Rechtspraak
Uitspraakdatum
29-09-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:188
Zaaknummer
24-935/DH/RO
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 september 2025 in de zaak 24-935/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 19 februari 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster gemachtigde: [kantoorgenoot van verweerster]
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 23 augustus 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 16 december 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024-114 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 19 februari 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:29) heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. 1.4 Op 27 februari 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 18 augustus 2025. Daarbij waren klager en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: 2.2 Anders dan de voorzitter heeft geoordeeld, is klager wel rechtstreeks in zijn belangen geraakt door de onjuiste declaratie van verweerster, omdat de kas van de VvE deels zijn bezit is. Ook is miskend dat klager de klacht mede namens de VvE heeft ingediend. Klager heeft ter onderbouwing in zijn verzetschrift een machtiging van het bestuur van de VvE bijgevoegd. 2.3 Klager heeft niet willen klagen over wat de voorzitter als klachtonderdeel b) heeft aangemerkt. Ter zitting van 18 augustus 2025 heeft klager toegelicht dat zijn klacht louter ziet op de ten onrechte gedeclareerde kosten van verweerster (klachtonderdeel a). 2.4 Tegen de vaststaande feiten komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht, verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter, met verwijzing naar wat hierboven in 2.3 is vermeld.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad stelt vast dat klager de klacht op persoonlijke titel heeft ingediend. In zijn klachtbrief hanteert klager consequent de ‘ik’-vorm, spreekt over “mijn klacht” en schrijft onder meer dat hij “als mede VvE-lid mede gedupeerd (…)” is, waarbij hij zich “belanghebbende” noemt, “aangezien ik als VvE-lid mede de kosten draag”. Daaruit volgt niet dat klager zijn klacht mede namens de VvE zou hebben ingediend. De raad is verder van oordeel dat de voorzitter op goede gronden heeft geoordeeld dat klager slechts een afgeleid belang heeft en daarom kennelijk niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel a). 4.3 Klager heeft verklaard niet te hebben willen klagen over wat de voorzitter als klachtonderdeel b) heeft aangemerkt. Dat oordeel kan als zodanig dan als vervallen worden beschouwd. Dit leidt echter niet tot een andere uitkomst in deze verzetprocedure. De raad zal het verzet ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en N. de Boer, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 29 september 2025.
