Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-04-2024

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2024:85

Zaaknummer

23-649/AL/MN

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat in asielrechtzaak. Uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting is de raad gebleken dat verweerder op deskundige wijze werkzaamheden voor klager heeft gedaan. Ook uit de stukken heeft de raad afgeleid dat klager zelf zijn reguliere verblijfsvergunning moest aanvragen. Dat verweerder ten nadele van klager zou hebben samengewerkt met de IND is voor de raad niet komen vast te staan. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 2 april 2024 in de zaak 23-649/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over            

 

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 3 juni 2022 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder, tot 31 december 2021 advocaat. 1.2    Op 3 oktober 2023 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1958996 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 februari 2024. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.1    Op 20 februari 2018 heeft klager een (derde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 8 augustus 2018 is deze aanvraag door de IND afgewezen. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep op 12 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 30 juli 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank op formele gronden vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen.  2.2    Op 12 oktober 2019 heeft verweerder, als opvolgend advocaat van klager, aan de IND laten weten dat klager in afwachting van de nieuwe behandeling van zijn zaak bij de rechtbank Amsterdam rechtmatig in Nederland verblijft. Namens klager heeft hij verzocht om zijn Vreemdelingendocument (W-pasje) vanaf 1 november 2019 met een jaar te verlengen en daarop de juiste achternaam van klager te vermelden. Dezelfde dag heeft verweerder daarvan een kopie aan klager gestuurd en klager verder geschreven: U moet zich dus wel bij uw vriendin laten Inschrijven en dan snel via het loket een aanvraag Indienen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van familieleven (art. 8 Evrm.) 2.3    Klager is op 28 november 2019 gehuwd met zijn Nederlandse vriendin.  2.4    De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 december 2019 het beroep van klager gegrond verklaard, het besluit (van 8 augustus 2018) vernietigd en de IND opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. 2.5    Op 7 maart 2020 heeft verweerder met instemming van klager een ingebrekestelling aan de IND gestuurd met daarin een termijn tot 30 juni 2020. 2.6    Op 30 maart 2020 heeft de IND aan verweerder bericht:  Bij deze zou ik u willen informeren dat [klager] aanvullend gehoord zal moeten worden. Aangezien dit onzekere tijden zijn en nog niet duidelijk is vanaf welk moment onze klanten gehoord zullen kunnen worden wanneer zij zich in de verlengde asielprocedure bevinden kan er nog geen datum medegedeeld worden. Ik zou u daarom willen vragen of u akkoord bent met het tijdelijk stopzetten van de IGS tot het moment dat betrokkene gehoord zal zijn, omdat er eerder geen besluit kan worden genomen. Diezelfde dag heeft klager aan verweerder per e-mail laten weten op basis van het advies van verweerder en vanwege begrip voor de lastige situatie in te stemmen met het tijdelijk stopzetten van de IGS tot maximaal 30 juni 2020.  2.7    In een e-mail van 27 juli 2020 heeft verweerder aan klager laten weten dat hij contact met de IND heeft gehad, dat de ingebrekestelling vanaf 30 juni 2020 weer is gaan lopen en gemeld dat klager recht heeft op een schadeloosstelling wegens niet tijdig beslissen door de IND.  2.8    Door de Covid-maatregelen is klager pas op 26 augustus 2020 door de IND aanvullend gehoord.  2.9    Op 12 oktober 2020 heeft de IND het voornemen aangekondigd om de herhaalde asielaanvraag van klager af te wijzen. Daarop heeft verweerder aan de IND op  7 november 2020 de zienswijze van klager kenbaar gemaakt en voor onderbouwing verwezen naar alle door de vorige advocaat van klager in eerdere procedures overgelegde stukken. Vanwege het op 26 augustus 2020 plaatsgevonden aanvullend gehoor van klager heeft verweerder in zijn e-mail van 7 november 2020 namens klager ook een aanvullende zienswijze ingediend. Na ontvangst van verschillende stukken van klager heeft verweerder op 9 november 2020 bij de IND zijn aanvullende zienswijze nog aangevuld. Daarin heeft verweerder vermeld: [Klager] heeft zijn gemachtigde te kennen gegeven dat hij persoonlijk nog een aantal zaken wil toevoegen bij de zienswijze van 7 november 2020. Na overleg met [klager] is besloten om een door betrokkene opgestelde mail met bijlagen integraal op te nemen in deze aanvulling. Daardoor zullen er enkele overlappingen zijn. 2.10    Op 24 november 2020 heeft verweerder namens klager beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op diens asielaanvraag.  2.11    De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 december 2020 het beroep gegrond verklaard en de IND opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen op de asielaanvraag van klager, onder verbeurte van € 100,- per dag. 2.12    Bij besluit van 3 februari 2021 heeft de IND de asielaanvraag van klager afgewezen. Tegen het besluit heeft verweerder namens klager beroep ingesteld. 2.13    Op 24 februari 2021 heeft verweerder aan de rechtbank onder meer geschreven: In bovenstaande zaak heeft eiser, [klager], mij opnieuw en uitdrukkelijk verzocht om, als aanvulling op de reeds ingediende gronden, zijn persoonlijke gronden tegen de gewraakte beschikking van 3 februari 2021 aan de Rechtbank kenbaar te maken.  Ik stuur U hierbij een door mij ontvangen mail waarin hij o.a. per pagina en per paragraaf uiteen zet waarom het besluit in zijn ogen niet in stand kan blijven. Hij verwijst daarbij ook naar uitspraken en naar stukken uit het dossier zoals o.a. de (…). Ik voeg aan zijn persoonlijke aanvullend gronden 2 belangrijke bijlagen toe. M.b.t. zijn angst in Turkije voor eer- en bloedwraak stukken uit de reguliere procedure van voor zijn asielaanvraag en m.b.t. de schending van art. 8 Evrm mijn schrijven van 12 oktober 2019. 2.14    In een e-mail van 9 maart 2021 heeft verweerder een klacht bij de IND ingediend over het onjuiste optreden van de IND bij de aanvraag voor klager van een W-pas en verzocht om middels een spoedprocedure de verzochte W-pas alsnog te verstrekken.  2.15    Op 11 maart 2021 heeft klager rechtstreeks papieren stukken aan de rechtbank gestuurd die zijn geweigerd in de digitale procedure. Verweerder heeft daarover diezelfde dag richting klager zijn ongenoegen uitgesproken. Ook heeft hij klager opnieuw gemeld dat alle stukken uit al zijn eerdere procedures al onderdeel van het dossier uitmaken.  2.16    De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2021 gegrond verklaard en de IND opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. 2.17    Op 5 mei 2021 heeft verweerder bij de IND een verzoek tot opheffing van het aan klager opgelegde inreisverbod ingediend en onder meer geschreven: In bovenstaande zaak Is op 22 april 2021 het asielberoep van [klager] gegrond verklaard. In die zaak heb ik verzoeker ook als gemachtigde bij gestaan.  In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag zittingsplaats Arnhem wordt ook gerefereerd aan het in het verleden opgelegde inreisverbod. [Klager] wordt geacht met U contact op te nemen om het Inreisverbod op te heffen.  Het inreisverbod is destijds opgelegd op grond van een strafrechtelijke veroordeling. Gebleken is echter dat [klager] in de strafzaak met parketnummer […] is vrij gesproken. Concreet houdt dat in dat de grond voor het opleggen van het inreisverbod daarmee is komen te vervallen. Dit blijkt echter niet van rechtswege te zijn vervallen vandaar dat verzoeker bij deze een verzoek indient om het opgelegde inreisverbod met onmiddellijke ingang op te heffen. (…) 2.18    Eveneens op 5 mei 2021 heeft verweerder de IND in gebreke gesteld omdat, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder vanaf 12 oktober 2019, geen nieuw W-pasje aan klager was verstrekt.  2.19    Op 7 juni 2021 heeft verweerder namens klager de IND in gebreke gesteld in verband met het niet (tijdig) nemen van een nieuw besluit op de asielaanvraag van klager.  2.20    Kort daarna heeft verweerder de samenwerking met klager beëindigd vanwege de met klager ontstane vertrouwensbreuk. 2.21    Op 23 juli 2021 heeft de IND het bezwaar tegen het inreisverbod gegrond verklaard, althans het inreisverbod van klager opgeheven. 

 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    te verzuimen relevante stukken aan de IND te sturen, waardoor klager materiële en financiële schade heeft geleden. Toelichting: Klager is op 26 augustus 2020 door de IND verhoord. Op 12 oktober 2020 heeft de IND het voornemen kenbaar gemaakt om het verzoek af te wijzen. Tegen de afgewezen beslissing van de IND heeft klager op 4 en 8 november 2020 voldoende verklaringen en 95 pagina’s aan bewijsstukken naar verweerder gestuurd. Die stukken heeft verweerder, ondanks dringend verzoek van klager, niet naar de IND gestuurd. Gevolg is dat de IND op 3 februari 2021 bij beschikking het verzoek heeft afgewezen. Ook daartegen heeft klager op 12 februari 2021 voldoende verklaringen, ook van zijn echtgenoot, en 347 pagina’s aan bewijsstukken aan verweerder gestuurd. Verweerder heeft die stukken opnieuw niet aan de IND en ook niet aan de rechtbank gestuurd. Alleen omdat klager op de zitting van 15 maart 2021 zijn verzoek zelf uitgebreid heeft toegelicht, heeft de rechtbank op 22 april 2021 het verzoek gegrond verklaard;

b)    ondanks het verzoek van klager op 29 november 2019 - vanwege zijn huwelijk op 28 november 2019 - een reguliere verblijfsvergunningsprocedure te starten, dat niet te doen, waardoor klager zeer ernstige materiële en immateriële schade heeft geleden;   c)    beroepsfouten te maken door: (i)    pas in december 2020 beroep in te stellen bij de rechtbank wegens niet tijdig beslissen door de IND, waardoor klager niet over de periode vanaf 7 maart 2020 tot de afwijzing van de beslissing van de IND op 3 februari 2021 een veel hogere schadevergoeding heeft gekregen maar slechts over de periode vanaf 5 januari 2021 tot 3 februari 2021 een bedrag van € 3.000,- heeft gekregen; (ii)    niet meteen op 30 maart 2020, de datum waarop de IND de juiste achternaam van klager heeft geaccepteerd, maar pas op 5 mei 2021 een ingebrekestelling aan de IND te sturen voor een kapot W2-pasje en geen beroep bij de rechtbank in te stellen; (iii)    ondanks verzoeken van klager niet tijdig bezwaar in te dienen tegen en beroep in te stellen bij de rechtbank tegen een inreisverbod, wat klager en zijn familie in een zeer gevaarlijke situatie heeft gebracht; Toelichting: Vanaf 2019 heeft klager verweerder meermaals en onderbouwd met bewijsstukken aan verweerder gevraagd om bezwaar bij de IND in te dienen en in beroep te gaan tegen het opgelegde inreisverbod. Dat was onterecht opgelegd en inmiddels verjaard. Dat heeft verweerder ook zo bevestigd op 9 november 2020. Desondanks heeft verweerder pas op 5 mei 2021 bezwaar ingediend bij de IND, waarna de IND uiteindelijk op 10 augustus 2021 het inreisverbod van klager heeft opgeheven;

d)    samen te werken met de IND, waardoor de asielaanvraag van klager op 3 februari 2021 is afgewezen en hij materiele en financiële schade daardoor heeft geleden; Toelichting: Op 2 februari 2021 heeft verweerder aan klager gevraagd om hem de beslissing van de raad van discipline van 2 februari 2021 over mr. Van D te sturen. Dat heeft klager gedaan. Verweerder heeft die beslissing daarna meteen aan de IND gestuurd. Volgens klager heeft de IND die uitspraak tegen hem gebruikt en is daarom zijn verzoek afgewezen. Daaruit blijkt de samenwerking van verweerder met de IND. 

 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.  Ad klachtonderdelen a) en c); kwaliteit van de dienstverlening 4.2    Verweerder stelt dat hij klager erop heeft gewezen dat vanwege de corona-uitbraak er sprake was van een uitzonderlijke situatie. De IND had toegezegd dat klager aanvullend zou worden gehoord. Nadat op 30 juni 2020 de ingebrekestelling van 10 maart 2020 weer was gaan lopen, heeft hij bij de IND erop aangedrongen het aanvullend gehoor zo spoedig mogelijk te houden. Volgens verweerder heeft hij dit aan klager kenbaar gemaakt en heeft klager daarin berust. Ook heeft hij klager uitgelegd dat een beroep niet tijdig beslissen, terwijl daarin nog niet aanvullend is gehoord, weinig tot geen kans had gemaakt bij de rechtbank en tot niet-ontvankelijkverklaring had geleid. Er kan geen besluit worden genomen indien niet (aanvullend) is gehoord, aldus verweerder. 4.3    Volgens verweerder kwam dit anders te liggen nadat klager in augustus 2020 was gehoord en er in november 2020 door de IND geen nieuw besluit was genomen op de herhaalde aanvraag. Toen heeft hij namens klager beroep niet tijdig beslissen ingediend. Dat is door de rechtbank op 21 december 2020 gegrond verklaard. Klager heeft bij besluit van 3 februari 2021 een schadevergoeding ontvangen omdat de IND niet binnen twee weken na 21 december 2020 een besluit had genomen. 4.4    Zowel in oktober 2019, als op 9 maart 2021 en ook op 5 mei 2021 heeft verweerder bij de IND erop aangedrongen om klager in het bezit te stellen van een W-document op de juiste identiteit van klager. Verweerder heeft klager in die periode ook gemaild dat de IND op 25 januari 2021 aan verweerder had laten weten dat aan het loket in Zwolle een spoedopdracht was gegeven om een nieuw W-document aan te maken. Dat heeft lang geduurd. Wat verweerder betreft heeft hij met betrekking tot het W2-pasje gedaan wat van hem als tussenpersoon verwacht mocht worden.  4.5    Verweerder heeft klager laten weten dat door hem van klager ontvangen stukken al voor een groot deel onderdeel waren van het IND-dossier en niet opnieuw ingediend hoefden te worden. Verweerder had bovendien de IND verzocht om de eerder ingediende stukken ook te betrekken bij de nieuwe beslissing op de terugverwezen herhaalde asielaanvraag. Verweerder heeft een aantal van de door klager ingebrachte stukken en de door klager persoonlijk opgestelde zienswijze wel ingebracht tijdens de asielprocedure bij de IND. Dat is de taak en keuze van de advocaat. 4.6    Volgens verweerder heeft klager voor de eerste asielaanvraag een reguliere aanvraag ingediend aangezien hij toen al een relatie met een Nederlandse vrouw had. Volgens verweerder is dat verzoek afgewezen vanwege het feit dat klager ongewenst was verklaard; die ongewenstverklaring is omgezet naar een zwaar inreisverbod van 10 jaar. Verweerder stelt dat de rechtbank in de uitspraak van april 2021 voor de eerste keer heeft aangegeven dat de opheffing van het inreisverbod geen onderdeel was van de lopende asielprocedure. Op grond van die uitspraak heeft verweerder daarom alsnog in mei 2021 een verzoek ingediend om het inreisverbod op te heffen. Volgens verweerder is het inreisverbod naar zijn weten op 23 juli 2021 opgeheven. Daarvan heeft hij geen bericht ontvangen omdat hij sinds juni 2021 niet meer de belangen van klager behartigde. Ad klachtonderdeel b); aanvragen reguliere verblijfsvergunning   4.7    Verweerder heeft zich nooit voor klager als gemachtigde gesteld in een reguliere verblijfsvergunningszaak en heeft dat ook niet toegezegd. Hij heeft klager geïnformeerd dat klager een dergelijke aanvraag zelf kan indienen bij een IND-loket. Ook heeft hij klager laten weten dat een dergelijke aanvraag weinig kans van slagen had zolang sprake was van een inreisverbod.  Ad klachtonderdeel d); samenwerking met de IND 4.8    Verweerder betwist dat hij heeft samengewerkt met de IND en niet integer zou hebben gehandeld. Hij heeft steeds bij klager benadrukt dat de beslissing in de tuchtzaak over mr. Van D. eventueel een belangrijke rol kon spelen bij een uiteindelijke beslissing van de IND. Daarom heeft hij bij de IND erop aangedrongen geen besluit te nemen voordat de beslissing in de tuchtzaak bekend zou zijn. Volgens verweerder is hij op 2 februari 2021 telefonisch benaderd door de IND met de vraag of er al een beslissing in de tuchtzaak over mr. Van D. was. Na kennisname van de uitspraak via klager heeft hij aan de IND gemeld dat de klacht niet-ontvankelijk was verklaard. Verweerder stelt dat van hem niet kan en mag worden verwacht dat hij deze informatie had moeten achterhouden.

 

5    BEOORDELING Maatstaf  5.1    De raad stelt voorop dat de klacht over de eigen advocaat gaat. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder, als advocaat, zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. De tuchtrechter toetst of de beklaagde advocaat heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.  5.2    In het tuchtrecht staat de kwaliteit van de beroepsuitoefening centraal. Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet is niet zozeer van belang of de cliënt daarvan al of niet nadelige gevolgen heeft ondervonden. Het komt er op aan of de advocaat met zijn handelen zijn cliënt al of niet heeft blootgesteld aan het risico dat de cliënt daarvan nadelige gevolgen kan ondervinden, waarbij geldt dat wanneer er voor de cliënt bijzonder veel op het spel staat er voor een betamelijk advocaat aanleiding is om extra zorgvuldig te werk te gaan. 5.3    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 

Klachtonderdelen a) en c); kwaliteit van de dienstverlening 5.4    Gelet op de samenhang tussen deze verwijten ziet de raad aanleiding om deze gezamenlijk te beoordelen.  5.5    Uitgangspunt is dat een advocaat als opdrachtnemer de regie behoort te voeren in een zaak. Dat brengt ook mee dat een advocaat bepaalt welke van de van een cliënt ontvangen stukken relevant genoeg zijn om in een procedure in te brengen. Een advocaat moet die keuze dan wel toelichten aan zijn cliënt. Gedragsregel 16 leidt ertoe dat dat schriftelijk aan de cliënt moet worden bevestigd om misverstanden daarover achteraf met de cliënt te voorkomen.  5.6    Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie, voor zover relevant opgenomen onder de feiten hiervoor, is de raad gebleken dat verweerder op verschillende momenten aan klager schriftelijk uitleg heeft gegeven over welke stukken al onderdeel uitmaakten van het dossier van zowel de IND als de rechtbank en welke stukken verweerder alsnog heeft ingediend. Daarbij is verweerder klager ook nog tegemoet gekomen door op aandringen van klager persoonlijke stukken van klager in te dienen, zoals blijkt uit de e-mails van verweerder van 9 november 2020 en 24 februari 2021. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder daarmee zijn verantwoordelijkheid genomen en daarbij voldoende oog voor de belangen en wensen van klager gehad. 5.7    Verweerder heeft in zijn schriftelijke verweer en tijdens de zitting van de raad toegelicht waarom hij de IND pas na het verlate aanvullend gehoor van klager van augustus 2020 in gebreke heeft gesteld en ook waarom pas in december 2020 beroep is ingesteld wegens niet tijdig beslissen door de IND. Gelet op het gemotiveerde verweer van verweerder, dat ook niet is weersproken door klager, is de raad van oordeel dat verweerder daarin op deskundige wijze en met oog voor de belangen van klager heeft gehandeld. Daarbij speelt ook een rol dat toen sprake was van Covid-maatregelen waardoor veel vertraging is ontstaan bij de IND. Daar had verweerder geen controle over.   5.8    De raad is uit het met stukken onderbouwde verweer verder gebleken, in het bijzonder uit de e-mails van verweerder aan klager van 12 oktober 2020, 9 maart 2021 en van 5 mei 2021, wat verweerder voor klager heeft gedaan om een W-pas te krijgen met daarop ook de juiste achternaam van klager. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder gesteld dat klager nog wel een geldige W-pas had maar dat die kapot was. Klager heeft dat tijdens de zitting ook bevestigd. Volgens verweerder had klager vanwege zijn registratie bij de IND gewoon zelf een nieuwe pas kunnen aanvragen, maar deed klager dat niet. Gelet op het verweer en mede gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de raad van oordeel dat verweerder ook op dit punt niet in zijn zorgplicht richting klager is tekortgeschoten.  5.9    Verweerder heeft een met stukken onderbouwd gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verwijt dat hij niet tijdig bezwaar en beroep tegen het aan klager opgelegde inreisverbod zou hebben ingesteld. Voor de raad is niet onbegrijpelijk dat verweerder, kennelijk net als de eerdere advocaat van klager, er vanuit ging dat het aan klager opgelegde inreisverbod deel uitmaakte van de asielprocedure. Pas door de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2021 was verweerder ermee bekend dat het inreisverbod los stond van de asielprocedure. Meteen op 5 mei 2021 heeft verweerder namens klager een verzoek tot opheffing van het inreisverbod bij de IND gedaan en heeft aldus voldoende voortvarend voor klager opgetreden.  5.10    Op grond van het voorgaande is de raad dan ook van oordeel dat verweerder heeft gehandeld met voldoende zorg voor de belangen van klager zoals van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden in de zin van artikel 46 Advocatenwet. De raad zal dan ook de klachtonderdelen a) en c) ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel b); aanvragen reguliere verblijfsvergunning   5.11    Uit de stukken, in het bijzonder de e-mail van verweerder aan klager van 12 oktober 2019, is de raad gebleken dat verweerder duidelijk heeft gemaakt dat klager zelf een reguliere verblijfsvergunning moest aanvragen. Dat verweerder daarna aan klager alsnog heeft toegezegd om die aanvraag te doen, is de raad niet gebleken. Verweerder heeft dan ook naar het oordeel van de raad op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar richting klager gehandeld. Klachtonderdeel b) wordt ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel d); samenwerking met de IND 5.12    De juistheid van het verwijt van klager, met ernstige beschuldigingen aan het adres van verweerder over zijn vermeende samenspanning met de IND, is tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder niet komen vast te staan en daarom ook niet de gegrondheid van dit verwijt. De raad zal klachtonderdeel d) eveneens ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. E.H.M. Harbers, F.E.J. Janzing, H.K. Scholtens, E.M.G. Pouls, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2024.

 

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op : 2 april 2024