Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:221

Zaaknummer

25-540/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 13 oktober 2025

in de zaak 25-540/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerder

 

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 12 augustus 2025 met kenmerk K 24/108 .

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

 

1.1 Verweerder heeft klager vanaf 2019 bijgestaan in een letselschadeprocedure.

1.2 Op 1 juni 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een procedure van klager tegen [X] Daarin heeft het Hof overwogen dat klager elf keer voorkwam in het Fraude Informatie Systeem Holland (FISH) in het kader van zeven verkeersongevallen.

1.3 Op 14 januari 2022 heeft verweerder aan klager een conceptprocesstuk gestuurd en voorgesteld een deelgeschilprocedure op te starten. Klager heeft daarbij in een e-mail van 14 januari 2022 aangegeven dat hij [Y] wil dagvaarden en dat hij de definitieve dagvaarding graag ontvangt.

1.4 In een e-mail van 18 januari 2023 heeft klager aan verweerder gevraagd de rechtbank te verzoeken om alsnog vragen te stellen aan de deskundigen De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beschikking van 7 februari 2023 de verzoeken van klager afgewezen.

1.5  Op 3 september 2024 h eeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

de belangen van klager onvoldoende zorgvuldig te behartigen. toevoegingen aan te vragen terwijl de werkzaamheden van verweerder al (deels) vergoed waren.

 

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 De voorzitter hanteert als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

4.2 Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De voorzitter toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)

4.3 Klager verwijt verweerder dat hij zijn belangen onvoldoende zorgvuldig heeft behartigd. Klager heeft betoogd dat verweerder, ondanks zijn verzoeken daartoe, geen civiele procedure heeft opgestart en bepaalde vragen niet aan de deskundigen heeft gesteld. Verdachte heeft deze verwijten betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij wel degelijk - en in overleg met klager - een civiele procedure (een deelgeschilprocedure bij de rechtbank) aanhangig heeft gemaakt. Verweerder stelt verder dat hij niet weet op welke vragen klager doelt, maar dat het hoe dan ook niet opportuun was om aanvullende vragen te stellen omdat de expertiserapporten al definitief waren. De voorzitter is gelet op deze gemotiveerde betwisting van de verwijten en de rest van het klachtdossier van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder op deze punten onzorgvuldig heeft gehandeld.

4.4 Klager verwijt verweerder ook dat hij hem in strijd met hun afspraak niet tot het einde van de procedure heeft bijgestaan. Verweerder heeft hierover verklaard dat hij de samenwerking met klager heeft beëindigd vanwege het ontbreken van het noodzakelijk vertrouwen. Klager had dit vertrouwen geschaad door verweerder niet vooraf te informeren over het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, door te doen voorkomen dat deze uitspraak geen betrekking op hem had en door zich bedreigend uit te laten tegenover de werknemers van verweerder. De voorzitter is van oordeel dat het verweerder gelet op deze omstandigheden vrij stond om de aan hem verstrekte opdracht neer te leggen. Verweerder heeft dat op een zorgvuldige wijze gedaan en niet is gebleken dat klager hierdoor (procedurele of andere) schade heeft ondervonden.

4.5 Op grond van het voorgaande wordt klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.6 Klager verwijt verweerder dat hij in deze zaak een toevoeging heeft aangevraagd terwijl zijn werkzaamheden al (deels) door de rechtsbijstandsverzekeraar van klager waren vergoed. Verweerder heeft hierover verklaard dat hij een toevoeging heeft aangevraagd (en nog niet heeft ingetrokken), omdat hij klager had geadviseerd om een andere advocaat in te schakelen die dan de toevoeging zou kunnen overnemen, zonder dat het risico zou bestaan dat een eventuele nieuwe aanvraag zou worden afgewezen.

4.7 De voorzitter is van oordeel dat het verweerder vrij stond om op deze wijze te handelen. Verweerder heeft klager niet op basis van gefinancierde rechtsbijstand bijgestaan en verweerder heeft de Raad voor Rechtsbijstand ook niet verzocht om vergoeding van zijn werkzaamheden. De toevoeging is door verweerder aangevraagd voor het geval de verzekeraar de kosten van rechtsbijstand van klager niet zou vergoeden. Niet is gebleken dat op dit punt bij klager onduidelijkheid bestond. Klager is door deze werkwijze ook niet in zijn belangen geschaad. Integendeel, verweerder heeft dit in het belang van klager gedaan. De voorzitter is dan ook van oordeel dat verweerder niet in strijd met de gedragsregels of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel worden daarom kennelijk ongegrond verklaard.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

 

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025.

 

Griffier                                                                     Voorzitter

 

Verzonden op: 13 oktober 2025