Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-02-2024

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2024:51

Zaaknummer

23-722/AL/MN

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. In deze zaak verwijt klager verweerder dat aan diens zijde sprake is van belangenverstrengeling. Ook zou verweerder zich niet hebben ingezet om een minnelijke regeling te bereiken, zou hij feiten stellen waarvan hij de onjuistheid kende of had moeten kennen en zou hij zich onnodig grievend tegenover klager hebben uitgelaten. Dat verweerder ooit de bewindvoerder over het vermogen van de ex-partner van klager heeft bijgestaan en nu de ex-partner bijstaat maakt naar het oordeel van de raad niet dat sprake is van een belangenverstrengeling. Er is een minnelijke regeling tot stand gekomen toen ook klager een advocaat had ingeschakeld. Het verwijt dat verweerder zich niet heeft ingezet om een minnelijke regeling te bereiken is dan ook ongegrond. Ook het klachtonderdeel betreffende het stellen van onjuiste feiten is ongegrond, nu een vergissing in een in de dagvaarding vermelde datum in dit geval niet als zodanig kwalificeert. Verder is gebleken dat verweerder zich grievend jegens klager heeft uitgelaten. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 12 februari 2024 in de zaak 23-722/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager oververweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 13 maart 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 23 oktober 2023 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2227895/MV/SD van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2024. Daarbij waren klager en verweerder  aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5. Van de zijde van verweerder is op 2 januari 2024 nog een e-mailbericht met bijlagen ingekomen. Deze stukken zijn als te laat ingezonden beoordeeld en niet aan het klachtdossier toegevoegd.

2 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.1 Klager is mentor van en bewindvoerder over het vermogen van zijn meerderjarige stiefdochter T. Eerder werd het mentorschap en de bewindvoering uitgevoerd door mevrouw B. Deze laatste is nu bewindvoerster over het vermogen van mevrouw V, de moeder van T (hierna ook: moeder V). 2.2 Stiefdochter T. woont bij klager. Moeder V. woont elders. Klager en moeder V. hebben lange tijd een relatie met elkaar gehad. 2.3 Tussen klager en moeder V. is een geschil ontstaan over de omgang tussen T. en moeder V. Klager bracht T. namelijk niet meer naar haar moeder voor omgangsmomenten. 2.4 Moeder V. heeft verweerder als haar advocaat aangezocht. 2.5 Verweerder heeft klager, namens moeder V, op 21 oktober 2022 een e-mail gezonden en hem daarin gesommeerd om met ingang van het weekend van 28 oktober 2022 de omgang zoals die er voorheen was weer te hervatten. Zo klager daaraan geen gevolg zou geven, zou hij in kort-geding worden gedagvaard en zou tevens een verzoek tot beëindiging van de bewindvoering en het mentorschap worden ingediend. 2.6 De kort-geding dagvaarding is aan klager betekend, maar de zitting heeft geen doorgang gevonden omdat klager inmiddels ook een advocaat had ingeschakeld en er vervolgens een (voorlopige) regeling is afgesproken. Op grond van die onderling gemaakte afspraken is T. op 10 mei 2023 gehoord door de kantonrechter. 2.7 Op 13 maart 2023 heeft klager een klacht ingediend bij de deken over verweerder.

3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a) niet onafhankelijk te zijn in de zaak; b) zich niet ingezet te hebben om een minnelijke regeling te bereiken tussen partijen; c) feiten te stellen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen; en d) zich onnodig grievend tegenover klager uit te laten. 3.2 Op de mondelinge behandeling heeft klager zijn klacht nader toegelicht aan de hand van een ter zitting overgelegde pleitnota.

4 VERWEER Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING 5.1 In deze klachtzaak gaat het om een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een ruime mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is echter niet absoluut, en kan onder andere beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. Daarbij heeft te gelden dat een advocaat bij uitingen over strafbare feiten of onrechtmatige gedragingen de nodige terughoudendheid in acht moet nemen. 5.2 Verder geldt dat een advocaat onafhankelijk dient te zijn, in die zin - onder meer - dat geen sprake mag zijn van belangenverstrengeling. Hierop zit klachtonderdeel a. Volgens klager had verweerder moeder V. niet mogen bijstaan. Moeder V. heeft een bewindvoerster, mevrouw B, die ook mentor van en bewindvoerster over het vermogen van T. is geweest. Verweerder heeft in het verleden ook mevrouw B. bijgestaan in een aansprakelijkheidskwestie. Daarin ziet klager een belangenverstrengeling. Verweerder betwist dat.  5.3 De raad is van oordeel dat er geen sprake is van belangenverstrengeling. Weliswaar heeft verweerder in het verleden ook voor mevrouw B. als advocaat opgetreden, maar in de huidige kwestie gaat het om een geschil tussen klager en moeder V. als partijen. In die zaak staat verweerder moeder V. bij en daarin ziet de raad geen verstrengeling van belangen. Immers, ten aanzien van de omgang tussen moeder V. en T. heeft mevrouw B. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van moeder V. geen betrokkenheid en geen enkel belang. Dit klachtonderdeel is ongegrond. 5.4 Klager stelt verder dat verweerder zich niet dan wel onvoldoende heeft ingezet om een minnelijke regeling te bereiken. Verweerder betwist dat gemotiveerd. Verweerder heeft in dit kader aangevoerd dat er na zijn sommatie van 21 oktober 2022 geen gesprek met klager te voeren was, omdat hij furieus was en dat er pas nadat ook klager een advocaat had ingeschakeld afspraken konden worden gemaakt. 5.5 De raad overweegt allereerst dat uit de zich in het klachtdossier bevindende correspondentie van de zijde van klager aan en over verweerder niet direct blijkt dat klager er wél op gericht was om tot een minnelijke regeling te komen. Zo staan in zijn e-mailbericht aan verweerder van 25 oktober 2022 zinnen als ‘De leugens spatten er weer vanaf je bent dus helemaal niets veranderd’ en  ‘(..) daar schrijf jij natuurlijk niks over wand dat komt helemaal niet goed uit dus ga jij er op los liegen (…)’. De raad is voorts van oordeel dat uit het klachtdossier niet naar voren komt dat verweerder niet genegen was om een minnelijke regeling te treffen. Die is er immers wel gekomen, nadat ook klager een advocaat had. De kort-geding zitting heeft daarom uiteindelijk ook niet plaatsgevonden. Klachtonderdeel b. is ongegrond. 5.6 Dat verweerder onjuiste feiten zou stellen (klachtonderdeel c) of zich onnodig grievend tegenover klager zou hebben uitgelaten (klachtonderdeel d) is de raad niet gebleken. Deze klachtonderdelen, zo begrijpt de raad, zien in het bijzonder op de sommatie van 21 oktober 2022 en op de aan klager betekende dagvaarding. Zoals hiervoor onder 5.1 al is vooropgesteld komt een advocaat een grote vrijheid toe daar waar het gaat om het behartigen van de belangen van zijn cliënt. De sommatie bevat geen grievende uitlatingen jegens klager. Daarin wordt klager enkel gesommeerd om de omgang weer op te starten en worden er, zo klager daaraan geen gevolg zou geven, nadere maatregelen aangekondigd. Mogelijk dat klager deze aanzegging als onprettig heeft ervaren, maar dat betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Ook overigens is de raad niet gebleken van enige grievende opmerking van verweerder jegens klager. Klachtonderdeel d. is ongegrond. 5.7 Dat verweerder in de dagvaarding onjuiste feiten zou hebben gesteld waarvan hij de onjuistheid kende of zou moeten kennen is de raad ook niet gebleken. Daarbij wijst de raad ook nog eens op het hiervoor onder 5.1 vooropgestelde: de advocaat mag uitgaan van de het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en hij mag in het algemeen afgaan op de juistheid daarvan. In de dagvaarding staat weliswaar een onjuiste datum vermeld waarop T. haar moeder voor het laatst heeft gezien, zoals ook door verweerder is erkend, maar verweerder heeft ten aanzien daarvan verklaard dat dit om een vergissing gaat en dat verweerder daar pas achter kwam nadat de dagvaarding al was uitgebracht. Een dergelijke vergissing is naar het oordeel niet klachtwaardig. Overigens is de raad in deze ook van oordeel dat de strekking van het verhaal zoals dat in de dagvaarding is weergeven door deze abusievelijk verkeerd opgenomen datum niet anders wordt. Ook klachtonderdeel c. is ongegrond.   

BESLISSING De raad van discipline: - verklaart alle klachtonderdelen, en daarmee de klacht, ongegrond.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. M.J.J.M. van Roosmalen, H.Q.N. Renon, S.H.G. Swennen en H.J. Voors, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2024.

Griffier                                                                                                                            Voorzitter

Verzonden d.d. 12 februari 2024