Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-09-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:189

Zaaknummer

25-481/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op de periode dat verweerster nog geen advocaat was. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 17 september 2025 in de zaak 25-481/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 21 juli 2025 met kenmerk R 2025/071 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 24. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Op 10 februari 2025 en 18 februari 2025 heeft verweerster brieven verstuurd aan klaagster over de afwikkeling van een nalatenschap. Zij trad daarin op als vertegenwoordiger van een van de andere erfgenamen. Verweerster was op dat moment (nog) geen advocaat, maar als jurist in dienst bij haar kantoor. 1.2    Verweerster is op 21 februari 2025 beëdigd tot advocaat. 1.3    Op 7 april 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 1.4    Op 29 april 2025 heeft verweerster gereageerd op de klacht (klachtonderdeel a).  1.5    Op 4 mei 2025 heeft klaagster een aanvullende klacht ingediend (klachtonderdelen b, c en d). 1.6    Op 13 mei 2025 hebben klaagster en verweerster elkaar telefonisch gesproken. Diezelfde dag heeft klaagster een brief gestuurd aan verweerster, waarin zij diverse informatieverzoeken doet en om afgifte van stukken, waaronder een kopie van een volmacht van de cliënte van verweerster, vraagt. 1.7    Op 3 juni 2025 heeft klaagster een repliek ingediend. 1.8    Op 27 juni 2025 heeft verweerster een dupliek ingediend.2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster heeft haar klacht als volgt toegelicht. a)    Klaagster heeft op 10 februari 2025 een brief ontvangen van verweerster. Verweerster was op dat moment niet beëdigd als advocaat. Klaagster betwijfelt of verweerster namens een “client” optrad, wat verweerster niet wilde verduidelijken. Klaagster betwist de vertegenwoordigingsbevoegdheid van verweerster;  b)    Gebrek aan communicatie: tot op heden heeft verweerster nog niet gereageerd op de mailing van de deken; c)    Handelen zonder toestemming: klaagster heeft vernomen, of heeft sterke aanwijzingen dat verweerster stukken heeft opgevraagd of handelingen heeft verricht zonder de vereiste toestemming van alle betrokken erfgenamen; d)    Financiële benadeling: klaagster is van mening dat zij door het handelen en/of nalaten van verweerster aanzienlijke financiële schade heeft geleden of dreigt te lijden.

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Klachtonderdeel a) 4.2    Dit klachtonderdeel gaat over het handelen van verweerster in de periode voordat zij was beëdigd tot advocaat. Het tuchtrecht, op grond waarvan de raad van discipline kan oordelen, is van toepassing op gedragingen van advocaten. Omdat verweerster vóór 21 februari 2025 geen advocaat was, is dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel b) 4.3    Dit klachtonderdeel gaat over het niet reageren door verweerster op klaagsters klacht bij de deken. Verweerster heeft echter binnen de door de deken gestelde termijn, op 29 april 2025, naar de deken gereageerd, welke reactie in afschrift naar klaagster is gestuurd. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel c) 4.4    Klaagster heeft dit klachtonderdeel onvoldoende geconcretiseerd. De klacht kan alleen daarom al niet slagen. Overigens geldt dat verweerster in het belang van haar cliënte stukken mag opvragen. Daarvoor hoeft zij niet af te wachten totdat de overige erfgenamen akkoord zijn. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d) 4.5    Dit klachtonderdeel gaat over het financieel benadelen van klaagster door verweerster. Klaagster heeft dit niet nader geconcretiseerd, zodat de klacht alleen daarom al niet kan slagen. Uit het dossier is ook niet gebleken dat verweerster zich ondoelmatig heeft opgesteld jegens klaagster. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Conclusie 4.6    De voorzitter zal klachtonderdeel a) kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.

BESLISSING De voorzitter: - verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;  - verklaart klachtonderdelen b) tot en met d), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025.