Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

29-01-2024

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2024:9

Zaaknummer

23-243/AL/MN

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. De kwaliteit van de dienstverlening van verweerder is ondermaats en een advocaat onwaardig en raakt daarmee aan schending van de kernwaarden deskundigheid en integriteit. Door zijn handelwijze heeft verweerder niet alleen de belangen van zijn cliënt geschaad, maar in algemenere zin ook het vertrouwen in de advocatuur. De raad rekent dit verweerder zwaar aan. De aard en de ernst van de verwijten die verweerder worden gemaakt, rechtvaardigen daarom de oplegging van een maatregel. Daarbij weegt de raad naast de omstandigheden van deze klachtzaak ook het uitgebreide tuchtrechtelijk verleden van verweerder mee. Hoewel verweerder zich per 17 juli 2023 heeft laten uitschrijven van het tableau en dus niet meer werkzaam is als advocaat, ziet de raad ook in deze zaak aanleiding om aan verweerder de zwaarste maatregel van een schrapping op te leggen.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 29 januari 2024 in de zaak 23-243/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager gemachtigde: mr. [S], advocaat te [plaats] oververweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 11 juli 2022 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 31 maart 2023 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2009418/FB/SD van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 4 december 2023. Daarbij was de gemachtigde van klager aanwezig. Verweerder was vanwege ziekte afwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5.

2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Verweerder heeft klager bijgestaan in drie bestuursrechtelijke procedures:

- Procedure 1: een bezwaar- en beroepsprocedure over de afwijzing van de aanvraag van klager om een vrijwillige verzekering voor de AOW;

- Procedure 2: een bezwaar- en beroepsprocedure over de schorsing van het recht op kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2019;

- Procedure 3: een bezwaarprocedure over de beëindiging van het recht op kinderbijslag.

Procedure 1: bezwaar- en beroepsprocedure afwijzing vrijwillige verzekering voor de AOW

2.3 Bij besluit van 2 april 2021 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) de aanvraag van klager om een vrijwillige verzekering voor de AOW afgewezen. Tegen deze beslissing heeft verweerder namens klager op 10 mei 2021 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 12 augustus 2022 heeft de SVB het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van de gronden van het bezwaar. Vervolgens heeft verweerder namens klager op 21 september 2021 beroep ingesteld. 2.4 Bij besluit van 20 december 2021 heeft de SVB de eerdere beslissing van 2 april 2021 ingetrokken en in plaats daarvan het bezwaar ongegrond verklaard. Het ingestelde beroep is van rechtswege mede gericht tegen dit tweede besluit. 2.5 Bij brief van 14 januari 2022 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld aanvullende beroepsgronden in te dienen tegen het tweede besluit waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. Hierop heeft verweerder niet gereageerd. 2.6 Via een voicemailbericht op 4 maart 2022 en een terugbelverzoek op 11 maart 2022 heeft een griffier van de rechtbank verweerder gewezen op het ontbreken van gronden. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. 2.7 Op 18 maart 2022 heeft de rechtbank het beroep op een digitale zitting inhoudelijk behandeld en na afloop daarvan meteen uitspraak gedaan. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het tweede besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege een gebrek aan beroepsgronden. De rechtbank heeft de uitspraak op 31 maart 2022 aan verweerder gestuurd. 2.8 Op 18 april 2022 heeft klager de uitspraak van 18 maart 2022 van verweerder ontvangen. Op 7 mei 2022 heeft klager verweerder erop gewezen dat er nog drie dagen zijn om hoger beroep in te stellen. 2.9 Op 9 mei 2022 heeft verweerder klager gemaild dat hij een beroepsfout heeft gemaakt door geen (aanvullende) beroepsgronden in te dienen. 2.10 Verweerder heeft tegen de uitspraak van 18 maart 2022 voorlopig hoger beroep ingesteld.

Procedure 2: bezwaar- en beroepsprocedure schorsing recht op kinderbijslag

2.11 Bij besluit van 11 september 2019 heeft de SVB het recht van klager op kinderbijslag geschorst vanaf het derde kwartaal van 2019. Tegen dat besluit heeft een vorige advocaat van klager op 26 september 2019 bezwaar gemaakt. 2.12 Op 8 november 2019 heeft verweerder zich bij de SVB als nieuwe gemachtigde van klager gesteld. Daarna heeft de SVB de termijn om de gronden van het bezwaar aan te vullen en het formulier ‘Police des Frontières’ in te vullen twee keer verlengd. 2.13 Bij brief van 8 april 2020 heeft verweerder de gronden van het bezwaar aangevuld en op 7 mei 2020, naar aanleiding van een telefonisch hoorgesprek op 29 april 2020, aanvullende informatie aan de SVB verstrekt. 2.14 Bij beslissing op bezwaar van 10 juni 2020 heeft de SVB het bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verweerder namens klager beroep ingesteld. 2.15 Op 14 december 2020 heeft de rechtbank het beroep inhoudelijk behandeld. Verweerder en klager zijn met bericht van verhindering niet verschenen. 2.16 Bij uitspraak van 24 februari 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Verweerder heeft klager niet over deze uitspraak geïnformeerd en er is geen hoger beroep ingesteld. 2.17 In mei 2022 heeft klager een andere advocaat ingeschakeld die bij de rechtbank heeft geïnformeerd naar de stand van zaken in procedure 2. 2.18 Op 22 juli 2022 heeft verweerder de opvolgend advocaat van klager bericht dat hij klager ten aanzien van procedure 2 niet tijdig heeft geïnformeerd en ook geen hoger beroep heeft ingesteld.

Procedure 3: bezwaarprocedure beëindiging recht op kinderbijslag

2.19 In het kader van een mogelijke beëindiging van het recht op kinderbijslag heeft de SVB klager bij brief van 11 juni 2020 gevraagd bewijzen toe te sturen in verband met het onderzoek naar zijn ingezetenschap in Nederland. 2.20 Bij besluit van 10 juli 2020 heeft de SVB het recht op kinderbijslag voor de kinderen van klager definitief beëindigd. Daarop heeft klager verweerder gevraagd om namens hem bezwaar te maken tegen dit besluit. Verweerder heeft deze opdracht van klager op 5 augustus 2020 aan klager bevestigd. 2.21 Op 19 augustus 2020 heeft verweerder namens klager bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2020 heeft de SVB besloten dat klager vanaf het derde respectievelijk het vierde kwartaal van 2019 geen kinderbijslag meer krijgt. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld.

3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: a) verweerder heeft klager onvoldoende geïnformeerd over het verloop en de kans van slagen ten aanzien van drie bestuursrechtelijke zaken; b) verweerder heeft klager in de beroepsprocedure over de aanvraag van een vrijwillige AOW-ANW-verzekering niet tijdig geïnformeerd over het plaatsvinden van een zitting. Daarnaast heeft verweerder geen aanvullende gronden ingediend waardoor het beroep niet-ontvankelijk is verklaard; c) verweerder heeft de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 maart 2022 rijkelijk laat aan klager gestuurd en niet gelijk vermeld dat sprake is van een beroepsfout; d) verweerder heeft klager in de beroepsprocedure over de schorsing van het recht op AKW niet tijdig geïnformeerd over het plaatsvinden van een zitting. Daarnaast heeft verweerder geen aanvullende gronden ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is verklaard; e) verweerder heeft de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 februari 2021 niet, dan wel pas ruim na het verstrijken van de hoger beroepstermijn, aan klager gestuurd; f) verweerder heeft tegen de beslissing op bezwaar van 18 november 2020 over het eindigen van het recht op AKW geen beroep aangetekend, althans verweerder heeft de mogelijkheid van beroep en de kans van slagen niet met klager besproken; g) verweerder is voor klager niet bereikbaar geweest. 3.2 De raad zal hierna, bij de beoordeling, op de verschillende klachtonderdelen ingaan.

4 VERWEER 4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en hij heeft in verband daarmee – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder erkent dat de communicatie met klager niet voldoende was in de drie bestuursrechtelijke procedures en vindt dat spijtig. Verder erkent verweerder dat hij klager in procedure 2 pas drie à vier dagen voor de zitting over de zitting heeft verteld en dat hij in procedure 1 de gronden niet heeft ingediend waardoor het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Daarnaast erkent verweerder dat hij klager in procedure 1 niet meteen heeft gemeld dat hij een beroepsfout heeft gemaakt; verweerder is bereid klager eventuele schade te vergoeden door een melding te doen bij zijn verzekeraar. Volgens verweerder waren de zaken over de schorsing en de beëindiging van de kinderbijslag juridisch gezien niet kansrijk, omdat klager geen verklaring wilde overleggen over zijn verblijf in Marokko en klager daar pas later open over was. Verder erkent verweerder dat hij de uitspraak van 24 februari 2021 pas ruim na het verstrijken van de hoger beroepstermijn aan klager heeft verstuurd en dat hij tegen de beslissing op bezwaar van 18 november 2020 namens klager geen beroep heeft ingesteld en daarover ook niet met klager heeft gesproken. Tot slot voert verweerder over zijn bereikbaarheid aan dat hij regelmatig met klager heeft gesproken over de drie procedures, maar dat hij niet constant bereikbaar kan zijn. Volgens verweerder heeft hij de procedures ook uitvoerig uitgelegd aan een stichting die hem namens klager had benaderd.  4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 De raad stelt vast dat de klacht in alle onderdelen gaat over de dienstverlening van verweerder als (voormalige) advocaat van klager. De raad stelt daarbij voorop dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Daarbij houdt de tuchtrechter rekening met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld. Die eisen houden in dat zijn werk dient te voldoen aan de professionele standaard binnen de beroepsgroep. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 19 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:90).

Klachtonderdelen a), b), c), e) en f) zijn gegrond

5.2 De klachtonderdelen a), b), c), e) en f) lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. 5.3 De raad stelt op grond van het schriftelijke verweer vast dat verweerder de hem gemaakte verwijten over het gebrek aan communicatie, het onvoldoende en/of niet tijdig informeren van klager en het niet dan wel niet tijdig aanvullen van bezwaar- en/of beroepsgronden erkent. Ook stelt de raad op grond van het verweer vast dat verweerder niet met klager heeft gecommuniceerd over het al dan niet instellen van beroep tegen de beslissing op bezwaar van 18 november 2020 en/of de kans van slagen daarvan. Op grond van de feiten en de erkenning van verweerder concludeert de raad dat verweerder ten opzichte van klager niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Klachtonderdelen a) tot en met f) zijn dan ook gegrond.  Klachtonderdeel d) is gegrond

5.4 Klachtonderdeel d) gaat over de verwijten van klager dat verweerder hem in de beroepsprocedure over de schorsing van het recht op AKW niet tijdig heeft geïnformeerd over het plaatsvinden van een zitting en dat verweerder geen aanvullende gronden heeft ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.  5.5 Ten aanzien van het verwijt over het niet tijdig informeren van klager over de zitting heeft verweerder geen verweer gevoerd. In zoverre is klachtonderdeel d) dan ook gegrond. 5.6 Ten aanzien van het verwijt over het niet indienen van aanvullende beroepsgronden heeft verweerder onvoldoende weersproken dat hem dit tuchtrechtelijk te verwijten valt. Het verweer van verweerder dat hij heeft geprobeerd de door de SVB gevraagde stukken te bemachtigen en dat pas naderhand bleek dat de zaken van klager niet kansrijk waren, is niet met stukken onderbouwd zodat de raad de juistheid daarvan niet kan vaststellen. Verder is het de raad, door een gebrek aan een onderbouwing, niet gebleken dat verweerder in het belang van klager andere stappen heeft ondernomen om te voorkomen dat het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Ook op dit punt is klachtonderdeel d) daarom gegrond.

Klachtonderdeel g) is gegrond

5.7 Met klachtonderdeel g) verwijt klager verweerder dat hij niet bereikbaar is geweest. In dat verband heeft klager gesteld dat hij heel vaak naar verweerder heeft gebeld voor de stand van zaken in zijn procedures, omdat verweerder hem onvoldoende informeerde en klager financiële problemen had als gevolg van de besluiten van de SVB. In reactie op dit verwijt heeft verweerder slechts aangevoerd dat hij regelmatig met klager heeft gesproken, maar dat hij niet constant bereikbaar kan zijn en dat hij de zaken uitvoerig heeft uitgelegd aan een stichting die hem namens klager benaderde. In het licht van de stellingen van klager had het op de weg van verweerder gelegen om met een inhoudelijk en onderbouwd verweer te reageren, maar dat heeft verweerder nagelaten. Zo heeft verweerder niet toegelicht wanneer hij klager dan (telefonisch) heeft gesproken en welke informatie hij klager heeft gegeven. Ook heeft verweerder onduidelijk gelaten aan welke stichting hij uitleg heeft gegeven over de drie procedures die hij namens klager voerde en of hij diezelfde uitleg ook klager, zijn cliënt, heeft gegeven. De raad gaat daarom uit van de juistheid van het verwijt dat klager verweerder maakt. Het niet bereikbaar zijn voor een cliënt, is, mede gelet op de context waarin dit verwijt is gemaakt, tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel g) is dan ook gegrond.

6 MAATREGEL  Schrapping

6.1 Verweerder heeft ten aanzien van zijn cliënt niet gehandeld zoals dat een zorgvuldig en redelijk handelende advocaat betaamt. De kwaliteit van zijn dienstverlening is ondermaats en een advocaat onwaardig en raakt daarmee aan schending van de kernwaarden deskundigheid en integriteit. Door zijn handelwijze heeft verweerder niet alleen de belangen van zijn cliënt geschaad, maar in algemenere zin ook het vertrouwen in de advocatuur. De raad rekent dit verweerder zwaar aan. De aard en de ernst van de verwijten die verweerder worden gemaakt, rechtvaardigen daarom de oplegging van een maatregel. Daarbij weegt de raad naast de omstandigheden van deze klachtzaak ook het uitgebreide tuchtrechtelijk verleden van verweerder mee. Sinds 2019 heeft de raad aan verweerder voor vergelijkbare tuchtrechtelijke verwijten immers reeds diverse maatregelen opgelegd, waaronder (voorwaardelijke) schorsingen. Bij beslissing van 20 maart 2023 heeft de raad verweerder vanwege vergelijkbaar klachtwaardig handelen geschrapt. Het door verweerder ingestelde hoger beroep tegen die maatregel is nog in behandeling bij het Hof van Discipline. Op 16 oktober 2023 heeft de raad verweerder opnieuw geschrapt. Tegen deze beslissing heeft verweerder geen hoger beroep ingesteld. Hoewel verweerder zich per 17 juli 2023 heeft laten uitschrijven van het tableau en dus niet meer werkzaam is als advocaat, ziet de raad ook in deze zaak aanleiding om aan verweerder de zwaarste maatregel van een schrapping op te leggen.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 0790 00, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van een schrapping op, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. E.J.C. de Jong, M. Lont, P.Th. Mantel en M. Tijseling, leden, bijgestaan door mr.  A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2024.

Griffier                                                                                                                                          Voorzitter

Verzonden d.d. 29 januari 2024