Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:194
Zaaknummer
25-501/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder kan niet worden verweten dat zijn cliënte het griffierecht niet tijdig heeft vergoed. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 1 oktober 2025 in de zaak 25-501/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 juli 2025 met kenmerk K014 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager heeft een bestuursrechtelijke procedure gevoerd tegen het College voor de Rechten van de Mens (hierna: CRM). Verweerder heeft als advocaat-gemachtigde opgetreden in die procedure. Bij uitspraak van 26 september 2024 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van klager gegrond verklaard en bepaald dat het CRM het betaalde griffierecht van € 184,- aan klager vergoedt. Klager heeft het griffierecht niet binnen zes weken na de uitspraak vergoed verkregen. 1.2 Op 12 januari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 1 door niet (tijdig) tot betaling over te gaan van het griffierecht.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.2 Gedragsregel 1 luidt: 1. Gelet op zijn bijzondere positie in het rechtsbestel is de advocaat gehouden tot betamelijke beroepsuitoefening. 2. Deze plicht geldt jegens zijn cliënt, de overige betrokkenen bij de rechtspleging en zijn beroepsgroep en vindt haar grondslag in het belang van een goede rechtsbedeling. 3. De advocaat laat zich in al zijn handelen leiden door de kernwaarden van zijn beroep en neemt in acht de voor hem geschreven wettelijke bepalingen en verordeningen, de inhoud van zijn eed of belofte en de verplichtingen die voortvloeien uit de opdrachtrelatie met zijn cliënt. 4. De advocaat dient zich zodanig te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur, noch zijn eigen beroepsuitoefening wordt geschaad. Beoordeling 4.3 De klacht is kennelijk ongegrond. Niet verweerder, maar het CRM diende het griffierecht te vergoeden. Het uitblijven daarvan kan verweerder niet worden verweten. De vergelijkingen die klager trekt met enkele tuchtrechtelijke beslissingen gaan niet op, omdat in die zaken de beklaagde advocaat zelf als partij was veroordeeld in de proceskosten (ECLI:NL:TADRAMS:2024:49 en ECLI:NL:TADRSGR:2023:241) of het ging om voldoen van het griffierecht voor het starten van een procedure (ECLI:NL:TADRSGR:2014:73).
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
