Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-09-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:190

Zaaknummer

25-478/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door namens zijn cliënten aanspraak te maken op het (stil) pandrecht. Verder is niet gebleken dat verweerder heeft ingestemd met het afwachten van het kort geding totdat hij namens zijn cliënte zou overgaan tot het uitwinnen van de pandrechten.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 17 september 2025 in de zaak 25-478/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager 1

en

[…] B.V. klaagster 2

en

[…] B.V. klaagster 3

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 21 juli 2025 met kenmerk K147 2024 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagekomen stukken van klager van 28 juli 2025. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager 1 is (indirect) bestuurder en aandeelhouder van klaagster 2 en klaagster 3. 1.2    Op 9 juni 2022 is klaagster 2 een koopovereenkomst aangegaan met HB B.V. voor de aandelen in klaagster 3. Een deel van de koopsom bestond uit een ‘earn-out’ regeling, afhankelijk van het bedrijfsresultaat over de boekjaren 2022 en 2023, en een ‘vendor loan’ verstrekt door HB B.V. aan klaagster 2. Daarnaast had HB B.V. een vordering in rekening-courant op klaagster 3 en verkreeg zij pandrechten op de debiteuren van klaagster 2 en klaagster 3. 1.3    In 2023 is een geschil ontstaan over de informatievoorziening voor het vaststellen van de earn-out regeling over 2022. Nadat een andere vennootschap van klager failliet is verklaard, heeft HB B.V. aangedrongen op het ontvangen van informatie, ten behoeve van het maken van een risico-afweging om aanspraak te maken op het pandrecht. HB B.V. is in dit geschil bijgestaan door verweerder. 1.4    Op 10 mei 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klagers geschreven: “(…) Op 18 en 29 april 2024 zijn [klaagster 2] en [klaagster 3] verzocht en gesommeerd om aan hun (informatie)verplichtingen onder de vendor loan en rekening-courant overeenkomsten te voldoen. [Klaagster 2] en [klaagster 3] hebben daaraan geen gehoor gegeven. Gevolg is dan ook dat zowel de vendor loan als de rekening-courant onmiddellijk opeisbaar zijn geworden op grond van art. 4.1 van die overeenkomsten. Niet alleen is niet voldaan aan meerdere informatieverplichtingen zoals overeengekomen in art. 7.1 van de overeenkomsten, maar gezien het faillissement van het sterk verweven [andere vennootschap van klager 1] leeft bij cliënte de – terechte – vrees dat de verhaalbaarheid van de resterende hoofdsommen, vermeerderd met kosten, boetes en rente beduidend zal verminderen (art. 4.1b). [HB B.V.] eist hierbij zowel de vendor loan als de rekening-courant onmiddellijk en geheel op. (…) Blijft tijdige betaling uit, dan zal cliënte zich genoodzaakt zien haar pandrechten uit te oefenen. (…)” 1.5    Op 17 mei 2024 heeft de advocaat van klagers daarop gereageerd, waarin hij betwist dat van enige directe opeising sprake kan zijn en dat daarom ook de pandrechten niet kunnen worden uitgeoefend. Daarbij heeft de advocaat aangekondigd opdracht te hebben gekregen een kort geding te starten met een vordering van een executieverbod, waarbij hij aangeeft:  “Ik ga ervan uit dat hangende dit kort geding [HB B.V.] even pas op de plaats maakt. Ook daar ontvang Ik graag van u binnen de gestelde termijn de bevestiging van, bij gebreke van welke bevestiging een kort geding met voorbijgaan aan verhinderdata en verkorting van de dagvaardingstermijn op de kortst mogelijke termijn zal worden aangevraagd.”  1.6    Op 18 mei 2024 heeft verweerder zijn verhinderdata doorgegeven voor het kort geding. Er is geen bevestiging gegeven op het ‘pas op de plaats’ maken. 1.7    Op 23 mei 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klagers geschreven: “Cliënten zijn inmiddels al meer dan een jaar aan het discussiëren over de (informatie-)verplichtingen van uw cliënt. In de tussentijd weigert uw cliënt aan de concrete informatieverzoeken te voldoen, of zelfs maar uit te leggen waarom niet aan (specifieke onderdelen van) die verzoeken zou kunnen worden voldaan. Telkens werpt uw cliënt discussiepunten op en wordt de stelling ingenomen dat ‘er al voldoende gedeeld is’. Kortom: we vallen in herhaling. Ook onderstaand bericht – waarin overduidelijk naar spijkers op laag water wordt gezocht – is daar een voorbeeld van. Uw cliënt bevindt zich echter niet in de positie te menen dat er al voldoende gedeeld is en achterover te leunen. In zowel de koopovereenkomst als de vendor loan en de rekening-courant zijn duidelijke afspraken gemaakt over welke (informatie-)verplichtingen op uw cliënt(en) rusten. Cliënte heeft daar inmiddels meermaals op gewezen. Zoals aangegeven levert het niet voldoen aan de (informatie-)verzoeken meerdere gronden voor de onmiddellijke opeisbaarheid van de gehele vendor loan en rekening-courant op. Eén van die gronden is inderdaad de vrees dat de verhaalbaarheid van de (resterende) hoofdsom, vermeerderd met kosten, boetes en rente beduidend zal verminderen (een en ander uitsluitend ter beoordeling van [HB B.V.]. Faillissement van het sterk verwezen [andere vennootschap van klager 1] heeft bij [HB B.V.] uiteraard die vrees gewekt. Het feit dat uw cliënt vervolgens heeft geweigerd ook maar iets van financiële informatie te delen, doet deze vrees logischerwijs alleen maar toenemen en lever bovendien ene zelfstandige opeisingsgrond op. (…)” 1.8    Verweerder heeft desgevraagd op 11 juni 2024 zijn aanvullende verhinderdata doorgegeven. 1.9    Op 12 juni 2024 is een datum voor het kort geding aangevraagd en is de conceptdagvaarding aan verweerder verzonden. Op 13 juni 2024 is de datum bepaald op 7 augustus 2024. 1.10    Op 17 juni 2024 heeft de deurwaarder in opdracht van verweerder een brief betekend aan zestien opdrachtgevers van klagers, waarin wordt overgegaan tot uitwinning van de pandrechten.  1.11    Op 18 juni 2024 heeft de advocaat van klagers aan verweerder onder meer geschreven: “Van cliënten vernam ik dat uw cliënte het kort geding kennelijk niet afwacht. Ik begrijp dat zij is overgegaan tot het aanschrijven van verpande debiteuren met als doel over te gaan tot uitwinning van haar pandrechten. Met cliënte ga ik er – gelet op de eerdere toegezonden concept dagvaarding – vanuit dat uw cliënte bekend is met het standpunt van mijn cliënten te dien aanzien: de vorderingen van uw cliënte zijn niet opeisbaar, zij is in (schuldeisers)verzuim en kan derhalve ook niet overgaan tot uitwinning van haar pandrechten. (…)’’ Diezelfde dag is ook de dagvaarding betekend aan de cliënte van verweerder. Ook hebben klagers de debiteuren medegedeeld dat zij niet bevrijdend aan HB B.V. kunnen betalen, waarna diverse debiteuren te kennen hebben gegeven de gelden onder zich te houden totdat duidelijk was aan wie betaald moest worden. 1.12    Op 20 juni 2024 heeft de advocaat van klagers een vervroegde datum voor het kort geding aangevraagd. Op 4 juli 2024 is het kort geding ter zitting behandeld.  1.13    Bij vonnis van 12 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, geoordeeld dat de vorderingen nog niet opeisbaar waren en dat er geen pandrecht was gevestigd tot zekerheid van de betaling van de earn-out. HB B.V. is vervolgens veroordeeld om onmiddellijk na betekening van het vonnis de uitoefening van haar pandrechten te staken. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. 1.14    Op 7 augustus 2024 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende.  a)    Verweerder heeft onterecht zekerheden opgeëist voor de earn-out, terwijl hij als advocaat wist dat het pandrecht niet zag op de earn-out verplichtingen en dat ‘opeising’ (waarmee ‘openbaarmaking’ zal zijn bedoeld) onterecht zou zijn; b)    Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan eigenrichting en in strijd gehandeld met gedragsregel 6 lid 2 door de indruk te wekken het kort geding af te wachten en dat vervolgens niet te doen waarbij hij dat ook niet aan klagers heeft gemeld (zodat klagers om een eerdere datum van kort geding hadden kunnen vragen). Evenmin heeft hij  klagers geïnformeerd over de voorgenomen executiemaatregelen; c)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 6 lid 1, door klagers onnodige kosten te laten maken voor het laten betekenen van een tweede dagvaarding; d)    Verweerder heeft klagers niet geïnformeerd welke debiteuren zijn aangeschreven, zodat klagers niet schadebeperkend hadden kunnen optreden. Voor klagers 2 en 3 is het openbaren van de pandrechten uiterst schadelijk, nog los van het feit dat de naam van klager 1 door verweerder hierdoor onterecht door de modder wordt gehaald.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Ontvankelijkheid 4.1    Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen.  4.2    De voorzitter stelt vast dat het geschil heeft plaatsgevonden tussen enerzijds klaagsters 2 en 3 en anderzijds verweerder(s cliënte). Klager 1, die directeur/enig aandeelhouder is in klaagsters 2 en 3, is daarin niet direct betrokken geweest als natuurlijk persoon. De omstandigheid dat klager 1 meent dat zijn goede naam door het slijk wordt gehaald, is gelegen in zijn hoedanigheid van directeur/enig aandeelhouder in klaagsters 2 en 3, zodat ook hierom geen zelfstandig eigen belang aan klager 1 kan worden toegekend. Dat betekent dat klager 1 kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn klacht. 4.3    Klaagsters 2 en 3 zijn wel ontvankelijk in hun klacht. Dat betekent dat de voorzitter hierna toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht. De voorzitter zal klaagsters 2 en 3 hierna gezamenlijk aanduiden als ‘klaagsters’. Toetsingskader 4.4    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Beoordeling Klachtonderdelen a)  4.5    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door namens zijn cliënten aanspraak te maken op het (stil) pandrecht. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat sprake was van verzuim, het niet nakomen van een informatieverplichting, waarover hij klaagsters al meerdere keren had aangeschreven. Dat verweerder als partijdig advocaat voor zijn cliënt is overgegaan tot openbaarmaking van het pandrecht omdat zijn cliënt vreesde dat bepaalde vorderingen niet zouden worden betaald, valt onder de vrijheid die verweerder als advocaat toekomt. Dat hij hiermee nadeel toebrengt aan klaagsters, is niet ongeoorloofd. Daarbij is ook van belang dat verweerder geen evident onpleitbaar standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat een voorzieningenrechter in kort geding een voorlopig oordeel heeft gegeven dat het pandrecht onterecht is uitgeoefend, is onvoldoende om te spreken dat verweerder ondoelmatig heeft gehandeld ten opzichte van klaagsters. Het is eigen aan juridische procedures dat een van de partijen in het ongelijk wordt gesteld. Dat klaagsters financieel nadeel hebben ondervonden, maakt het handelen van verweerder evenmin reeds daarom ondoelmatig. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) 4.6    Daarnaast is niet gebleken dat verweerder heeft ingestemd het afwachten van het kort geding totdat hij namens zijn cliënte zou overgaan tot het uitwinnen van de pandrechten. Dat klaagsters menen dat deze instemming impliciet is gegeven omdat verweerder zijn verhinderdata voor het kort geding heeft doorgegeven, berust op een misvatting van klaagsters. Evenmin was verweerder gehouden om los daarvan ook een pas op de plaats te maken, enkel omdat een kort geding was aangekondigd dan wel dagvaarding al was betekend. De voorzitter stelt overigens vast dat verweerder al op 10 mei 2024 heeft aangekondigd dat hij namens zijn cliënte het pandrecht openbaar zou maken als niet aan de informatieverplichting zou worden gedaan. Alleen daarom al kan geen sprake zijn van een schending van gedragsregel 6 lid 2. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel c) 4.7    Zoals hiervoor is geoordeeld, was verweerder niet gehouden om een pas op de plaats te maken met het uitoefenen van het pandrecht ten behoeve van zijn cliënte, ook al was er al een dagvaarding betekend. Dat er vervolgens een tweede dagvaarding moest worden betekend, kan verweerder tuchtrechtelijk niet worden aangerekend. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d) 4.8    Klaagsters hebben niet uiteengezet op basis van welke rechtsregel verweerder gehouden was om kenbaar te maken welke debiteuren hij had aangeschreven. Een dergelijke regel is de voorzitter evenmin bekend, zodat niet kan worden ingezien welke tuchtrechtelijke norm verweerder zou hebben geschonden. Dat volgt in ieder geval niet uit gedragsregel 6. Daarbij geldt, zoals hiervoor reeds overwogen, dat verweerder in beginsel geen afweging hoeft te maken tussen het voordeel voor zijn cliënte en het nadeel dat klaagsters daarvan ondervonden. In zoverre was verweerder niet verplicht om klager in de gelegenheid te stellen om de door hem voorgenomen schadebeperkende maatregelen te kunnen laten treffen. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. Conclusie 4.9    De voorzitter zal klager 1 kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in zijn klacht. De klacht van klaagsters is in zijn geheel kennelijk ongegrond.

BESLISSING De voorzitter: - verklaart klager 1, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk; - verklaart de klacht van klaagster 2 en klaagster 3, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025.

Griffier         Voorzitter