Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-10-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:197

Zaaknummer

250216

Inhoudsindicatie

Verzet tegen voorzittersbeslissing ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beslissing van 10 oktober 2025 in de zaak 250216

naar aanleiding van het verzet  tegen de beslissing van de voorzitter van het hof  van 17 juli 2025 in de klacht van:

 

klager

tegen:

verweerder

 

1    DE PROCEDURE 

1.1    Met de beslissing van 17 juli 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline (hierna: het hof) het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht tegen verweerder afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:138 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 19 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast de reactie van verweerder. 

1.3    Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer. 

2    FEITEN

Klager heeft een verzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet ingediend bij verweerder, de deken. Dit verzoek is afgewezen, waarna klager een beklagprocedure is gestart bij het hof. De beklagzaak is bij het hof in behandeling onder nummer 250176. Deze procedure loopt nog. Met een e-mailbericht van 23 juni 2024 heeft verweerder een klacht van klager van 16 juni 2024 over verweerder aan het hof gestuurd. Dit verzoek is door de voorzitter van het hof afgewezen op 17 juli 2025. Daartegen komt klager in verzet.

3    HET VERZET

De gronden van verzet 3.1    Klager heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat zonder duidelijke of deugdelijke motivering artikel 46c lid 5 Advocatenwet buiten toepassing wordt gelaten. De voorzitter lijkt de klachtprocedure en de beklagprocedure met elkaar te vermengen, terwijl het om twee afzonderlijke procedures gaat. De klacht van 16 juni 2025 ziet op gedragingen van de deken die volgens klager in strijd zijn met de kernwaarden van de advocatuur: zorgvuldigheid, integriteit, deskundigheid en vertrouwelijkheid. Dit staat los van de inhoudelijke beoordeling van het beklag. Door de zaak niet te verwijzen naar een andere deken wordt klager de toegang tot een onafhankelijke klachtbehandeling onthouden. Het niet verwijzen van de klacht wekt de schijn van partijdigheid en kan strijdig zijn met het recht op een eerlijke behandeling van zijn klacht, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM. In zaken waarin de deken zelf onderwerp van klacht is, mag hij niet ook de toetsende instantie blijven.

Het verweer 3.2    Verweerder heeft aangegeven dat hij geen gebruik maakt van de mogelijkheid om op het verzet te reageren en dat hij zich zal refereren aan het oordeel van het hof.

4    BEOORDELING 

Verzet mogelijk?  4.1     De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. 

4.2    De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf 4.3    Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Oordeel hof 4.4    Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. De verwijten die klager verweerder maakt, zien op de reactie van verweerder/de deken in de beklagprocedure bij het hof. Nu die procedure nog loopt, is het aan klager om aldaar – binnen het geldende kader – zijn standpunt nader uiteen te zetten. Het onderhavige klachtrecht is daarvoor niet bedoeld. Het hof sluit zich dus aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Wat in verzet naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verklaart het verzet van klager daarom ongegrond.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en J.H. Brouwer, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2025.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 10 oktober 2025.