aan een theater in een juridische procedure in te brengen terwijl zij geen enkele relatie hebben met de organisatie die verweerder bijstaat. Het feit dat verweerder zich voorstelt als specialist in het privacyrecht moet volgens klager zwaarder wegen; e)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 7, door het AVG-verzoek van klager te labelen als ‘vervelend’.  f)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 21 lid 1, door het verweerschrift niet gelijktijdig aan klager te sturen; g)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 6, omdat klager het onprettig vindt dat verweerder een vergoeding heeft gevraagd aan zijn cliënt voor het doorsturen van het AVG-verzoek van klager; h)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door in zijn verweer op deze klacht te beweren dat het Woo-verzoek is afgewezen, terwijl het verzoek niet is behandeld door de bibliotheek; i)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door tijdens het dekenonderzoek niet de waarheid te vermelden dat hij in het telefoongesprek van 21 december 2023 zeer duidelijk aanduidde dat hij deels betrokken is geweest met het opstellen van het verweerschrift en wist bijzonder veel informatie over de inhoud van het verweerschrift te vermelden; 2.2    In zijn klacht heeft klager ook gewezen op de artikelen 21, 30k, 85 en 150 Rv, maar heeft daaraan geen klachten verbonden.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.  Klachtonderdelen a) tot en met f) 4.2    De voorzitter stelt vast dat het verweerschrift van 13 december 2023 door de kantoorgenoot van verweerder is ingediend. De inhoud daarvan dient dan ook voor haar rekening te komen. Dat verweerder met de inhoud van het verweerschrift bekend was als kantoorgenoot van mr. Van D en met haar (mogelijk) over de inhoud daarvan heeft gespard, zorgt niet dat de inhoud van dat processtuk ook aan hem toegerekend kan worden. Het is immers – enkel – mr. Van D geweest die de inhoud daarvan naar buiten heeft gebracht door dit in te brengen in de procedure. 4.3    Het voorgaande betekent dat de verwijten uit klachtonderdelen a) tot en met f) niet aan verweerder toegerekend kunnen worden. Die klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel g)  4.4    Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Aan klager komt dus geen klachtrecht toe om zich te beklagen over de kosten die verweerder eventueel in rekening brengt aan zijn cliënte. Klachtonderdeel g) is kennelijk niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel h) 4.5    Welke bestuursrechtelijke terminologie over een achterliggende bestuursrechtelijke procedure correct is, is in deze tuchtrechtelijke procedure niet relevant. Voor zover er al enig gewicht aan dit klachtonderdeel toegekend moet worden, is deze kennelijk ongegrond omdat nergens uit blijkt dat verweerder dit bewust fout heeft gedaan. Klachtonderdeel h) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel i) 4.6    Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het verweerschrift van zijn kantoorgenoot niet van hem afkomstig is. Dat hij bekend is met de inhoud van dat stuk en mogelijk ook over de inhoud daarvan heeft gespard met mr. Van D, laat onverlet dat het niet zijn verweerschrift is. Verweerder heeft daar dus ook niet over gelogen. Klachtonderdeel i) is kennelijk ongegrond. Conclusie 4.7    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdelen a) tot en met f), h) en i) kennelijk ongegrond verklaren. Klachtonderdeel g) is kennelijk niet-ontvankelijk.

BESLISSING De voorzitter: - verklaart klachtonderdelen a) tot en met f), h) en i), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond;  - verklaart klachtonderdeel g), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.