Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-01-2024

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2024:3

Zaaknummer

23-157/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over advocaat in hoedanigheid van deken. Gegrond verzet. De voorzitter heeft de klacht met toepassing van artikel 46j juncto 47b Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De voorzitter heeft overwogen dat de in de onderhavige klachtzaak aan verweerster verweten gedragingen in essentie dezelfde zijn als de gedragingen waarover klaagster in haar klachten van 28 mei en 3 september 2021 heeft geklaagd en waarop door de raad onherroepelijk is beslist de raad bij beslissing van 23 mei 2022. Klaagster heeft in verzet met juistheid betoogd dat de voorzitter in de beslissing van 28 april 2023 ten onrechte heeft overwogen dat op 23 mei 2022 ten aanzien van verweerster reeds een onherroepelijke beslissing was genomen. Immers, klaagster heeft tegen de beslissing van de raad van 23 mei 2022 hoger beroep ingesteld, dat pas op 25 augustus 2023 ter zitting van het Hof van Discipline is behandeld en waarop het Hof van Discipline eerst op 20 oktober 2023 heeft beslist. Van een onherroepelijke beslissing was aldus op 28 april 2023 geen sprake. In zoverre is het verzet van klaagster gegrond. Uit de door de raad in zijn beslissing van 23 mei 2022 en de door het hof in zijn beslissing van 20 oktober 2023 vastgestelde feiten en de weergave van de klacht blijkt dat de in de onderhavige klacht aan verweerster verweten gedragingen in essentie dezelfde zijn als de gedragingen waarover klaagster in haar klachten van 28 mei en 3 september 2021 heeft geklaagd en waarop door het hof  onherroepelijk is beslist. De raad verklaart de klacht, met toepassing van artikel 47b Advocatenwet, niet-ontvankelijk. De wijze waarop klaagster gebruik maakt van het tuchtrecht vormt naar het oordeel van de raad misbruik van recht. Klaagster moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerster door de deken respectievelijk de raad buiten behandeling zal worden gesteld.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 8 januari 2024

in de zaak 23-157/DB/ZWB

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 28 april 2023 op de klacht van:

 

klaagster

over:

verweerster

 

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 13 oktober 2022 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 23 februari 2023 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K22-068 van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 28 april 2023, verzonden op 1 mei 2023, heeft de voorzitter van de raad (hierna: de voorzitter) de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

1.4 Klaagster heeft bij e-mail van 30 mei 2023 verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5 Het verzet en de klacht zijn behandeld op de zitting van de raad van 20 november 2023. Verschenen zijn klaagster en verweerster.

1.6 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier, bestaande uit de  als 1 tot en met 16 en A tot en met J op de inventarislijst aangeduide stukken, en van de volgende nagekomen stukken:

- de e-mail van klaagster d.d. 27 maart 2023 met bijlagen;

- de e-mail van klaagster d.d. 5 november 2023 met bijlagen;

- de e-mail van klaagster d.d. 7 november 2023 met bijlagen;

- de e-mail van klaagster d.d. 17 november 2023 met bijlage.

 

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van het verzet en van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2     Op 14 september 2009 is door de toenmalige deken een bezwaar tegen klaagster ingediend. Verweerster is de toenmalige deken in oktober 2010 als deken opgevolgd en heeft het dekenbezwaar tegen klaagster voortgezet. De raad van discipline heeft het dekenbezwaar bij beslissing van 15 maart 2010 gegrond verklaard en aan klaagster een schorsing voor de duur van een jaar opgelegd. Het Hof van Discipline heeft bij beslissing van 20 april 2012 de beslissing van de raad bekrachtigd.

2.3     Klaagster is op 30 juli 2012 op eigen verzoek geschrapt van het tableau.

2.4     De raad van de orde heeft op 27 mei 2014 in rechte betaling van de ordebijdrage 2011/2012 door klaagster gevorderd. Klaagster vorderde in reconventie vergoeding van de door haar, als gevolg van het handelen van de orde, geleden schade. De kantonrechter heeft bij vonnis 22 april 2015 de vordering van de raad van de orde toegewezen en de reconventionele vordering van klaagster afgewezen.

2.5     Klaagster heeft op 22 maart 2018 bij de deken een klacht ingediend over verweerster. De klacht had betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van deken in bovenvermelde procedures. De klacht is door de voorzitter van het Hof van Discipline verwezen naar en in behandeling genomen door de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Rotterdam. Verweerster heeft bij brief van 30 mei 2018 verweer gevoerd tegen de klacht van klaagster. Klaagster verweet verweerster in de tuchtrechtprocedure, die volgde op het dekenbezwaar tegen klaagster, in 2012 onjuiste informatie te hebben verstrekt aan het Hof van Discipline en in de periode 2014-2015 in de civiele procedure onjuiste informatie te hebben verstrekt aan de kantonrechter. De voorzitter van de raad van discipline in het ressort Den Haag heeft de klacht bij beslissing van 27 maart 2019, voor zover deze betrekking had op het optreden van verweerster vóór 22 maart 2015, niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft op 25 april 2019 verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzet is behandeld tijdens de zitting van de raad van discipline in het ressort Den Haag op 14 oktober 2019. De raad van discipline in het ressort Den Haag heeft het verzet van klaagster bij beslissing van 9 december 2019 ongegrond verklaard.

2.6     Klaagster heeft op 28 mei 2021, aangevuld op 3 september 2021, bij de deken een klacht ingediend over verweerster. De deken heeft de voorzitter van het Hof van Discipline verzocht de klacht voor onderzoek te verwijzen naar een andere deken. Dit verzoek is afgewezen. De voorzitter heeft de klacht van klaagster bij beslissing van 27 december 2022 (kenmerk 21-992/DB/ZWB) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Klaagster heeft op 6 januari 2022 verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzet is behandeld tijdens de zitting van de raad op 4 april 2022. De raad van discipline heeft bij beslissing van 23 mei 2022 (kenmerk 21-992/DB/ZWB) het verzet van klaagster gegrond verklaard en daarna de klacht inhoudelijk beoordeeld. De raad heeft in zijn beslissing de klacht als volgt samengevat:

“De raad stelt voorop dat van klaagster als voormalig advocaat mag worden verwacht dat zij in korte en duidelijke bewoordingen aangeeft waarover zij klaagt. Hiervan is in haar brief van 28 mei 2021 noch in haar brief van 3 september 2021 sprake. De raad begrijpt uit voormelde uitvoerige en moeilijk leesbare brieven dat klaagster zich beklaagt over de wijze waarop verweerster heeft gereageerd op de klacht van klaagster van 22 maart 2018, meer in het bijzonder over de inhoud van de  brieven van verweerster van 30 mei en 5 september 2018 aan de deken en over hetgeen verweerster ter zitting van de Raad van Discipline van 14 oktober 2019 heeft aangevoerd.”

2.7     De raad heeft als volgt geoordeeld over de klacht:

“De raad stelt voorop dat een advocaat over wie een klacht bij de tuchtrechter is ingediend in beginsel de vrijheid heeft om in het kader van zijn verweer tegen die klacht datgene aan te voeren wat hij voor zijn verweer van belang acht. Deze vrijheid kan niet ten gunste van de klagende partij worden beperkt. Dit is slechts anders indien de advocaat de tuchtrechter bewust misleidt. Hiervan is in deze zaak uit de aan de raad overgelegde stukken en het ter zitting verhandelde niet gebleken. Het is evident dat klaagster zich niet kan vinden in de door verweerster tijdens de behandeling van de door klaagster op 22 maart 2018 ingediende klacht verwoorde standpunten, maar dit betekent niet dat verweerster de deken en de tuchtrechter bewust heeft misleid, waarvan haar tuchtrechtelijk een verwijt te maken valt. Het stond verweerster vrij om haar standpunt aan de deken en de tuchtrechter kenbaar te maken. Het is vervolgens aan de tuchtrechter om de klacht en het verweer te beoordelen en hierover een beslissing te nemen.”

2.8     Bij beslissing van 20 oktober 2023 (kenmerk 220200) heeft het Hof van Discipline de beslissing van de raad d.d. 23 mei 2022 (kenmerk 21-992/DB/ZWB) bekrachtigd.

 

3      VERZET

3.1     De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in:

1.           de voorzittersbeslissing is fundamenteel fout omdat de deken geen onderzoek heeft gedaan naar de klacht, ten gevolge waarvan geen sprake is van een eerlijk tuchtproces;

2.           de voorzittersbeslissing berust op een kardinale fout, omdat daarin ten onrechte is overwogen dat ten aanzien van verweerster reeds een onherroepelijke beslissing was genomen. Klaagster heeft namelijk tegen de beslissing van de raad van 23 mei 2022 hoger beroep ingesteld, dat pas op 25 augustus 2023 is behandeld;

3.           er is op volstrekt foute basis beslist omdat, als de deken de klacht wel had onderzocht, daaruit zou zijn gebleken dat geen sprake was van hetzelfde feitencomplex;

4.           de voorzittersbeslissing getuigt van een tunnelvisie omdat de voorzitter geen oog heeft gehad voor feiten waaruit duidelijk was dat de klacht van klaagster alleszins gegrond was en omdat de voorzitter zelfs spreekt van misbruik van recht door klaagster.

 

4       BEOORDELING VAN HET VERZET

4.1     Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2     De raad overweegt als volgt. De voorzitter heeft bij beslissing van 28 april 2023 de klacht met toepassing van artikel 46j juncto 47b Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De voorzitter heeft overwogen dat de in de onderhavige klachtzaak aan verweerster verweten gedragingen in essentie dezelfde zijn als de gedragingen waarover klaagster in haar klachten van 28 mei en 3 september 2021 heeft geklaagd en waarop door de raad onherroepelijk is beslist de raad bij beslissing van 23 mei 2022.

4.3     Naar het oordeel van de raad heeft klaagster in verzet met juistheid betoogd dat de voorzitter in de beslissing van 28 april 2023 ten onrechte heeft overwogen dat op 23 mei 2022 ten aanzien van verweerster reeds een onherroepelijke beslissing was genomen. Immers, klaagster heeft tegen de beslissing van de raad van 23 mei 2022 hoger beroep ingesteld, dat pas op 25 augustus 2023 ter zitting van het Hof van Discipline is behandeld en waarop het Hof van Discipline eerst op 20 oktober 2023 heeft beslist. Van een onherroepelijke beslissing was aldus op 28 april 2023 geen sprake. In zoverre is het verzet van klaagster gegrond.

4.4     Omdat de raad het verzet gegrond verklaart vervalt de beslissing van de voorzitter van 28 april 2023 en behoeven de overige gronden van verzet geen bespreking meer. Nu de  beslissing van de voorzitter van 28 april 2023 vervalt, zal de raad de klacht van klaagster inhoudelijk beoordelen.

 

5        KLACHT

5.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

Klaagster heeft tijdens de zitting van de raad van discipline in het ressort Den Haag op 14 oktober 2019 bij de behandeling van het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter van 27 maart 2019 op de klacht van klaagster van 22 maart 2018 (wederom) tegen beter weten aperte onjuistheden en een onjuiste voorstelling van zaken voor waar gedebiteerd en daarbij de ware feiten verloochend.

Verweerster heeft namelijk tijdens de zitting van 14 oktober 2019 in strijd met de waarheid verklaard:

a) dat klaagster vasthield aan haar visie dat haar klacht tevens zag op handelingen van vóór maart 2015 en stelde zij zich aan te sluiten bij de dekenvisie en de beslissing van de voorzitter van 27 maart 2019, terwijl zij wist dat daarin onjuist werd geoordeeld.  Verweerster wist immers dat, anders dan de deken en de voorzitter in hun oordeel hadden aangenomen, het vonnis van 22 april 2015 geen definitieve beslissing was omdat klaagster daartegen hoger beroep had  ingesteld;

b) dat er aan het dekenbezwaar van de toenmalige deken geen klachten ten grondslag lagen en dat klaagster ten onrechte het tegendeel bleef herhalen;

c) dat er geen klachten van mrs. X en Y over klaagster waren, terwijl die er wel waren;

d) het verwijt van klaagster dat in de tuchtrechtprocedure of andere procedures onjuiste of incomplete informatie is verstrekt;

e) de brief van mr. X van 23 januari 2012 geen klacht was, maar bedoeld als ad informandum;

f)  dat zij het dossier heel goed kende terwijl zij de behandeling van klachtdossier 117-09 geheel heeft overgelaten aan de stafjurist, die enkel als doorgeefluik van mr. X heeft gefungeerd en enkel zijn belang voor ogen had.

 

6        VERWEER

6.1     Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerster heeft aangevoerd dat klaagster misbruik maakt van het klachtrecht. Klaagster blijft bij herhaling klagen over één en hetzelfde feitencomplex, te weten het in 2009 tegen haar ingediende dekenbezwaar. Klaagster heeft in haar repliek (pagina 2, alinea 5) bevestigd dat zij het klachtrecht gebruikt om bevestiging te krijgen van hetgeen al meermaals aan de orde is geweest in diverse klachtprocedures, Het gaat enkel over het feit dat klaagster verweerster niet wenst te geloven c.q. niet gelooft en verweerster daarom verwijt de (tucht)rechter onjuist te hebben geïnformeerd. Verweerster verweert zich al tien jaar tegen deze aantijgingen, waarvoor nooit enig bewijs door klaagster is aangebracht, Verweerster maakt misbruik van het klachtrecht, omdat zij zonder goede grondslag in essentie steeds klaagt over hetzelfde feitencomplex.

 

7        BEOORDELING

7.1     Toetsingskader

Op grond van het in het tuchtrecht geldende ne bis in idem-beginsel kan niet opnieuw worden geklaagd over een gedraging van een advocaat/advocate waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De advocaat/advocate tegen wie een klacht is ingediend moet er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op kunnen vertrouwen dat de klacht tegen hem/haar daarmee afgewikkeld is en niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. Ook niet als de klachtomschrijving anders wordt geformuleerd, maar wel betrekking heeft op dezelfde gedragingen in dezelfde periode (zie HvD 11 februari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:38).

7.2     Beoordeling

De raad heeft bij beslissing van 23 mei 2022 geoordeeld over de klachten die klaagster op 28 mei en 3 september 2021 bij de deken heeft ingediend. Bij beslissing van 20 oktober 2023 heeft het Hof van Discipline de beslissing van de raad d.d. 23 mei 2022 bekrachtigd. Klaagster stelt dat er geen sprake is van ne-bis-in-idem, omdat zij in haar klachten van 28 mei en 3 september 2021 heeft geklaagd over de inhoud van de brieven van verweerster van 30 mei en 5 september 2018 en de onderhavige klacht betrekking heeft op het optreden van verweerster tijdens de zitting van 14 oktober 2019. De raad volgt klaagster hierin niet. Uit de door de raad in zijn beslissing van 23 mei 2022 en de door het hof in zijn beslissing van 20 oktober 2023 vastgestelde feiten en de weergave van de klacht blijkt dat de in de onderhavige klacht aan verweerster verweten gedragingen in essentie dezelfde zijn als de gedragingen waarover klaagster in haar klachten van 28 mei en 3 september 2021 heeft geklaagd en waarop door het hof  onherroepelijk is beslist. De onderhavige klacht heeft, evenals de klachten van 28 mei en 3 september 2021, betrekking op de inhoud van het verweer van verweerster tegen de klacht van klaagster van 22 maart 2018. Bovendien blijkt uit de formulering van de klacht door het hof in zijn beslissing van 20 oktober 2023 dat het hof het optreden van verweerster tijdens de zitting op 14 oktober 2019 ook in zijn beoordeling van de klachten van klaagster van 28 mei en 3 september 2021 heeft betrokken. Verweerster heeft er op moeten kunnen en mogen vertrouwen dat met de uitspraak van het hof d.d. 20 oktober 2023 aan de tuchtzaak, die klaagster jegens haar aanhangig had gemaakt, een einde is gekomen.

7.3     Op grond van het voorgaande zal de raad de klacht, met toepassing van artikel 47b Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren.

7.4     Misbruik van recht

De raad overweegt voorts dat klaagster bij herhaling klachten heeft ingediend over hetzelfde feitencomplex. De klachten hebben steeds betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van deken in de door haar voorganger middels het indienen van een dekenbezwaar tegen klaagster aanhangig gemaakte tuchtrechtprocedure en de daarop volgende door klaagster tegen verweerster aanhangig  gemaakte tuchtrechtprocedures. Het stond verweerster vrij om in de tuchtrechtprocedures, zowel in haar hoedanigheid van deken als in hoedanigheid van beklaagde advocaat, haar standpunt naar voren te brengen. In alle tuchtrechtprocedures is door de tuchtrechter geoordeeld dat klaagster er niet in is geslaagd om aan te tonen dat, zoals klaagster steeds weer stelt, verweerster de (tucht)rechter bewust onjuist heeft geïnformeerd en misleid.  Klaagster heeft in haar repliek onder meer naar voren gebracht dat zij de onderhavige klacht heeft ingediend omdat zij er, gelet op de door haar als gevolg van de beslissingen op het dekenbezwaar en in de daarna gevoerde tuchtrechtelijke procedures geleden schade, belang bij heeft dat komt vast te staan dat de tegen klaagster gedane tuchtrechtelijke uitspraken een gevolg zijn van daarbij door verweerster gepleegd bedrog. Klaagster miskent hiermee dat in eerdere tuchtrechtprocedures bij herhaling door de tuchtrechter is vastgesteld dat hiervan geen sprake is. Nadat over een kwestie door de tuchtrechter onherroepelijk is geoordeeld, kan deze kwestie niet steeds weer opnieuw aan de tuchtrechter worden voorgelegd. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze vormt naar het oordeel van de raad misbruik van recht. Klaagster moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerster door de deken respectievelijk de raad buiten behandeling zal worden gesteld.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. A.A.M. Schutte, M.M.C. van de Ven, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2024.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 8 januari 2024