Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:146

Zaaknummer

25-341/DB/LI

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. KIacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen ongegrond, Niet gebleken dat verweerder onrechtmatig de ouderlijke woning heeft betreden. Voor zover zich in het meegenomen bureau goederen bevonden die niet bestemd waren voor verweerders cliënt kan hem daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Niet gebleken dat verweerder valse en ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van A heeft geuit, noch dat hij in opdracht van zijn cliënt, de gerechtelijke procedure en de afwikkeling willens en wetens heeft vertraagd en getraineerd;, noch dat hij zich door zijn cliënt heeft laten gebruiken als loopjongen en penvoerder.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 13 oktober 2025

in de zaak 25-341/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 16 november 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).

1.2    Op 21 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-123 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 september 2025. Verschenen zijn klager en verweerder.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.  

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Tussen de drie broers P (zijnde klager), A en F is na het overlijden van hun moeder  een geschil ontstaan over de vereffening en verdeling van de nalatenschap. 

2.3    F, die woonachtig is in de Verenigde Staten, heeft zich op enig moment voor rechtsbijstand gewend tot verweerder.

2.4    Verweerder heeft namens F contact onderhouden met A, die tevens optrad als contactpersoon van klager. 

2.5    In de gerechtelijke procedure die tussen partijen aanhangig is geweest heeft op 17 juli 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, bij gelegenheid waarvan partijen een regeling hebben getroffen, die is vastgelegd in een proces-verbaal. In het proces-verbaal is onder meer vastgelegd dat de bij de verdeling toegewezen goederen worden opgehaald uiterlijk twee weken voor de levering van de woning.  

2.6    Bij e-mail van 5 oktober 2024 heeft A aan F laten weten dat de voor F bestemde goederen voor hem klaar stonden in de woning en konden worden opgehaald. 

2.7    Bij e-mail van 8 oktober 2024 heeft verweerder namens zijn cliënt F aan A gevraagd om een datum in te plannen waarop verweerder de spullen namens F zou ophalen. Het bleek lastig om een datum te vinden waarop verweerder en A beiden beschikbaar waren. Bij e-mail van 10 oktober 2024 heeft A verweerder bericht dat hij enkel op 14 oktober 2024 beschikbaar zou zijn en heeft hem voorts bericht: 

“(…) Lukt dat niet dan zult u waarschijnlijk een andere persoon moeten inschakelen om de spullen met u op te komen halen op een latere datum. Zoals eerder aangegeven wil ik vooraf een akkoord van [F] zien dat hij u toestemming heeft verleend om al zijn spullen uit huis te halen. (…)”

2.8    F heeft verweerder verzocht om de spullen op te halen en heeft verweerder daarvoor een volmacht verstrekt. Verweerder heeft de spullen op 17 oktober 2024 namens zijn cliënt F opgehaald. De spullen zijn vervolgens in opslag geplaatst.

2.9    Bij e-mail van 6 november 2024 heeft mr. T verweerder onder meer bericht dat hij bij het ophalen van het bureau ook in dat bureau opgeslagen spullen heeft meegenomen, die niet voor F waren bestemd. Verweerder en mr. T hebben vervolgens verder gecorrespondeerd, in welk verband verweer bij e-mail van 25 november 2024 onder meer aan mr. T heeft medegedeeld:

“(…) Deze week zal ik u eveneens laten weten welke zaken in het bureau zaten en niet aan mijn cliënt zouden zijn toegewezen volgens het proces-verbaal dan wel niet zijn toegewezen door [A] in zijn e-mailschrijven van 5 oktober 2024 (hieronder toegevoegd). Door mijn afwezigheid, waarvan u per e-mail een auto-reply heeft ontvangen, ben ik niet in staat geweest zaken als deze eerder af te handelen. (…)”

2.10    Op 16 november 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

3    KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

1.    Verweerder heeft onrechtmatig de ouderlijke woning betreden en goederen, waaronder een iPad, meegenomen die niet bestemd waren voor zijn cliënt;

2.    Verweerder heeft valse en ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van A geuit;

3.    Verweerder heeft, waarschijnlijk in opdracht van zijn cliënt, de gerechtelijke procedure en de afwikkeling willens en wetens vertraagd en getraineerd;

4.    Verweerder heeft zich door zijn cliënt laten gebruiken als loopjongen en penvoerder.

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1        Toetsingskader Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2    Klachtonderdeel 1

Klager verwijt verweerder dat hij onrechtmatig de ouderlijke woning heeft betreden en goederen, waaronder een iPad, heeft meegenomen die niet bestemd waren voor zijn cliënt. Verweerder heeft uitdrukkelijk weersproken dat hij onrechtmatig de woning heeft betreden en heeft in dat verband de voorafgaande communicatie met A en F beschreven. 

5.3    De raad overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat verweerder met door A (tevens namens klager) verleende toestemming en op uitdrukkelijk verzoek van verweerders cliënt F de woning heeft betreden met het doel de klaargezette goederen namens F op te halen. In zoverre mist klachtonderdeel 1 dan ook feitelijke grondslag. Indien en voor zover zich in het opgehaalde bureau goederen bevonden die niet voor verweerders cliënt bestemd waren heeft naar het oordeel van de raad te gelden dat niet is gebleken dat verweerder wist of behoorde te weten dat zich in het opgehaalde bureau goederen bevonden die niet voor verweerders cliënt bestemd waren. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is hier geen sprake. Klachtonderdeel 1 is derhalve ongegrond. 

5.4    Klachtonderdeel 2

Klager verwijt verweerder voorts dat hij valse en ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van A heeft geuit. Verweerder heeft ook dit klachtonderdeel weersproken. 

5.5    De raad overweegt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. Nu niet is gebleken dat klager direct in zijn belang is of kon worden getroffen door valse en ongefundeerde beschuldigingen die verweerder zou hebben geuit aan het adres van A, zal de raad klager wegens het ontbreken van een eigen belang in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaren.

5.6    Klachtonderdelen 3 en 4 

De klachtonderdelen 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerder dat hij, waarschijnlijk in opdracht van zijn cliënt, de gerechtelijke procedure en de afwikkeling willens en wetens heeft vertraagd en getraineerd en dat hij zich door zijn cliënt heeft laten gebruiken als loopjongen en penvoerder. Ook deze klachtonderdelen heeft verweerder weersproken. 

5.7    De raad overweegt dat het de taak van verweerder was om de belangen van F te behartigen. Dat verweerder de procedure en de afwikkeling willens en weten heeft vertraagd en zich als loopjongen en penvoerder van zijn cliënt heeft laten gebruiken, is de raad geenszins gebleken. Tegenover het gemotiveerde verweer van verweerder heeft klager de klacht naar het oordeel van de raad onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. De raad zal de klachtonderdelen 3 en 4 bij gebreke van feitelijke grondslag ongegrond verklaren.  

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart de klachtonderdelen 1, 3 en 4 ongegrond;

-    verklaart klachtonderdeel 2 niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. H.C Struijk en J.A.J.A. Luijten, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 13 oktober 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 13 oktober 2025