Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:192
Zaaknummer
25-505/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een bestuursrechtelijke procedure. Verweerster mocht onder meer het standpunt innemen dat klager misbruik maakte van de Wet open overheid, mocht uitgaan van de informatie die zij van haar cliënte kreeg en was niet verplicht om klager gelijktijdig het verweerschrift toe te sturen. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 1 oktober 2025 in de zaak 25-505/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 juli 2025 met kenmerk K091 2024 en van de op de inventaris genoemde bijlagen.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Op 9 oktober 2023 heeft klager een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) gedaan bij [een bibliotheek]. Het verzoek is niet in behandeling genomen dan wel afgewezen, omdat de bibliotheek zich op het standpunt stelde dat zij geen bestuursorgaan is en dus niet onder de Woo valt. Klager heeft hiertegen op 27 november 2023 een beroep wegens het niet tijdig beslissen ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. 1.2 Op 13 december 2023 heeft verweerster een verweerschrift ingediend namens de bibliotheek. In het verweerschrift is primair het standpunt ingenomen dat de bibliotheek geen bestuursorgaan is en zodoende de Woo niet op haar van toepassing is. Subsidiair is het standpunt ingenomen dat sprake is van misbruik van recht, waarbij onder meer is geschreven: “De Bibliotheek heeft in het recente verleden enkele vervelende ervaringen gehad met [klager]. In het voorjaar van 2023 werd er door andere bezoekers van de Bibliotheek (centrale vestiging) geklaagd over het gedrag van [klager] die ongevraagd foto’s zou hebben gemaakt van minderjarige meisjes. [Klager] is toen aangesproken op zijn gedrag. Sindsdien ontvangt de Bibliotheek regelmatig klachten en verzoeken van [klager]. (…)” 1.3 Op 21 december 2023 heeft klager telefonisch contact gezocht met verweerster. Vanwege haar afwezigheid, heeft mr. Van H klager te woord gestaan. Daarna heeft klager aan mr. Van H geschreven: “Hierbij nogmaals het verzoek om het beroepsverweerschrift van de zaak ROT 23/7832 digitaal te ontvangen. Het betreft de zaak van de bibliotheek [plaats]. Ik had u al vandaag gesproken. Ik zou het digitale beroepsverweerschrift via het secretariaat ontvangen. Dat heb ik niet ontvangen, ondanks het feit, dat een tijd heb afgewacht. Ik wil tevens nog steeds weten hoe ik ben geïdentificeerd door de bibliotheek [plaats] na het zogenaamde voorval aan het begin van het jaar 2023 en of er nog steeds informatie in bepaalde systeem omtrent mijn persoon te vinden is.” 1.4 Op 22 december 2023 heeft mr. Van H het verweerschrift digitaal aan klager toegezonden, met de begeleidende tekst: “Onderhavige procedure betreft een bestuursrechtelijke procedure, waarbij de rechtbank zorgt voor verzending van de stukken aan de wederpartij. Het is niet gebruikelijk dat het bestuursorgaan een afschrift van het verweerschrift naar de wederpartij stuurt, behoudens wanneer stukken worden ingediend kort voor een geplande zitting. Dit is hier niet het geval. Ik begrijp dat u het verweerschrift inmiddels ook in hard-copy hebt ontvangen van de rechtbank. Coulancehalve treft u bijgaand een digitaal afschrift aan van het verweerschrift. Indien u wilt weten hoe de Bibliotheek u geïdentificeerd heeft met betrekking tot het voorval in het voorjaar van 2023 en welke informatie hierover aanwezig is in de systemen van de Bibliotheek, dan kunt u een inzageverzoek ex artikel 15 AVG indienen bij de Bibliotheek. De Bibliotheek zal dit verzoek vervolgens in behandeling nemen.” 1.5 Op 28 december 2023 heeft klager bij de rechtbank een reactie ingediend op het verweerschrift. 1.6 Op 10 januari 2024 heeft mr. Van H aan klager geschreven: “Wij verwijzen naar uw e-mailbericht van 28 december 2023. Woo-verzoek Zoals u bekend, stelt cliënte zich op het standpunt dat zij geen bestuursorgaan is en dat de Woo niet op haar van toepassing is. Cliënte zal daarom niet beslissen op uw nieuwe Woo-verzoek van 28 december 2023 met betrekking tot de factuur voor het opstellen van het verweerschrift. Mocht de rechtbank oordelen dat de Woo wel op cliënte van toepassing is, dan zal cliënte uw Woo-verzoek alsnog in behandeling nemen en daarop beslissen. AVG-verzoek U verwijst naar een AVG-verzoek van 22 december 2023. Wij hebben navraag gedaan bij cliënte of zij bekend is met een AVG-verzoek van die datum. Dit was echter niet het geval. Ook wij zijn niet bekend met een AVG-verzoek van 22 december 2023. Wel zijn wij bekend met een e-mail die u ons stuurde op 21 december 2023 waarin u schreef: “Ik wil tevens nog steeds weten hoe ik ben geïdentificeerd door de bibliotheek [plaats] na het zogenaamde voorval aan het begin van het jaar 2023 en of er nog steeds informatie in bepaalde systeem omtrent mijn persoon te vinden is.” Graag vernemen wij of dit het AVG-verzoek is waarop u doelt. Wij houden onze rol graag zuiver. Wij vertegenwoordigen cliënte alleen in de door u aangespannen beroepsprocedure inzake de Woo. Niet in overige zaken. Wij zijn bereid het AVG-verzoek – indien het bericht van 21 december 2023 inderdaad het AVG-verzoek betreft – eenmalig door te sturen naar cliënte, maar verzoeken u om eventuele toekomstige verzoeken rechtstreeks te richten aan cliënte door een bericht te sturen naar privacy@bibliotheek.[plaats].nl.” 1.7 Op 18 januari 2024 heeft de functionaris gegevensbescherming van de bibliotheek gereageerd op het AVG-verzoek van klager, met een kopie aan mr. Van H. Op 25 januari 2024 heeft klager de functionaris gegevensbescherming gevraagd of het kantoor van mr. Van H een vergoeding vroeg voor het doorzenden van de e-mail en het verlenen van juridisch advies. 1.8 Op 18 april 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. a) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1, door pas op 13 december 2023 en daarmee te laat te wijzen op artikel 4.6 van de Woo. Als gevolg daarvan is de paragraaf uit het verweerschrift omtrent het misbruik van recht niet van toepassing en dat had verweerster moeten beseffen; b) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door de rechtbank te misleiden door met een voorbeeld te trachten het Woo-verzoek van klager als misbruik van recht aan te merken; c) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1 en 7, door niet tweemaal na te denken voordat hij onjuiste, schadelijke en niet gerelateerde informatie over klager in een juridisch document plaatste; d) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 3, door klagers vertrouwelijke e mails aan een theater in een juridische procedure in te brengen terwijl zij geen enkele relatie hebben met de organisatie die verweerster bijstaat. Het feit dat verweerster zich voorstelt als specialist in het privacyrecht moet volgens klager zwaarder wegen; e) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 7, door het AVG-verzoek van klager te labelen als ‘vervelend’; f) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 21 lid 1, door het verweerschrift niet gelijktijdig aan klager te sturen; g) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 6, omdat klager het onprettig vindt dat verweerster een vergoeding heeft gevraagd aan zijn cliënt voor het doorsturen van het AVG-verzoek van klager; h) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door in haar verweer op deze klacht te beweren dat het Woo-verzoek is afgewezen, terwijl het verzoek niet is behandeld door de bibliotheek; 2.2 In zijn klacht heeft klager ook gewezen op de artikelen 21, 30k, 85 en 150 Rv, maar heeft daaraan geen klachten verbonden.
3 VERWEER 3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Klachtonderdelen a) en b) 4.2 Verweerster heeft zich namens haar cliënte op het standpunt gesteld dat klager misbruik maakte van de Woo. Het is niet aan de tuchtrechter, maar aan de bestuursrechter om daarover te oordelen. Als klager het daarmee niet eens is, kan hij zich daartegen verweren in de bestuursrechtelijke procedure. Klachtonderdelen a) en b) zijn kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel c) 4.3 Dit klachtonderdeel is door klager niet geconcretiseerd. Dit kan dan ook niet leiden tot een gegronde tuchtklacht. Bovendien kon klager de inhoud van het verweerschrift in de bestuursrechtelijke procedure weerleggen. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d) 4.4 Verweerster mag de informatie die zij van haar cliënte ontvangt gebruiken in haar processtukken. Dat het theater de e-mails van klager niet had mogen doorsturen aan de bibliotheek, aldus klager, is iets waar verweerster geen rekening mee heeft hoeven houden. Zij mocht de informatie gebruiken die zij van haar cliënte heeft ontvangen. Dat klager zijn e-mails als vertrouwelijk beschouwt, betekent ook niet dat zij daarom mede gelet op gedragsregel 3 door verweerster als vertrouwelijk moeten worden beschouwd. Als klager de inhoud van die e-mails bovendien niet relevant vindt, dan kan hij zich ook op dat standpunt stellen in de bestuursrechtelijke procedure. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel e) 4.5 Klager heeft niet geconcretiseerd waar verweerster de term ‘vervelend’ in de door hem geschetste context heeft gebruikt. Verweerster heeft ook betwist dat zo te hebben gedaan. Slechts gebleken is dat verweerster heeft opgemerkt dat de bibliotheek ‘enkele vervelende ervaringen’ met klager zou hebben gehad, maar daar ziet de klacht niet op. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel f) 4.6 Klager werd niet bijgestaan door een advocaat. Verweerster was dus niet verplicht op grond van gedragsregel 21 om het verweerschrift gelijktijdig aan klager te sturen. Klager heeft in een eerdere tuchtrechtelijke procedure al tevergeefs betoogd dat hij als ‘overige betrokkene’ ook een kopie dient te krijgen, maar die argumentatie gaat nog steeds niet op onder verwijzing naar het eerdere oordeel van de raad (RvD Den Haag 3 juni 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:117) en de bevestiging daarvan van het Hof van Discipline (HvD 17 maart 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:43). Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel g) 4.7 Dit klachtonderdeel ziet op het handelen van de kantoorgenoot van verweerster, mr. Van H. De klacht is alleen daarom al kennelijk ongegrond. Bovendien geldt dat klager als wederpartij ook geen belang heeft bij een klacht over de kosten die het kantoor van verweerster eventueel in rekening brengt bij de cliënt. Klachtonderdeel h) 4.8 Welke bestuursrechtelijke terminologie over een achterliggende bestuursrechtelijke procedure correct is, is in deze tuchtrechtelijke procedure niet relevant. Voor zover er al enig gewicht aan dit klachtonderdeel toegekend moet worden, is deze kennelijk ongegrond omdat nergens uit blijkt dat verweerster dit bewust fout heeft gedaan. Klachtonderdeel h) is kennelijk ongegrond. Conclusie 4.9 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in zijn geheel kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
