Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:196

Zaaknummer

250245

Inhoudsindicatie

Het hof verklaart het beklag tegen de beslissing van de deken om geen advocaat aan te wijzen ongegrond. 

Uitspraak

Beslissing van 10 oktober 2025 in de zaak 250245      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    klager      tegen:     de deken

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 4 juni 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de erfrechtelijke kwestie waarvoor klager bijstand verzoekt al bij zijn rechtsbijstandverzekeraar ARAG in behandeling is (geweest) en dat ARAG klager meerdere malen heeft bericht dat een procedure geen kans van slagen heeft. Ook de voormalige advocaat van klager, mr. S., heeft aangegeven dat zij geen procedure zal starten vanwege bewijsproblemen aan de zijde van klager en het ontbreken van voldoende financieel belang. Op het verzoek van de deken aan klager om toe te lichten waarom de procedure wel kansrijk zou zijn, heeft klager niet gereageerd. Evenmin is gebleken dat ARAG op onredelijke wijze weigert bijstand te verlenen of dat de dekking ontoereikend is. Al met al is de deken van oordeel er een gegronde reden is om het verzoek om aanwijzing van een advocaat af te wijzen nu meerdere personen tot de conclusie zijn gekomen dat het starten van een procedure onvoldoende kans van slagen heeft.

Bij het hof 1.3    Klager heeft op 23 juni 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier: -    het verweer van de deken -    de repliek.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Op 16 april 2025 heeft klager per webformulier bij de deken een verzoek ingediend om aanwijzing van een advocaat die hem en zijn broer bij kan staan in een procedure om de erfenis van hun overleden ouders te verkrijgen.

2.2     Bij brief van 17 april 2025 heeft de deken klager verzocht een nadere toelichting te geven over een eventueel eerder gevoerde procedure bij de rechtbank en een nadere toelichting over de kans van slagen, nu zijn voormalig advocaat mr. S. zou hebben aangegeven dat zij geen procedure aanhangig wil maken omdat de zaak geen  kans van slagen zou hebben.   2.3    Diezelfde dag heeft klager de deken bericht dat er nog niet eerder een procedure is geweest,  dat hij met spoed conservatoir beslag op de erfenis van zijn moeder wil laten leggen en dat hij geen toegang krijgt tot de goederen die zouden behoren tot de erfenis van zijn moeder. Ook heeft klager aangegeven dat hij een procedure tegen een woningbouwvereniging wil starten.

2.4    Op 2 mei 2025 heeft de deken klager gevraagd voor welke specifieke procedure hij een advocaat zocht, nu de deken maar voor één procedure een advocaat aanwijst. Ook is hem gevraagd om een nadere toelichting over een procedure bij de rechtsbijstandsverzekeraar, nu er kennelijk al een zaak in behandeling is genomen. Verder is klager voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om schriftelijke afwijzingen van de advocaten die hij zou hebben benaderd toe te sturen. 

2.5    Klager heeft de deken diezelfde dag een nadere toelichting gegeven over de procedure(s) waarvoor hij een advocaat zoekt. Klager heeft de deken onder meer  een e-mail van mr. S van 10 januari 2025 toegestuurd waarin zij onder meer schrijft:

“Ik had u al eerder bericht dat ik geen procedure zal starten over enkel goederen/ spullen. Ik was en ben van mening dat hier een bewijsprobleem aan uw zijde ligt. Ik las in de stukken dat ook de ARAG die mening is toegedaan. Voorts, nu het bedrag van € 1.821,-- is teruggestort op de ervenrekening, is het belang in financieel opzicht (niet vanuit emotioneel opzicht) te gering om over te procederen. (…) Ik kan mij voorstellen dat u erg boos bent over de gehele gang van zaken. Helaas moet ik u berichten dat ik geen procedure voor u aanhangig zal maken. Als advocaat heb ik mijn verantwoordelijkheid om een beoordeling te maken of een procedure enige kans van slagen heeft, voordat ik een procedure aanhangig maak. Mijn inschatting is dat een procedure geen/weinig kans van slagen heeft. Een andere reden is dat het belang in financieel opzicht mijns inziens te klein is. Dit meet ik onder andere af aan de grens die de Raad voor Rechtsbijstand stelt aan het financiële belang.” 

2.6     De deken heeft klager op 15 mei 2025 bericht dat hij geen advocaat aanwijst in de gevallen dat een rechtsbijstandverzekering dekking biedt voor deze zaak. Alleen wanneer in dit geval ARAG op onredelijke wijze weigert klager bijstand te verlenen of wanneer de dekking ontoereikend blijkt te zijn, is dat anders, maar dat is volgens de deken vooralsnog niet gebleken. De beoordeling over de kans van slagen hoeft mogelijk niet te gelden als onredelijke weigering. Tot slot heeft de deken klager erop gewezen dat hij zijn zoektocht naar een advocaat onvoldoende bij de deken heeft aangetoond. Bij wijze van uitzondering is klager nogmaals in de gelegenheid gesteld een en ander toe te lichten en te onderbouwen. 

2.7    Diezelfde dag heeft klager de deken correspondentie met de Raad voor Rechtsbijstand en met zijn voormalig advocaat mr. S. toegestuurd. Daarnaast heeft hij schriftelijke afwijzingen van advocaten die hij heeft benaderd toegestuurd. 

2.8    Op 4 juni 2025 heeft de deken het verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen.

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag 3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager legt een e-mail van 11 maart 2025 over van mw. mr. B., stagiaire van mr. K., die aangeeft dat het er op lijkt dat ARAG de zaak te vroeg heeft afgesloten. Volgens klager is er geen sprake meer van een eerlijk rechtssysteem in Nederland en is het erg lastig om je recht te behalen. Klager is door ARAG en mr. S. verwezen naar politie en justitie voor een strafrechtelijk onderzoek, maar de politie verwijst weer naar de civiele rechtsgang. Tot slot heeft klager nog een e-mail overgelegd van de Raad voor Rechtsbijstand waarin wordt aangegeven dat het door klager geschetste geschil valt onder de reeds verleende toevoeging.

Verweer 3.2    Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Vaststaat dat klager door zijn rechtsbijstandverzekeraar ARAG in 2023 is bijgestaan in de kwestie waarin hij thans om aanwijzing van een advocaat verzoekt (afwikkeling nalatenschap van de overleden moeder en de gestelde schade die de nalatenschap heeft geleden door handelen van de partner van de moeder). Nadat ARAG had aangegeven dat zij niets meer kon betekenen voor klager heeft klager zich gewend tot mr. S. Zij heeft klager begin 2025 laten weten geen procedure te zullen starten vanwege bewijsproblemen (bij het vorderen van persoonlijke spullen) en dat het belang in financieel opzicht (niet vanuit emotioneel opzicht) te gering is om over te procederen. 

4.3    De deken heeft klager in de gelegenheid gesteld om toe te lichten dat ARAG hem op onredelijke wijze weigert bijstand te verlenen of aan te geven dat de dekking ontoereikend blijkt te zijn. Klager heeft hier niet op gereageerd. ARAG heeft  aangegeven geen advocaat te willen inschakelen omdat de kans van slagen gering was. Voor zover klager met de e-mail van mevrouw B. al dan niet mede namens mr. K heeft bedoeld te onderbouwen dat ARAG hem rechtsbijstand weigert, is het hof van oordeel dat uit de overgelegde e-mail niet blijkt dat mevrouw B. over het volledig dossier beschikt en dat heeft beoordeeld. Het bericht van mevrouw B. is een reactie op de e-mail die klager naar heel veel advocatenkantoren heeft gestuurd, waarin hij zijn situatie uiteenzet en om bijstand verzoekt. Onderliggende stukken om de haalbaarheid van een procedure in te schatten, waren hier niet aan toegevoegd. De reactie van mevrouw B. is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat ARAG klager op onredelijke wijze bijstand weigert. Dat het geschil valt onder de reeds verleende toevoeging maakt het voorgaande niet anders. 

4.4    Het hof is dan ook van oordeel dat de deken terecht heeft mogen concluderen dat de door klager gewenste procedure tegen onder meer de partner van zijn overleden moeder geen redelijke kans van slagen heeft. 

4.5    Dat klager door de politie is verwezen naar de civiele rechtsgang betekent niet dat de deken gehouden is klager een advocaat aan te wijzen. De deken heeft klager er bovendien reeds op gewezen dat voor het doen van aangifte of het starten van een artikel 12 Wetboek van Strafvordering procedure een advocaat niet verplicht of geboden is.

4.6    Het hof zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 4 juni 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en J.H. Brouwer, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2025.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 oktober 2025.