Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-12-2023

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2023:372

Zaaknummer

23-529/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht van advocaat over andere advocaat. De klacht ziet erop dat verweerder klager niet vooraf op de hoogte heeft gesteld dat hij een dagvaarding zou uitbrengen en dat in die dagvaarding uit een e-mail van klager is geciteerd betreffende schikkingsonderhandelingen. De dagvaarding is volgens klager in strijd met gedragsregel 25 ook niet aan klager gezonden. De raad overweegt dat verweerder aan klager enkele maanden voor het uitbrengen van de dagvaarding al een voorstel had gedaan en dat daarbij was vermeld dat, zo dat voorstel zou worden afgewezen, verweerder zou overgaan tot verdere maatregelen ter bewaring en effectuering van de rechten van zijn cliënte. Nu het voorstel door klager was afgewezen kon het daarom niet als een verrassing komen dat verweerder de eerder aangekondigde rechtsmaatregelen nam. Verder wijst de raad op een eerdere uitspraak van de raad van 1 maart  2021 (ECLI:NL:TADRARL:2021:23) waarin is geoordeeld dat een dagvaarding een procesinleiding is waarvan de aanzegging met bijzondere wettelijke waarborgen is omgeven en dat om die reden gedragsregel 25 lid 1 niet geldt voor het uitbrengen van dagvaardingen. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond. De raad oordeelt dat het klachtonderdeel over het zonder toestemming van de wederpartij delen van schikkingsonderhandelingen wel gegrond is. Maatregel: waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 18 december 2023 in de zaak 23-529/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:

klager oververweerder gemachtigde: mr. [V]

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 3 juli 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 31 juli 2023 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 20/98 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 november 2023. Daarbij waren verweerder en zijn bovengenoemde gemachtigde aanwezig. Klager was, met kennisgeving vooraf, niet aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 13. De raad heeft geen kennisgenomen van de bijlagen bij een e-mailbericht van mr. [V] van 2 november 2023, nu die stukken buiten de daarvoor geldende termijn aan de raad zijn toegezonden.

2 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.1 Zowel klager als verweerder staan ieder een vennootschap bij in een juridisch geschil tussen die vennootschappen. 2.2 Op 6 februari 2020 heeft verweerder aan klager bericht dat het door (de cliënte van) klager gedane voorstel wordt afgewezen en dat de cliënte van verweerder ‘zal overgaan tot het treffen van verdere maatregelen ter bewaring en effectuering van haar rechten’. 2.3 Op 29 juni 2020 heeft verweerder namens zijn cliënte een dagvaarding uitgebracht. 2.4 In die dagvaarding is de tekst van een op 17 januari 2020 door klager aan verweerder gezonden e-mail bericht geciteerd. Daarin staat onder meer:

‘Cliënte wil wel af van deze onverkwikkelijke discussie en is bereid te betalen hetgeen zij anders verwacht aan een procedure kwijt te zijn. Zij biedt aan te voldoen een bedrag van € 15.000 excl btw tegen volledige en finale kwijting.’

2.4 Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft klager op diezelfde dag  per e-mail aan verweerder geschreven dat hij van zijn cliënte de dagvaarding heeft ontvangen en hij verwijt verweerder dat verweerder in strijd met gedragsregels 24 en 25 heeft gehandeld door aan klager geen kopie van de dagvaarding te zenden. Ook schrijft klager daarin dat verweerder met het opnemen van de tekst van de e-mail van 17 januari 2020 in de dagvaarding schikkingsonderhandelingen heeft opgenomen zonder toestemming van klager en dat dit in strijd is met gedragsregel 27. 2.5 Op 1 juli 2020 reageert verweerder op de e-mail van klager, waarin hij schijft dat hij klager inderdaad een kopie van de dagvaarding had moeten zenden, maar dat van boze opzet geen sprake is geweest. En omdat de cliënte van klager de dagvaarding kennelijk meteen heeft doorgestuurd, heeft de cliënte van klager geen nadeel geleden. Verder bestrijdt verweerder dat sprake was van schikkingsonderhandelingen; de cliënte van klager heeft ongevraagd € 15.000 aangeboden. 2.6 Op 3 juli 2020 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.

3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a) gedragsregel 6 lid 2 te overtreden door klager niet vooraf ervan op de hoogte te stellen dat verweerder een dagvaarding zou uitbrengen; b) gedragsregel 24 en 25 te overtreden door klager geen kopie van de dagvaarding toe te zenden; c) gedragsregel 27 te overtreden door in de dagvaarding een e-mail van klager van 17 januari 2020 te citeren en de e-mail als productie over te leggen. 3.2 Op de mondelinge behandeling is namens verweerder verklaard dat klachtonderdeel b) zo begrepen dient te worden dat verweerder aan klager geen kopie van de uit te brengen dagvaarding heeft gezonden.

4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a) gedragsregel 6 lid 2

4.2 In zijn brief van 6 februari 2020 aan klager heeft verweerder reeds de rechtsmaatregelen aangekondigd. Daarmee is ruimschoots voldaan aan het bepaalde in gedragsregel 6 lid 2. Dat de dagvaarding enige maanden na 6 februari 2020 is uitgebracht maakt niet dat verweerder nog een extra aankondiging had moeten doen aan klager.

Klachtonderdeel b) gedagsregels 24 en 25

4.3 Klager laat in het midden wanneer verweerder hem een kopie van de dagvaarding had moeten sturen. Verweerder heeft de dagvaarding naar de deurwaarder gestuurd en de deurwaarder heeft de dagvaarding op 29 juni 2020 aan de cliënte van klager betekend. Daar gaat uiteraard enige tijd overeen. Verweerder had nog helemaal de kans niet gehad om de dagvaarding in kopie naar klager te sturen. Verweerder heeft de dagvaarding op 2 juli 2020 naar de rechtbank gezonden en daarvan een kopie aan klager doen toekomen. Verweerder heeft de cliënte van klager niet rechtstreeks benaderd.

Klachtonderdeel c) gedragsregel 27

4.4 Gedragsregel 27 ziet uitdrukkelijk op schikkingsonderhandelingen en niet op een geval waarin bijvoorbeeld standpunten worden uitgewisseld. Aangezien partijen geen schikkingsonderhandelingen hebben gevoerd is verweerder er bij het opstellen van de dagvaarding vanuit gegaan dat hij de betreffende confraternele correspondentie zonder meer in het geding kon brengen. Voor het voeren van schikkingsonderhandelingen is in de optiek van verweerder vereist dat in ieder geval minimaal twee partijen de wil hebben om met elkaar in onderhandeling te treden en er daadwerkelijk een aanvang wordt gemaakt met het spel van loven en bieden. Als er al zou kunnen worden gesproken over een schikkingsvoorstel dan maakt dit nog niet dat die niet met de rechtbank zou kunnen worden gedeeld.

5 BEOORDELING 5.1 Het gaat in deze zaak om een klacht van een advocaat tegen een andere advocaat. In iedere tuchtklachtzaak strekt het sterk tot de aanbeveling dat zowel klager als verweerder op de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig zijn. Zo kan de raad aan zowel klager als verweerder nog nadere vragen stellen om daarmee zo geïnformeerd mogelijk tot een oordeel te komen. Dit geldt des te sterker als de klager een advocaat is. De raad betreurt het dan ook dat klager niet bij de mondelinge behandeling aanwezig was. Niettemin kan de raad op grond van het klachtdossier en hetgeen op de mondelinge behandeling door verweerder en diens gemachtigde is verklaard wel tot een oordeel komen. Hierna zal de raad de verschillende klachtonderdelen bespreken en zijn oordeel geven.

Klachtonderdeel a) geen vooraankondiging dagvaarding

5.2 In dit klachtonderdeel stelt klager dat verweerder hem had moeten berichten dat hij een dagvaarding ging uitbrengen. Hij baseert zich daarbij op gedragsregel 6 lid 2. Daarin staat kort gezegd dat een advocaat gehouden is om, alvorens hij overgaat tot het nemen van rechtsmaatregelen, zijn wederpartij of - zo deze wordt bijgestaan door een advocaat – de advocaat van de wederpartij van zijn voornomen in kennis te stellen. Die regel is er ook om te voorkomen dat er onnodige gedingen worden gevoerd en - zo het voeren van een geding onvermijdelijk is - de wederpartij in staat te stellen om zich in rechte naar behoren te kunnen verdedigen. Zo is het rauwelijks dagvaarden in beginsel tuchtrechtelijk verwijtbaar (zie ECLI:NL:TAHVD:2016:245). 5.3 De raad is van oordeel dat dat hier geen sprake is van rauwelijks dagvaarden of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Op 6 februari 2020 heeft verweerder namelijk al aan klager bericht dat het door (de cliënte van) klager gedane voorstel wordt afgewezen en dat de cliënte van verweerder ‘zal overgaan tot het treffen van verdere maatregelen ter bewaring en effectuering van haar rechten.’ Daarna is het tussen partijen enkele maanden stil gebleven, totdat door verweerder de dagvaarding is uitgebracht. Gelet echter op de tussen (de advocaten van) partijen gevoerde correspondentie, waaronder dus de e-mail van 6 februari 2020, kan het ondanks het tijdsverloop voor klager niet als een verrassing zijn gekomen dat door verweerder de eerder aangekondigde rechtsmaatregelen werden genomen. Klachtonderdeel a) is ongegrond.  Klachtonderdeel b) onwelwillendheid en rechtstreeks benaderen wederpartij

5.4 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij aan klager geen kopie van de dagvaarding heeft toegezonden. Klager heeft van zijn cliënte vernomen dat een dagvaarding was uitgebracht, niet van verweerder. 5.5 Klager wijst ten aanzien van dit klachtonderdeel op de gedragsregels 24 en 25. In regel 24 staat dat in het belang van rechtzoekende en van de advocatuur in het algemeen, advocaten dienen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen. In regel 25 staat dat een advocaat een wederpartij, waarvan hij weet dat die door en advocaat wordt bijgestaan, zich niet anders in verbinding stelt met die wederpartij dan via diens advocaat. 5.6 De raad overweegt dat vaststaat dat verweerder klager niet kort voor het uitbrengen van de daadwerkelijke dagvaarding een kopie van de uit te brengen dagvaarding heeft gezonden. Hoewel het in beginsel wel aan te bevelen is om zulks te doen, is het niet sturen van de kopie van de uit te brengen dagvaarding – gelet ook op de e-mail van 6 februari 2020 – naar het oordeel van de raad in deze niet klachtwaardig. Verweerder heeft de dagvaarding doen uitbrengen via een deurwaarder en hij heeft de cliënte van klager dus niet rechtstreeks benaderd. Daarbij is door deze raad op 1 maart 2021 al geoordeeld dat een dagvaarding een procesinleiding is waarvan de aanzegging met bijzondere wettelijke waarborgen is omgeven en dat om die reden gedragsregel 25 lid 2 niet geldt voor het  uitbrengen van dagvaardingen (ECLI:NL:TADRARL:2021:23). Zodra verweerder de betekende dagvaarding van de deurwaarder had terugontvangen heeft hij klager daarvan een kopie gezonden. Klachtonderdeel b) is eveneens ongegrond.  Klachtonderdeel c) mededelen schikkingsonderhandelingen

5.7 Het laatste klachtonderdeel ziet op de door verweerder in de dagvaarding opgenomen e-mail van klager van 17 januari 2020 en in het geding brengen van die e-mail als productie. Daarbij gaat het voornamelijk om de zinsnede zoals die hiervoor onder 2.4 is aangehaald. 5.8 Gedragsregel 27 schrijft voor dat omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen aan de rechter aan wiens oordeel de zaak is onderworpen, niets mag worden meegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij. 5.9 De raad is van oordeel dat verweerder hier wel tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Anders dan verweerder meent, is naar het oordeel van de raad namelijk wel sprake van het delen van schikkingsonderhandelingen zonder toestemming van de wederpartij als bedoeld in de gedragsregel. Immers, indien de cliënte van verweerder het door de cliënte van klager gedane voorstel om de zaak af te doen tegen een finale betaling van € 15.000 had geaccepteerd, was de zaak geëindigd. Een dergelijk voorstel ziet de raad als schikkingsonderhandeling, want het gaat om een voorstel om het geding buitengerechtelijk af te doen en in der minne te regelen. Anders dan klager veronderstelt speelt daarbij geen rol of beide partijen de wil moeten hebben om met elkaar in onderhandeling te streden over een schikking. Een aanbod is voldoende. Als het niet wordt aanvaard, zoals hier het geval was, geldt het immers civielrechtelijk als verworpen. Daarmee is ook de wederpartij bij het aanbod betrokken en is niet sprake van enkel een eenzijdige maar van een meerzijdige rechtshandeling. Dat de betreffende zinsnede op de mondelinge behandeling bij de rechtbank niet aan de orde is geweest doet aan de schending van de gedragsregel niet af. Klachtonderdeel c) is gegrond.

6 MAATREGEL 6.1 Nu een van de klachtonderdelen gegrond wordt verklaard, komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke. 6.2 Door verweerder is gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet, zoals belichaamd in  gedragsregel 27, wat tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Een maatregel is naar het oordeel van de raad dan ook geboden. In dit geval is de maatregel van waarschuwing naar het oordeel van de raad passend en geboden, waarbij de raad er rekening mee heeft gehouden dat verweerder geen tuchtrechtelijk verleden heeft.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 0790 00, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer 23-529/AL/GLD.

BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel c) gegrond; - verklaart de klachtonderdelen a) en b) ongegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. F.E.J. Janzing, H. van Katwijk, E.H. de Vries en H.Q.N. Renon, leden, bijgestaan door mr. H.P.J.Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2023.

Griffier                                                                                                                                                Voorzitter

Verzonden d.d. 18 december 2023