Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

15-04-2024

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2024:100

Zaaknummer

24-098/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 15 april 2024 in de zaak 24-098/AL/GLD

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over

verweerder

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 8 februari 2024 met kenmerk K 23/74.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Vanaf november 2018 is er een geschil tussen klager en zijn verhuurder (Stichting H. Wonen, hierna: H) ontstaan. Naar aanleiding daarvan is er een gerechtelijke procedure opgestart, waarbij klager is bijgestaan door een jurist van Univé. H werd bijgestaan door mr. van W. In een vonnis van 27 november 2019 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen klager en verhuurder ontbonden. 1.2    Op 30 maart 2020 heeft klager het (voormalig) kantoor van verweerder benaderd met het verzoek hem bij te staan in de hogerberoepsprocedure naar aanleiding van het vonnis van 27 november 2019. Vanaf 8 april 2020 is verweerder voor klager gaan optreden en heeft hij onder meer de memorie van grieven opgesteld. 1.3    Op 21 mei 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het gerechtshof. Partijen hebben daarvan een proces-verbaal ontvangen.  1.4    In een e-mail van 25 mei 2021 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven: Op zitting gebeurde helaas waarvoor ik in onderstaande e-mail (en al eerder) heb gewaarschuwd. Uw houding leidde ertoe dat het hof letterlijk uitsprak dat het er niet op vertrouwde dat u, als u weer huurder zou zijn van H Wonen, zou kunnen stoppen met het gedrag dat u wordt verweten. Verder openbaarde zich het gevaar, waarvoor ik eveneens herhaaldelijk heb gewaarschuwd. Mr. Van W somde op met wie u de laatste tijd allemaal contact heeft gehad, waaronder de heer B. Weliswaar heeft H Wonen de desbetreffende producties (nog) niet in het geding gebracht, maar voor het hof was het voldoende om hierin een bevestiging te lezen van het gedrag dat u wordt verweten. Om deze reden heb ik van aanvang aan erop gehamerd dat u, in ieder geval hangende de procedure, geen contact moet opnemen met (oud-medewerkers van) H Wonen en/of andere instanties met betrekking tot de inhoud van het onderhavige geschil. Van meet af aan heb ik u voorgehouden dat de kans niet groot is dat het hof de ontbinding zal terugdraaien. Na de zitting van 21 mei 2021 is die kans nog (veel) kleiner geworden. U moet er dan ook serieus rekening mee houden dat het hof u in een eindarrest in het ongelijk zal stellen en de beslissing van de kantonrechter aldus in stand zal laten. Ik heb u na de zitting wederom op het hart gedrukt geen contact op te nemen met H Wonen en/of anderen over deze zaak, in ieder geval zolang het geschil nog onder de rechter is. Als H Wonen nog de kans krijgt producties in te dienen, en dat is alleen het geval als het hof een tussenarrest zou wijzen (ik acht de kans overigens klein dat een tussenarrest wordt gewezen), dan zal H Wonen die contactmomenten wederom tegen u gebruiken, en is dat voor het hof andermaal een bevestiging van het u verweten gedrag. Ik verwacht een dezer dagen het proces-verbaal van de zitting. Partijen mogen over de weergave van hun eigen verklaringen opmerkingen maken, maar het gaat dan slechts om vergissingen in het proces-verbaal of aanvullingen van wat voor de standpunten van partijen relevant is en gezegd is op de zitting, maar niet is vermeld. De opmerkingen zullen, zo gaf het hof ook aan, niet leiden tot een ‘verbeterd’ proces-verbaal (dat kent de wet niet), maar de opmerkingen zullen wel bij het procesdossier worden gevoegd. 1.5    In e-mails van 4 en 16 juni 2021 heeft klager zijn ongenoegen over verweerder geuit. Klager verwijt verweerder daarin onder meer dat hij niet tevreden is over het optreden van verweerder tijdens (en voor) de zitting. Nadat verweerder daar in een e-mail van 22 juni 2021 uitgebreid op heeft gereageerd en aan klager heeft gevraagd of hij gebruik wilde maken van de interne klachtenregeling van het (voormalig) kantoor van verweerder, is de klacht doorgezet naar de interne klachtenfunctionaris van het (voormalig) kantoor van verweerder. De interne klachtenregeling van het (voormalig) kantoor van verweerder is vervolgens doorlopen. Beide partijen zijn gedurende het verloop daarvan in de gelegenheid gesteld om op elkaar te reageren. 1.6    Op 3 november 2021 heeft de klachtenfunctionaris van het (voormalig) kantoor van verweerder zijn oordeel over de klacht van klager tegen verweerder kenbaar gemaakt. De klachtenfunctionaris is tot de volgende conclusie gekomen: De slotsom luidt dat ondergetekende de klachten van O ongegrond acht. Omdat O zich in diens gedingstukken bepaald niet vlijend over de persoon van mr. W uitlaat, ziet ondergetekende geen reden of aanknopingspunt om dit oordeel – cfm art. 5.5. Kantoorklachtenregeling 2BW Advocaten – te vergezellen van een aanbeveling. 1.7    Op 9 mei 2023 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken. 

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a)    de opdracht van klager niet zorgvuldig te behandelen; b)    onwaarheden te verkondigen; c)    zijn geheimhouding te schenden.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd. 

 

4    BEOORDELING

Maatstaf 4.1    De klacht gaat over de dienstverlening door de (voormalige) advocaat van klager. Gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening moet rekening worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De voorzitter toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Klachtonderdeel a) 4.2    Klager stelt dat verweerder zijn opdracht niet goed heeft uitgevoerd. Klagers verwijt ziet in het bijzonder op het optreden van verweerder op de zitting van 21 mei 2021. Klager is onder meer van mening dat de pleitnota van verweerder van onvoldoende kwaliteit was en dat verweerder onvoldoende verweer heeft gevoerd. Verder klaagt klager over de mededeling van verweerder dat klager zijn eigen glazen zou hebben ingegooid, wat klager als krenkend heeft ervaren.  4.3    De voorzitter is van oordeel dat op grond van de stukken in het klachtdossier - in het bijzonder het proces-verbaal van de zitting en de pleitnota - niet is gebleken dat de juridische bijstand door verweerder ondermaats is geweest. De door klager gegeven onderbouwing van dit verwijt is onvoldoende om tot die conclusie te komen. Ook is op grond van de stukken niet vast komen te staan dat verweerder onvoldoende voor klager is opgekomen. Met betrekking tot de door verweerder gemaakte opmerking is de voorzitter van oordeel dat het ook de taak van een advocaat kan zijn om op een kritische wijze het handelen van een cliënt te bespreken of in een overleg aan de orde te stellen. De wijze waarop verweerder dat in deze zaak naar aanleiding van de zitting van 21 mei 2021 heeft gedaan, is niet krenkend of verwijtbaar en - mede gelet de specifieke aard van de zaak en het handelen van klager op de zitting van 21 mei 2021 en de zitting in eerste aanleg - ook niet onbegrijpelijk. Het voorgaande betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard.  Klachtonderdeel b) 4.4    Dit verwijt ziet - zo begrijpt de voorzitter - op de opmerking van verweerder (in deze klachtprocedure) dat de parketpolitie tegen hem gezegd zou hebben dat zij niet in de zittingzaal aanwezig zouden zijn, maar alleen in de hal van het gerechtsgebouw. Volgens klager is die stelling van verweerder niet juist. De voorzitter constateert dat klager en verweerder van mening verschillen over wat verweerder al dan niet van de parketpolitie zou hebben gehoord of met de parketpolitie zou hebben besproken. Verder bevinden zich in het klachtdossier geen stukken die de lezing van klager ondersteunen. Bij die stand van zaken kan de voorzitter niet vaststellen of de stelling van klager juist dan wel onjuist is. Dat leidt ertoe dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard.  Klachtonderdeel c) 4.5    Klager stelt dat verweerder in zijn verweer in deze klachtprocedure zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. De voorzitter volgt klager niet in dit verwijt. Het staat een advocaat vrij om zijn standpunt over een klacht kenbaar te maken en zich te verdedigen op de wijze die hem goeddunkt, tenzij de verwerende advocaat daarbij de hierboven onder 4.1 genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is echter niet gebleken. De voorzitter is van oordeel dat verweerder op een gepaste en betamelijke manier op de klachten van klager heeft gereageerd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder is dus niet gebleken. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard. 

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2024.

 

 

Griffier         Voorzitter

 

 

Verzonden op : 15 april 2024