Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:224
Zaaknummer
25-203/AL/NN
Inhoudsindicatie
Naar het oordeel van de raad is verweerder niet tekortgeschoten in zijn zorgplicht richting klaagster. Hij heeft herhaaldelijk en duidelijk uitgelegd dat en waarom het gestarte kort geding ingetrokken moest worden. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat verweerder van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster ook opdracht heeft gekregen om namens klaagster een civiele procedure tegen de gemeente te starten. Dat daarover bij klaagster misverstand bestond door uitlatingen van een medewerkster van haar rechtsbijstandsverzekeraar, kan verweerder niet worden aangerekend. Voor zover klaagster ook heeft bedoeld heeft te klagen dat verweerder een verkeerde juridische route heeft genomen, wordt klaagster daar door de raad niet in gevolgd. Klaagster had daar eerder bezwaar over moeten maken, terwijl de keuze van verweerder om de Nationale Ombudsman in te schakelen juridisch bezien ook geen verkeerde keuze is geweest. Klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 13 oktober 2025
in de zaak 25-203/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 24 mei 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 27 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN070 / 2346423 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 5 september 2025. Daarbij waren klaagster, tijdens de zitting bijgestaan door haar ambulant begeleidster, en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2. Klaagster en haar partner (hierna ook: klaagster c.s.) zijn beiden ziek. Bij beschikking van 8 juni 2021 heeft de gemeente H bepaald dat zij wekelijks recht hebben op 4.40 uur huishoudelijke hulp (indicatiestelling).
2.2 Vanaf januari 2022 is deze huishoudelijke hulp uitgevoerd door [V]. Tussen klaagster c.s. en [V] en daarna ook met een WMO-ambtenaar van de gemeente H is een geschil ontstaan omdat niet de geïndiceerde uren bij klaagster c.s. is gewerkt. In mei 2022 is door de gemeente H de huishoudelijke hulp aan klaagster c.s. vrijwel stopgezet.
2.3 Klaagster c.s. hebben bij de gemeente H een klacht over een WMO-ambtenaar ingediend en zich ook beklaagd over de door de gemeente ingehuurde zorgverlener [V]. Voor juridische bijstand bij de zitting van de klachtbehandelaar van de gemeente H over de WMO-ambtenaar heeft klaagster c.s. zich gewend tot de rechtsbijstandsverzekeraar S. S heeft deze opdracht aan verweerder uitbesteed. Dit is door verweerder op 22 juli 2022 aan klaagster c.s. bevestigd onder dossiernummer 41807.
2.4 Verweerder heeft klaagster c.s. tijdens de klachtzitting over de WMO-ambtenaar in de zomer van 2022 bijgestaan. De klacht is deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
2.5 Verweerder heeft op zijn verzoek een extra bijdrage van S ontvangen. Verweerder heeft daarna de Nationale Ombudsman (NO) als bemiddelaar benaderd om de gemeente H te bewegen om de door klaagster c.s. geleden schade te vergoeden. Dit heeft niet tot resultaat geleid.
2.6 Op 26 augustus 2022 heeft verweerder aan klaagster c.s. de door de S aan hem uitbestede opdracht bevestigd onder dossiernummer 41874. Verweerder heeft daarin vermeld dat hij de opdracht heeft gekregen om een kort geding te starten tegen de gemeente H tot hervatting van de geïndiceerde huishoudelijke hulp aan klaagster c.s.
2.7 De rechtbank heeft een kortgedingzitting bepaald op 12 september 2022. In aanloop naar de zittingsdatum heeft de gemeente H een andere hulpverlenende instantie - Z - de huishoudelijke hulp bij klaagster c.s. laten hervatten. De behandeling in kort geding is daarop door de rechtbank op verzoek van partijen pro forma aangehouden tot 26 september 2022. De rechtbank heeft op 12 september 2022 schriftelijk aan partijen bericht dat het kort geding als ingetrokken zal worden beschouwd als uiterlijk op genoemde pro forma datum geen bericht bij de rechtbank is ontvangen.
2.8 Verweerder heeft dit bericht van de rechtbank op 15 september 2022 aan klaagster c.s. doorgestuurd. Klaagster c.s. heeft in verschillende e-mails daarna bij verweerder haar zorgen geuit dat het mogelijk toch niet goed zou komen met de hulp. Verweerder heeft in reactie daarop op 15 september 2022 om 10:42 uur onder meer aan klaagster gemaild:
Het lijkt mij van belang dat u eerst erop toelegt dat de huishoudelijke hulp via Z een succes wordt. Vanmiddag hebt u een gesprek met Z. Het kort geding gaat alleen om het hervatten van de huishoudelijke hulp. Voor een kort geding is vereist dat er een spoedeisend belang is en als de huishoudelijke hulp feitelijk is hervat kan ik niet anders dan het kort geding intrekken. De termijn van twee weken is afgesproken, verder uitstel kan niet.
2.9 Klaagster heeft verweerder daarop laten weten zich nog altijd zorgen te maken over de gang van zaken. In een e-mail van 16 september 2022:
- om 10:57 uur: heeft verweerder aan klaagster c.s. gemaild:
Wat ik wil gaan doen is contact opnemen met [naam] van Z. Ik kan niet meteen al inzetten op toch zitting kort geding, want dat gaan we geheid verliezen als ik niets probeer om het alsnog in goede banen te leiden. Als ik de uren optel kom ik tot 3 uur 40 en niet 4 uur 40 en dat is wel de afspraak: hervatting voor 4 uur 40. Verder zie ik niet de compensatie van 4 uur, deze is wel aangeboden. Overigens is de compensatie niet de inzet van het kort geding, dat is hervatten 4 uur 40. Dat de hulp op een middag komt in plaats van de ochtend: ik kan niet eisen dat het toch de ochtend wordt, in de beschikking van de 4 uur 40 staat niet dat het in de ochtend moet, in overleg met de advocaat van de gemeente is genoemd dat de ochtend uw wens is en dat dat geprobeerd wordt, dat zie ik ook terug in de mail van Z.
- om 11:16 uur: heeft klaagster c.s. hierop onder meer als volgt gereageerd:
(…) we zijn vanaf 12-09-2022 (zitting datum) niets opgeschoten. hoor graag vandaag van U hoe U onze positie correct gaat vertegenwoordigen, we krijgen dus geen hulp. !! we hebben voldoende meegewerkt. met minder gaan wij niet akkoord. eveneens zoals gesteld in de ochtend conform opgave briefstelling Arag 2016 indicatie medische grondslag. het is niet mijn probleem dat gemeente [naam] even snel een andere client tussentijds heeft toegevoegd. zij wist dus reeds dat de urenindicatie niet volledig zou worden uitgevoerd. ook dit was niet de afspraak. !! Z regelt maar dat de uren in de ochtend worden geleverd en wel volledig. hoe interesseert me niet. wij hebben overal aan meegewerkt. het is mooi geweest.
- om 11:38 uur: heeft verweerder aan klaagster c.s. gemaild:
Wat ik voorstel in mijn mail van 10.57 is wat ik kan doen. Meteen weer inzetten op zitting kort geding zal uitlopen op een mislukking dus dat ga ik niet doen.
Graag alsnog akkoord met wat ik voorstel.
- om 11:50 uur heeft de partner van klaagster aan verweerder gemaild:
uw repliek is helder. de indicatiestelling van 04.40 uur wordt niet uitgevoerd. ook wordt a.s. maandag niet zoals afgesproken aangevangen met de huishoudelijke Hulp verlening, zoals was afgesproken. de 4 is eveneens niet ingepland en erkend door de regio manager. U mag Bellen !!, ik citeer als volgt afspraken zijn er om te worden nageleefd. helaas blijkt dit opnieuw niet het geval. helaas heeft U nu voor de 2e keer aangegeven niet het kort geding te willen doorzetten. concreet een ieder verdiend aan ons, Partner zal direct nu contact opnemen met A om te verzoeken actie te ondernemen. we hebben geen enkel vertrouwen meer. Partner is reeds aan het bellen met A. hoor graag van u.
2.10 Op maandag 19 september 2022 om 9:03 uur heeft verweerder gereageerd op een e-mail van die ochtend namens klaagster. Verweerder heeft hierin onder meer geschreven:
Vrijdag gaf u per mail van 10.11 aan dat overleg met Z per direct is beëindigd en dat u per direct het kort geding wilt laten inplannen. Daarop heb ik gereageerd en heb ik u het voorstel gedaan: ik wil contact opnemen met [naam] van Z (mail 10.57 en wat ik wel en niet kan). Uit uw mail van 11.16 begrijp ik dat u het niet met mij eens bent. Dus geef ik om 11.38 uur nogmaals aan wat ik kan doen en vraag uw akkoord. Dat akkoord hebt u niet gegeven. In gesprek met mevrouw [naam] van A heb ik uitlag gegeven en genoemd wat ik wil en kan doen. Ook in uw mail van gisteren geen akkoord voor mijn voorstel wat ik wil doen richting Z
Dus nogmaals mijn vraag: stemt u in met wat ik heb voorgesteld op vrijdag 10.57? zo niet, dan lijkt het mij beter dat ik u niet meer bijsta (verschil van inzicht/ gebrek vertrouwen/ geen redelijke kans van slagen).
2.11 Verweerder heeft kort voor het verlopen van de pro forma termijn op 26 september 2022 aan de rechtbank bericht dat klaagster het kort geding intrekt.
2.12 Op 21 september 2023 heeft telefonisch contact tussen verweerder en een medewerkster van de S plaatsgevonden. Dit naar aanleiding van het verzoek van verweerder van 3 juni 2023 om een extra vergoeding voor het aanhangig maken van een civiele procedure tegen de gemeente H voor klaagster c.s. De medewerkster van S heeft verweerder laten weten dat deze civiele procedure onder de dekking viel van een eerdere uitbesteding en betaling aan verweerder. Verweerder was het daar niet mee eens. Op het schriftelijk rappel van verweerder daarover van 25 oktober 2023 heeft de S niet gereageerd.
2.13 Op 10 januari 2024 heeft een advocaat-klachtenfunctionaris van de S ter bevestiging van het telefoongesprek van die dag onder meer aan klaagster gemaild:
(…) Wij hebben besproken dat [verweerder] vindt dat hij van S geen opdracht heeft gekregen om de gemeente civielrechtelijk aan te spreken van de door u gesteld geleden schade van (afgerond) € 4.000,- en indien nodig tegen de gemeente een civielrechtelijke procedure te starten om dit bedrag op de gemeente te verhalen.
S stelt dat zij [verweerder] daar wel opdracht voor heeft gegeven en [verweerder] daar ook al voor heeft betaald. We hebben ook besproken dat u buiten deze discussie staat, maar daar nu wel de dupe van wordt omdat [verweerder] niets voor u doet. Omdat [verweerder] in uw ogen ook inhoudelijke fouten heeft gemaakt hebben we afgesproken dat ik S zal vragen om voor u een nieuwe advocaat te zoeken. (…)
2.14 Op 11 oktober 2024 heeft de advocaat van S gereageerd op het verzoek om rectificatie van verweerder en heeft onder meer aan verweerder geschreven:
Uiteraard heb ik Sgevraagd om te onderzoeken of er bij het verstrekken van de informatie aan mij wellicht een fout is begaan. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig te bepalen. Feit is dat [klaagster] schadevergoeding wenste omdat zij niet de hulp kreeg waarop zij meende recht te hebben. Ik begrijp dat u aan S hebt gevraagd om vergoeding van de kosten van bijstand bij een klacht bij de Ombudsman en ik begrijp dat S die extra vergoeding aan u heeft betaald. De Ombudsman heeft vervolgens kennelijk beslist dat hij geen schadevergoedingen kan toekennen, waarop u aan S hebt laten weten dat u dan een civiele procedure tegen de gemeente aanhangig wenste te maken en u vroeg om een vergoeding van uw honorarium daarvoor. S heeft die vergoeding niet verstrekt, kennelijk met de gedachte dat u al gevraagd had om een vergoeding voor het voeren van een procedure bij de Ombudsman voor hetzelfde door verzekerde gewenste doel, te weten het verkrijgen van schadevergoeding. Feit is evenwel dat ik uit de stukken niet kan afleiden dat S u een opdracht heeft gegeven om specifiek via de civiele weg schadevergoeding te verkrijgen. In zoverre hebt u dus een punt. Ik kan echter ook wel begrip hebben voor het standpunt van S dat zij, gezien de wens van verzekerde om schadevergoeding te krijgen, dacht dat met de vergoeding van uw honorarium voor de gang naar de Nationale Ombudsman in voldoende mate tegemoet gekomen was aan de vergoeding van de kosten van de benodigde rechtshulp, hetgeen mevrouw [naam] op 21 september 2023 met u heeft besproken.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
tegen de wens van klaagster in het kort geding tegen de gemeente H in te trekken; niets te doen met de opdracht van klaagster om de gemeente H aansprakelijk te stellen voor de door haar geleden schade van circa € 4.000,- en eventueel een civiele procedure te starten terwijl verweerder daarvoor wel betaling van de S heeft ontvangen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 Verweerder hoort nu voor het eerst dat klaagster hem verwijt dat hij het kort geding heeft ingetrokken. In september 2022 heeft hij uitvoerig met klaagster en haar partner gecorrespondeerd over de huishoudelijke hulp, de aanhouding van het kort geding en de uiteindelijke intrekking daarvan (de e-mails van 15, 16 en 19 september 2022). Verweerder kon het kort geding naar zijn deskundige inschatting niet handhaven omdat de gemeente de huishoudelijke hulp had hervat (onder druk van het kort geding) en het spoedeisende karakter aan de vordering daardoor was ontvallen. Klaagster was daarvan ook op de hoogte. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder nog toegelicht dat hij vanuit fatsoen ervoor heeft gekozen om kort voor het verstrijken van de uiterlijke termijn van 26 september 2022 de rechtbank en de gemeente actief te informeren dat klaagster het kort geding introk. Als hij niets van zich had laten horen, was het kort geding ook als ingetrokken beschouwd, dus dat had in feite niets uitgemaakt, aldus verweerder.
Klachtonderdeel b)
4.3 Voor de zaken van klaagster heeft hij drie vergoedingen van de S gekregen. Voor de eerste zaak, de klachtzaak tegen de WMO-ambtenaar/gemeente, heeft hij een vergoeding (spoedfee) van € 1.580,57 ontvangen (15 juli 2022). De tweede vergoeding kreeg hij om de klacht tegen de gemeente door te zetten naar de Nationale Ombudsman op 25 oktober 2022. Dit was geen aparte zaak (en er is dus geen aparte opdrachtbevestiging van), maar leverde hem op zijn verzoek wel een extra vergoeding op van € 1.000,- (incl. BTW). Voor de derde door hem ontvangen vergoeding van de S van € 795,45 heeft verweerder op 23 augustus 2022 de gemeente in kort geding gedagvaard om te zorgen dat de gemeente de huishoudelijke hulp aan klaagster c.s. zou hervatten. Dat kort geding is ingetrokken omdat de gemeente de huishoudelijke hulp inmiddels had hervat.
4.4 Hij heeft vervolgens op 5 september 2023 bij de S om een uitbesteding gevraagd voor het starten van een civiele procedure voor klaagster c.s. tegen de gemeente tot verkrijging van schadevergoeding. Op 21 september 2023 heeft hij daarover gebeld met mevrouw B van de S. Op 25 oktober 2023 heeft hij bij de S gerappelleerd. Verweerder heeft daar geen reactie op gekregen. De S heeft hem dan ook voor deze civiele procedure geen opdracht gegeven en dus ook niets aan hem betaald.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
5.4 Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting is de raad het volgende gebleken. Verweerder heeft een kort geding tegen de gemeente gestart. Daarin is namens klaagster c.s. hervatting van de geïndiceerde huishoudelijke hulp door de gemeente geëist. In aanloop naar dit kort geding, dat stond gepland op 12 september 2022, heeft de gemeente een andere hulpverlenende instantie ingeschakeld om de huishoudelijke hulp bij klaagster c.s. te verrichten. In zijn e-mail van 15 september 2022 heeft verweerder aan klaagster c.s. de reden van de met de gemeente afgesproken aanhouding van het kort geding met twee weken uitgelegd en klaagster c.s. gevraagd om de nieuwe hulpverlenende instantie, Z, een kans te geven. In dezelfde e-mail heeft hij ook gemeld dat als de gemeente voor 26 september 2022 de geïndiceerde huishoudelijke hulp feitelijk heeft hervat, hij het kort geding zal intrekken omdat dat dan juridisch kansloos is.
5.5 In de periode daarna heeft verweerder in zijn e-mails tussen 16 en 19 september 2022 begrip getoond voor de begrijpelijke zorgen van klaagster c.s. of de huishoudelijke hulp wel weer volledig zou worden hervat. Als belangenbehartiger moest hij klaagster c.s. echter ook wijzen op de juridische aspecten van de kwestie. Dat heeft verweerder naar het oordeel van de raad op zorgvuldige en deskundige wijze gedaan. In dat kader heeft verweerder duidelijk en herhaaldelijk aan klaagster c.s. gemeld dat bij hervatting van de huishoudelijke hulp aan klaagster c.s. voor 26 september 2022 de gemeente aan haar inspanningsverplichting had voldaan en een kort geding dan zinloos zou zijn. Op 19 september 2022 heeft verweerder duidelijk gemaakt wat hij nog voor klaagster c.s. kon en wilde doen en gemeld dat klaagster c.s. anders een andere advocaat moest zoeken. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat klaagster c.s. daarna de opdracht aan verweerder heeft ingetrokken. Omdat de gemeente voor het verlopen van de termijn tot 26 september 2022 toezegde middels het inschakelen van een nieuwe hulpverlenende instantie aan de indicatiestelling te voldoen, was het naar het oordeel van de raad een terechte en correcte beslissing van verweerder om de rechtbank te informeren over de intrekking van het kort geding. Bij uitblijven van een tijdige reactie van verweerder namens klaagster c.s. was het kort geding anders ook door de rechtbank als ingetrokken beschouwd.
5.6 Klaagster heeft nog tijdens de zitting van de raad gesteld dat haar partner en zij hadden begrepen dat het kort geding tegen de gemeente voor onbepaalde tijd was aangehouden om als een stok achter de deur te dienen. De raad volgt klaagster c.s. hier niet in. Verweerder heeft de brief van de rechtbank van 12 september 2022 aan klaagster doorgestuurd en klaagster heeft daarvan kennis genomen. In die brief werd door de rechtbank bericht over de eenmalige aanhouding van het kort geding. Zowel uit de brief van de rechtbank als uit de vele correspondentie van verweerder had klaagster c.s. kunnen en moeten begrijpen dat hun eigen aanname niet juist was. Bij twijfel daarover hadden zij zich met verweerder moeten verstaan. Dat dat is gebeurd, is de raad echter niet gebleken.
5.7 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder op juiste wijze namens klaagster c.s. heeft gehandeld zodat hem aldus tuchtrechtelijk geen verwijt treft. Daarom wordt klachtonderdeel a) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.8 De raad is uit de stukken niet gebleken dat de S aan verweerder ook de opdracht heeft gegeven voor het voeren van een civiele procedure namens klaagster tegen de gemeente voor vergoeding van de beweerdelijk door klaagster geleden schade. Evenmin is gebleken dat verweerder daarvoor geld van S heeft ontvangen.
5.9 Voor zover klaagster heeft bedoeld te klagen over het feit dat verweerder de verkeerde juridische route heeft genomen door naar de Nationale Ombudsman te gaan en niet meteen een civiele procedure tegen de gemeente te starten, volgt de raad klaagster daar niet in. Als klaagster het in de zomer van 2022 niet eens was geweest met de door verweerder met haar besproken route om de Nationale Ombudsman in te schakelen, dan had het toen op haar weg gelegen om daar werk van te maken. Zo had zij toen contact met verweerder kunnen opnemen om haar bezwaren over die route te bespreken dan wel had zij zich daarover kunnen verstaan met de S. Dat klaagster dit in die tijd heeft gedaan is de raad uit de stukken niet gebleken. De raad merkt nog op dat de keuze van verweerder om de Nationale Ombudsman in te schakelen ook juridisch bezien geen verkeerde keuze is geweest.
5.10 De raad begrijpt dat klaagster begin 2024 in verwarring is geraakt over de inhoud van de verschillende uitbestedingen en betalingen door de S aan verweerder na contact met een medewerkster van de S. Die medewerkster van de S heeft klaagster c.s. echter niet juist geïnformeerd, zoals volgt uit de e-mail van de advocaat van de S van 11 oktober 2024.
5.11 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor klaagster c.s. Nu van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder dan ook geen sprake is, wordt klachtonderdeel b) eveneens ongegrond verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. M.M. Mok en G.N. Paanakker, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 oktober 2025
