Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-01-2024

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2024:24

Zaaknummer

230091D

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar over het handelen van een advocaat als patroon. Hoger beroep deken. Het hof acht, anders dan de raad, gegrond dat verweerster de deken en de Raad van de Orde onjuist heeft geïnformeerd. Het betreft het onjuist (waaronder begrepen: onvolledig) invullen van stageverslagen, het onvolledig informeren van de Raad van de Orde over de reden van het vertrek van een stagiaire, zowel per e-mail als in een telefoongesprek, alsmede het onjuist informeren omtrent de mate van begeleiding van stagiaires. In zoverre vernietiging beslissing van de raad en klachtonderdeel alsnog gegrond. Het hof ziet geen aanleiding aan verweerster een andere maatregel op te leggen dan de raad heeft gedaan (voorwaardelijke schorsing voor de duur van 6 weken). Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Beslissing van 26 januari 2024

in de zaak 230091D

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

                                     

deken

 

tegen:

 

verweerster

 

 

1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 6 maart 2023 van de Raad van Discipline (hierna: de raad) in het ressort Arnhem-Leeuwarden (zaaknummer: 22-600/AL/GLD/D). In deze beslissing is het dekenbezwaar ten aanzien onderdeel a) gegrond verklaard en ten aanzien van onderdeel b) ongegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken met een proeftijd van twee jaar opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

1.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2023:52 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

 

2 DE PROCEDURE BIJ HET HOF 

2.1 Het hoger beroepschrift van de deken tegen de beslissing is op 4 april 2023 ontvangen door de griffie van het hof.

2.2 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift.

  2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 december 2023. Daar zijn de deken en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde mr. N.A. de Leon-van den Berg, verschenen. De deken en verweerster hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die ook onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

​​​​​​​3.2 In februari 2018 ontving het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland het verzoek tot goedkeuring van de stage van mr. B1 onder het patronaat van verweerster. Op dat moment was verweerster al patroon van mr. X. De Raad van de Orde heeft ermee ingestemd dat verweerster patroon werd van mr. B1, die op 23 februari 2018 is beëdigd.

​​​​​​​3.3 Op 1 juli 2019 ontving het Bureau van de Orde een verzoek tot goedkeuring van de stage van mr. B2 onder het patronaat van verweerster. Op dat moment was verweerster al patroon van twee stagiaires te weten mr. X en mr. B1. Mr. B2 zou de derde stagiaire van verweerster worden. De stage van mr. X zou op 26 augustus 2019 eindigen. Omdat de stage van mr. X bijna was afgelopen, is de Raad akkoord gegaan met het patronaat van verweerster over mr. B2.

​​​​​​​3.4 Alle stagiaires in het arrondissement Gelderland hebben een mentor (een lid van de Raad van de Orde) met wie zij contact op kunnen nemen als zij tijdens hun stage tegen problemen aanlopen die zij om welke reden ook met een ervaren advocaat buiten hun eigen kantoor (desgewenst strikt vertrouwelijk) willen bespreken. Begin september 2019 heeft mr. H1, destijds lid van de Raad van de Orde en mentor van mr. B1, een signaal ontvangen dat het met de begeleiding van mr. B1 niet goed zou gaan.

​​​​​​​3.5 Na enkele rappellen ontving het Bureau van de Orde op 10 september 2019 het verslag over het eerste stagejaar van mr. B1. Uit dit stageverslag bleek dat mr. B1 zaken behandelde op het gebied van het personen- en familierecht en het strafrecht en dat zij zich ook op deze rechtsgebieden specialiseerde. Dat riep bij de Raad van de Orde vragen op. De Raad maakte zich zorgen over het verloop van de stage van mr. B1 omdat bij de Raad bekend is dat verweerster een strafrechtadvocaat is en niet of nauwelijks personen- en familierecht doet terwijl de patroon en de stagiaire op hetzelfde rechtsgebied werkzaam moeten zijn.

​​​​​​​3.6 Op 10 september 2019 heeft mr. B1 een gesprek met verweerster gevoerd over het (dis)functioneren van verweerster als haar patroon.

​​​​​​​3.7 Namens de deken hebben mevrouw mr. H2, destijds adjunct-secretaris van de Raad van de Orde, en mevrouw mr. K, destijds senior stafjurist/advocaat op het Bureau van de Orde bij brief van 12 september 2019 gereageerd op het eerste stageverslag van mr. B1 dat op 10 september 2019 met grote vertraging was ontvangen. In deze brief hebben zij er op gewezen dat de patroon en de stagiaire op hetzelfde rechtsgebied werkzaam moeten zijn. Mr. B2 is op 30 augustus 2019 beëdigd. Zij had tijdens haar kennismakingsgesprek aan de Raad van de Orde laten weten dat zij eveneens op het gebied van het personen- en familierecht werkzaam zou zijn. Daarom bestonden bij de Raad van de Orde in september 2019 grote zorgen over de begeleiding van de twee stagiaires van wie verweerster patroon was.

​​​​​​​3.8 Mr. B1, mr. B2 en verweerster zijn uitgenodigd voor een gesprek op het Bureau van de Orde dat op 23 oktober 2019 heeft plaatsgevonden. Mr. H2 en mr. K hebben met mr. B1, mr. B2 en verweerster gezamenlijk gesproken. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt over de begeleiding door verweerster van mr. B1 en mr. B2. De gemaakte afspraken zijn in de brief van 5 november 2019 aan verweerster bevestigd:

 

U zal regelmatig op kantoor aanwezig zijn om invulling te geven aan uw verplichtingen als patroon. Voorts bent u tussentijds bereikbaar voor eventuele vragen. U hebt aangegeven dat u op gezette tijden, minimaal één keer per week, met beide stagiaires gaat zitten om het verloop van de stage/specifieke zaken te bespreken. Voorts is afgesproken dat u op gezette tijden, gemiddeld één keer per twee weken, met mr. B1 gaat zitten om aandacht te besteden aan specifieke vragen en behoeftes die zij heeft in het kader van de begeleiding. U hebt aangegeven mr. B1 vaker mee te laten werken in uw eigen strafzaken, zodat zij meer dan tot nu toe het geval is geweest, kan profiteren van uw ervaring en kennis op het gebied van het strafrecht. Over een half jaar (uiterlijk 1 mei 2020) stuurt u een overzicht van het aantal en de soort zaken die u, mr. B1 en mr. B2 de afgelopen zes maanden hebben behandeld. Daarbij ontvang ik ook graag een korte omschrijving van hoe de begeleiding in die periode heeft plaatsgevonden en in hoeverre het gelukt is om de afgesproken contactmomenten plaats te laten vinden.

​​​​​​​3.9 Op 31 maart 2020 ontving het Bureau van de Orde het verslag over het tweede stagejaar van mr. B1. Uit dat verslag bleek dat mr. B1 ongeveer 75% van haar tijd besteedde aan personen- en familierecht en ongeveer 25% van haar tijd aan het strafrecht.

​​​​​​​3.10 Vervolgens is er op verschillende momenten tussen het Bureau van de Orde en verweerster gecorrespondeerd over de begeleiding van mrs. B2 en B1 door verweerster. Ook is er meermalen contact geweest tussen het Bureau van de Orde en mrs. B2 en B1.

​​​​​​​3.11 Bij e-mail van 27 augustus 2020 liet mr. B1 aan het Bureau van de Orde weten dat zij zich met ingang van 1 oktober 2020 als advocaat uit zou laten schrijven.

​​​​​​​3.12 Mr. B2 heeft op 30 september 2020 aan verweerster een brief over haar ontslag gestuurd die mr. B2 naar aanleiding van een telefonisch overleg met mr. Van O (tot 24 maart 2022 portefeuillehouder rechtshulp binnen de Raad van de Orde) op 21 januari 2022 aan haar heeft doen toekomen.

​​​​​​​3.13 Nadat in twee maanden tijd twee stagiaires bij het kantoor van Y Advocaten voortijdig – dus vóórdat zij hun stage hadden voltooid – waren vertrokken omdat zij ontevreden waren over het functioneren van verweerster als hun patroon heeft de deken in het kader van haar toezichthoudende taak besloten om een onderzoek in te stellen naar het functioneren van verweerster als patroon bij de begeleiding van haar stagiaires en naar haar praktijkvoering.

​​​​​​​3.14 Op 27 januari 2021 hebben mr. Van S en mr. Van O gesproken met mr. B1 en met mr. B2. Van die gesprekken zijn verslagen opgesteld

​​​​​​​3.15 Op 10 februari 2021 hebben mr. Van S en mr. Van O gesproken met mevrouw mr. Van L die negen jaar (in de periode van maart 2010 tot maart 2019) als advocaat op het kantoor van Y Advocaten heeft gewerkt.

​​​​​​​3.16 Mr. Van S heeft verweerster namens de deken in zijn brief van 29 april 2021 geïnformeerd dat er een dekenonderzoek plaatsvindt naar haar functioneren als patroon bij de begeleiding van stagiaires en naar haar praktijkvoering. De verslagen van de gesprekken met mr. B1, mr. B2 en mr. Van L zijn bij deze brief aan verweerster toegestuurd.

 

4 DEKENBEZWAAR

​​​​​​​4.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in beroep van belang, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Het dekenbezwaar houdt het volgende in:

(…); verweerster heeft de deken en de Raad van de Orde onjuist geïnformeerd.

 

5 BEOORDELING

 

omvang hoger beroep

 

​​​​​​​5.1 Het door de deken ingestelde hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring door de raad van onderdeel b) van het dekenbezwaar. Onderdeel a) van het dekenbezwaar, dat door de raad gegrond is verklaard, maakt daarom geen onderdeel uit van de behandeling in hoger beroep.

 

Overwegingen raad

 

​​​​​​​5.2 De raad heeft ten aanzien van de ongegrondverklaring van onderdeel b) van het dekenbezwaar – kort samengevat – het volgende overwogen. De door verweerster ondertekende stageverslagen en de communicatie met de medewerkers van de Orde van Advocaten hebben terecht vragen opgeroepen. De door verweerster verstrekte informatie was (deels) niet altijd overeenkomstig de waarheid. De raad kan echter in onvoldoende mate van zekerheid vaststellen dat verweerster de deken en de medewerkers van het de Orde van Advocaten opzettelijk heeft misleid. Volgens de raad valt namelijk niet uit te sluiten dat deze informatie over de stages van de stagiaires in de beleving van verweerster (op dat moment) wel correct was.

 

Beroepsgronden

 

​​​​​​​5.3 De deken heeft tegen deze overweging en beslissing van de raad – kort samengevat – twee beroepsgronden aangevoerd. Volgens de deken staat vast dat verweerster de orde van advocaten stelselmatig onjuist heeft geïnformeerd (eerste beroepsgrond) omdat zij:

 

de door haar ondertekende stageverslagen aan de orde heeft doen toekomen terwijl zij wist dat deze in strijd waren met de werkelijkheid; tijdens de bespreking van 21 mei 2021 heeft gezegd dat zij zich niets kan herinneren van een gesprek met mr. B1 op 10 september 2019 terwijl zij zich dat gesprek met zekerheid heel goed kan herinneren; onjuiste informatie heeft verstrekt over de nakoming van de afspraken die op 23 oktober 2019 met de orde zijn gemaakt; onjuiste mededelingen heeft gedaan in het telefoongesprek dat zij op 17 september 2020 met mr. Van S (portefeuillehouder opleidingen bij de raad van orde) heeft gevoerd; op 13 november 2020 ongevraagd een e-mail aan mr. Van S heeft gestuurd die onvolledig en misleidend is omdat zij de belangrijkste reden voor het besluit van mr. B2 om ontslag te nemen opzettelijk heeft verzwegen; tijdens het onderzoek constant mededelingen heeft gedaan over haar specialisatie in het personen- en familierecht die onjuist zijn.

 

De raad heeft daarom volgens de deken onderdeel b) van het dekenbezwaar ten onrechte ongegrond verklaard.

 

​​​​​​​5.4 De deken heeft daarnaast een tweede beroepsgrond gericht tegen de door de raad opgelegde maatregel. Volgens de deken is de aan verweerster voorwaardelijk opgelegde schorsing voor de duur van zes weken te licht en had aan verweerster een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken moeten worden opgelegd.

 

Verweer in beroep

 

​​​​​​5.5 Verweerster heeft zich – kort samengevat – als volgt verweerd. Volgens verweerster breidt de deken onderdeel b) van het dekenbezwaar uit door daaraan de bestanddelen “systematisch/stelselmatig (onjuist)” toe te voegen. Dit betreft een wezenlijke wijziging dan wel uitbreiding van dit onderdeel in beroep. Verweerster verzet zich tegen deze uitbreiding omdat zij zich in eerste aanleg hiertegen niet heeft kunnen of hoeven verweren. Verweerster verzoekt het hof daarom de beroepsgrond gericht tegen de ongegrondverklaring niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

 

​​​​​​​5.6 Verweerster betwist dat zij de deken (opzettelijk) onjuist heeft geïnformeerd. De kern van het verweer is dat de eigen (subjectieve) ervaringen van verweerster botsen met de subjectieve ervaringen van de stagiaires. Deze ervaringen stonden (en staan) haaks op elkaar. De raad heeft terecht oog gehad voor de complexiteit en dynamiek in het verschil van beleving van verweerster en de stagiaires van de stage(begeleiding). Verweerster benadrukt dat zij steeds aan het dekenonderzoek heeft meegewerkt en aan de deken haar beleving van haar stagebegeleiding heeft gegeven. Aan de verklaringen van de stagiaires moet niet meer waarde worden gehecht dan aan de verklaringen van verweerster zelf.

 

​​​​​​​5.7 In reactie op de verschillende onderdelen van de beroepsgrond van de deken tegen de ongegrondverklaring van onderdeel b) van het dekenbezwaar voert verweerster samengevat het volgende aan:

 

De stageverslagen zijn niet opzettelijk onjuist ingevuld; Het gesprek van 10 september 2019 met mr. B1 kan verweerster zich niet herinneren. Indien het gesprek uren zou hebben geduurd, dan had verweerster zich dat zeker herinnerd. Dat geldt ook als het een indringend gesprek zou zijn geweest; Verweerster heeft geen onjuiste informatie verstrekt over de nakoming van de afspraken van 23 oktober 2019; Verweerster heeft geen onjuiste mededelingen gedaan in het gesprek met Van S van 17 september 2020; Verweerster heeft niet de deken/raad van de orde willen misleiden omtrent de reden van ontslag van B2; Verweerster heeft niet constant mededelingen gedaan omtrent haar specialisatie die onjuist waren. Tijdens het gesprek van 12 april 2022 heeft verweerster aangegeven niet precies te kunnen zeggen hoeveel zaken in het personen- en familierecht zij heeft behandeld. In haar brief van 4 mei 2022 heeft verweerster de deken geïnformeerd over de door haar behandelde zaken en haar specialisatie. De zeven zaken die verweerster aan de deken heeft afgegeven betroffen complexe verdelingszaken. Verweerster heeft wel degelijk meer dan een enkele UHP/OTS zaak behandeld.

 

​​​​​​​5.8 In reactie op de beroepsgrond van de deken gericht tegen de hoogte van de maatregel voert verweerster – kort samengevat – het volgende aan. Verweerster wijst erop dat zij het oordeel van de raad heeft geaccepteerd en daartegen geen beroep heeft ingesteld. Zij ervaart de door de raad opgelegde voorwaardelijke schorsing niet als licht. Bovendien is door het beroep van de deken de zaak voor verweerster voorlopig nog niet afgerond en dat valt haar zwaar. Het onderzoek en de tuchtzaak zijn haar niet in de koude kleren gaan zitten. Verweerster heeft met de begeleiding van een coach gereflecteerd op haar handelwijze. Zij heeft geconstateerd dat met name haar wijze van communiceren voor verbetering vatbaar was en zij heeft daartoe ook daadwerkelijk wijzigingen in haar wijze van communicatie doorgevoerd. Verweerster verzoekt het hof aan haar een maatregel op te leggen die gelijk is aan de door de raad opgelegde maatregel.

 

Overwegingen hof

 

​​​​​​​5.9 Anders dan de raad acht het hof klachtonderdeel b) gegrond voor zover het gaat om de hiervoor in 5.3 onder a), c), d) en e) genoemde aspecten. Daarbij gaat het om het onjuist (waaronder begrepen: onvolledig) invullen van de stageverslagen, het versturen van een onvolledige e-mail over de reden van het vertrek van mr. B2, alsmede een telefoongesprek hierover en het onjuist informeren omtrent de mate van begeleiding van stagiaires. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat, anders dan de raad heeft aangenomen, opzettelijke misleiding geen onderdeel vormt van klachtonderdeel b); het gaat om onjuist informeren.

 

​​​​​​​5.10 Het hof acht ten aanzien van de toelichting van de deken onder a) relevant dat de stagiaires bij de deken hebben verklaard dat de stageverslagen niet volledig klopten. Mr. B1 gaf daarbij als voorbeeld dat, anders dan in het stageverslag stond, verweerster haar processtukken nooit las, met uitzondering van een enkel processtuk, en dat correspondentie nooit werd gecontroleerd, met uitzondering van de enkele brief die zij zelf aan verweerster of een kantoorgenoot voorlegde. Het hof constateert daarnaast dat diverse vragen in de stageverslagen niet zijn beantwoord.

 

​​​​​​​5.11 Mr. B2 heeft verklaard dat, anders dan in het stageverslag is vermeld, nooit sprake was van twee uur begeleiding per week en dat, anders dan is ingevuld, het verloop van de stage niet één-op-één minimaal een keer per week werd besproken. Verder heeft mr. B2 verklaard dat verweerster geen beoordelingsgesprekken met haar heeft gevoerd, terwijl dit in het stageverslag wel is opgeschreven. Het hof ziet op deze punten geen aanleiding aan de verklaringen van de stagiaires te twijfelen. Om die reden zal ook het onder c) genoemde aspect gegrond worden verklaard, waar het betreft de informatie die verweerster aan de Orde van Advocaten Gelderland heeft verstrekt over de nakoming van afspraken omtrent begeleiding van stagiaires die op 23 oktober 2019 zijn gemaakt.

 

​​​​​​​5.12 Het hof rekent dit verweerster aan. Het doel van de stageverslagen is immers dat door de deken toezicht kan worden gehouden op het verloop van de stage. Als de stageverslagen niet volledig en conform de waarheid worden ingevuld, wordt dit toezicht belemmerd. Het hof acht hierbij relevant dat de stageverslagen weliswaar samen door de patroon en de stagiaire worden ingevuld en ondertekend, maar dat gelet op de onderlinge verhouding waarin de stagiaire zich in een afhankelijke positie bevindt, in het bijzonder van de patroon mag worden verwacht dat wordt toegezien op een volledige en correcte informatieverstrekking in het stageverslag. De deken moet daarop kunnen vertrouwen en dit vertrouwen is door verweerster beschaamd. Dat geldt ook voor het onder c) genoemde aspect.

​​​​​​​5.13 Het hof overweegt ten aanzien van de e-mail van verweerster over het vertrek van mr. B2 het volgende. Uit de brief van mr. B2 aan verweerster van 30 september 2020 volgt dat zij expliciet twee redenen meldt voor haar beslissing om te vertrekken. De eerste reden die mr. B2 noemt is dat zij meer strafzaken wilde doen dan zij op dat moment deed. De tweede reden die mr. B2 noemt is de wijze waarop zij haar werk in de familierechtpraktijk heeft ervaren, namelijk – kort samengevat – dat zij onvoldoende steun van verweerster ervoer en zich te onzeker voelde om verder te gaan. Verweerster heeft echter uitsluitend de eerste reden van het vertrek van mr. B2 vermeld in haar e-mail hierover aan mr. Van S.

​​​​​​​5.14 Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft verweerster verklaard dat zij de brief van mr. B2 nu anders leest dan destijds en dat het nooit haar intentie is geweest om de deken verkeerd te informeren. Deze verklaring overtuigt het hof niet, in het bijzonder omdat er op het moment van verzending van deze e-mail al geruime tijd contacten waren geweest tussen het Bureau van de Orde en verweerster over de begeleiding van de stagiaires. De bijzondere relevantie van de tweede reden van vertrek kan verweerster daarom niet zijn ontgaan. Naar het oordeel van het hof geeft deze e-mail van verweerster daarom een onjuiste voorstelling van zaken door de tweede reden van vertrek niet te vermelden. Ook in het telefoongesprek met mr. Van S op 17 september 2020 heeft verweerster nagelaten de tweede reden van het verstrek van mr. B2 te vermelden. De informatie die verweerster heeft verstrekt, is daarmee op dat punt onvolledig. Ook ten aanzien van aspecten d) en e) acht het hof klachtonderdeel b) daarom gegrond.

 

​​​​​​​5.15 Het hof concludeert dat verweerster ten aanzien van de onderdelen a), c), d) en e) de deken onjuist (waaronder begrepen: onvolledig) heeft geïnformeerd en klachtonderdeel b) is daarom in zoverre gegrond. Verweerster heeft hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

 

​​​​​​​5.16 Het hof ziet gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerster van de door de deken aangevoerde toelichting ten aanzien van onderdelen b), en f) geen aanleiding klachtonderdeel b) ook in zoverre gegrond te verklaren.

 

Maatregel

 

​​​​​​​5.17 De raad heeft aan verweerster ten aanzien van klachtonderdeel a) de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken met een proeftijd van twee jaar opgelegd. Het hof verklaart ook klachtonderdeel b) gegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de deken onjuist te informeren. Advocaten maken onderdeel uit van een geprivilegieerde beroepsgroep. Die geprivilegieerde positie brengt verplichtingen met zich, zoals het meewerken aan het door de deken uitgeoefende toezicht. Door de deken onjuist te informeren heeft verweerster de deken belemmerd in haar toezichthoudende rol. Het hof ziet echter, gelet op de samenhang met het door de raad gegrond verklaarde klachtonderdeel a), anders dan de deken in beroepsgrond twee heeft gesteld, geen aanleiding aan verweerster een andere maatregel op te leggen dan de raad heeft gedaan. Het hof zal daarom de opgelegde maatregel bekrachtigen.

 

Proceskosten

 

​​​​​​​5.18 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, waarbij een eerder ongegrond verklaard klachtonderdeel alsnog gegrond is verklaard, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:

 

€ 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; € 1.000,- kosten van de Staat.

 

​​​​​​​5.19 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

6 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

​​​​​​​6.1 vernietigt de beslissing van 6 maart 2023 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 22-600/AL/GLD/D, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover klachtonderdeel b) ongegrond is verklaard;

 

en doet opnieuw recht:

 

​​​​​​​6.2 verklaart klachtonderdeel b) alsnog gegrond;

 

​​​​​​​6.3 bekrachtigt de beslissing van 6 maart 2023 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 22-600/AL/GLD/D, voor het overige;

 

​​​​​​​6.4 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

 

Deze beslissing is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, voorzitter, mrs. T.H. Tanja-van den Broek, Chr. H. van Dijk, J.M. Louwrier, en R. Verkijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Bijleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024.

 

                                                                                                                 

 

 

 

griffier                                                                                                       voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 26 januari 2024 .