Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

07-02-2024

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2024:26

Zaaknummer

23-886/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich ertegen dat met een klacht die eerder is ingetrokken, voor de tweede maal een klachtprocedure wordt gestart.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 7 februari 2024 in de zaak 23-886/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 18 december 2023 met kenmerk K226 2023, door de raad ontvangen op diezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 3 tot en met 7 (inhoudelijk) en 1 tot en met 7 (procedureel). 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager is verwikkeld geraakt in een echtscheidingsprocedure. Verweerder heeft de ex-vrouw van klager bijgestaan in die procedure.  1.2    Op 23 mei 2023 heeft een bemiddelingsgesprek tussen klager en verweerder plaatsgevonden bij de deken. Tijdens het bemiddelingsgesprek heeft klager aangegeven de klachten en lopende verzetprocedures tegen verweerder in te trekken. De deken heeft nadien de klachtdossiers gesloten. 1.3    Klager heeft eerder zes klachten ingediend over verweerder. Het gaat om de volgende klachten:  Kenmerk deken    Kenmerk raad    Uitkomst K113 2022    22-1010/DH/DH    Kennelijk ongegrond, verzet ingetrokken K141 2022    22-1009/DH/DH    Kennelijk ongegrond, verzet ingetrokken K217 2022                              Ingetrokken na bemiddeling door de deken K026 2023                              Ingetrokken na bemiddeling door de deken K036 2023                              Ingetrokken na bemiddeling door de deken K059 2023                              Ingetrokken na bemiddeling door de deken 1.4    Op 23 oktober 2023 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 1.5    Op 24 oktober 2023 heeft de stafjurist van de Orde aan klager voorgehouden dat dat op zijn klacht al eerder is beslist, dan wel dat hij eerdere gelijkluidende klachten heeft ingetrokken. Diezelfde dag reageerde klager daarop: “Toen ik klachten heb ingetrokken tijdens een gesprek met de deken en [verweerder] heeft niemand mij verteld wat daar de consequentie van was zoals ik nu begrijp niet meer kan indienen. Zelf vond ik die gebeurtenis al heel bijzonder, dat een deken én de advocaat waar de klachten tegen zijn ingediend mij gingen overtuigen en op mij inpraten dat de klachten geen enkele kans van slagen hadden. Dat was gewoon niet waar en daardoor misleidend. Terug kijkend denk ik ook dat de deken mij helemaal niet had moeten overhalen of adviseren die klachten terug te trekken, en helemaal niet zonder mij te vertellen wat de consequentie zou zijn. Dat is niet integer gedrag. Als zij mij had verteld wat de consequentie was had ik dat nooit gedaan. Ik denk dat een deken dat helemaal niet mag doen, klagers adviseren cq ompraten met foutieve en onvolledige informatie. […] En wat nu blijkt na mijn klacht tegen de accountant van mijn ex is dat mijn ex achter die laster zit en er geen confirmatie is van een derde partij en/of andere informatie. Dat is nu aanvullend bewijs voor het feit dat [verweerder] extra goed had moeten nadenken voor die foutieve informatie met de rechtbank te delen als feit. Die informatie had ik nog niet toen ik de vorige keer de klacht ingediende. [Verweerder] danst naar de pijpen van zijn cliënt en heeft niet voldoende afstand / onafhankelijkheid, dat is nieuw.”

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.  a)    Verweerder heeft de rechtbank onjuist voorgelicht althans hij heeft informatie achtergehouden waarvan hij wist of had moeten weten dat deze wezenlijk was voor de oordeelsvorming van de rechter, door te stellen dat een rapport van S. een veel hogere waardering van klagers holding liet zien dan het rapport van klagers accountant. Het verschil was echter slechts € 46,-. Verweerder had moeten weten dat de waardering van de accountant van de ex-vrouw gebaseerd was op de veronderstelling dat sprake was van “geheime Bv’s”; b)    Verweerder belastert klager door te suggereren dat hij waardes heeft geprobeerd te onttrekken aan de huwelijkse voorwaarden en door te stellen dat klager “geheime Bv’s” heeft. Verweerder zet klager weg als rommelaar; c)    Verweerder heeft een memo van de accountant van de ex-vrouw doorgestuurd met een cruciale fout op het gebied van consolideren. Verweerder schaart zich hiermee achter de valse beschuldiging dat klager de waardering probeert te reduceren van € 311.000,- naar € 10.000,-. 2.2    Klager heeft een klachtonderdeel waarin hij verweerder verwijt dat hij een overleg om tot een oplossing te komen uit de weg gaat, bij de deken ingetrokken. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    Klager heeft niet betwist dat de klachtonderdelen al eerder in de klacht met kenmerk van de deken K217 2022 naar voren zijn gebracht, zoals de stafjurist van de Orde hem heeft voorgehouden. De voorzitter gaat er dan ook vanuit dat dit het geval is. 4.2    Onder verwijzing naar de beslissingen van het hof van discipline van 5 juli 2023, ECLI:NL:TAHVD:2013:4, en 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:117, verklaart de voorzitter de klacht kennelijk niet-ontvankelijk. In die beslissingen heeft het hof overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat met een klacht die eerder is ingetrokken, voor de tweede maal een klachtprocedure wordt gestart; als uitgangspunt geldt dat verweerster er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat een eenmaal ingetrokken klacht later niet opnieuw wordt ingediend. Van die situatie is ook hier sprake.  4.3    De omstandigheid dat klager nu zegt dat hij niet wist welke gevolgen het intrekken van de klachten had, doet daar niet aan af. De deken heeft voldoende duidelijk gemaakt dat de dossiers met het intrekken van de klachten werden gesloten. Klager voert verder aan dat hem na de eerdere klachten is gebleken dat zijn ex-vrouw de bron is van alle foutieve informatie die verweerder naar voren heeft gebracht bij de rechtbank. Deze niet nader onderbouwde stelling dat sprake is van een nieuw feit of een veranderde omstandigheid is onvoldoende om in dit geval af te wijken van het rechtszekerheidsbeginsel. 4.4    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. H.C.A. de Groot, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2024.