Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-11-2023

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2023:351

Zaaknummer

23-679/AL/NN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 27 november 2023 in de zaak 23-679/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:

klager oververweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 5 oktober 2023 met kenmerk 2023 KNN082 / 2251355.

1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 In de klachtzaak met zaaknummer 20-761/AL/NN hebben D.G.A. Dikken en Transport- en Handelsonderneming Dikken B.V. een klacht ingediend over verweerster. Het Hof van Discipline heeft in die zaak in een beslissing van 19 juni 2023 ten aanzien van de proceskosten (onder meer) het volgende overwogen:

5.29 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klagers binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hem rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

1.2 Klager heeft in deze tuchtprocedure als gemachtigde van Dikken en Transport- en Handelsonderneming Dikken B.V. opgetreden. 1.3 Op 12 juli 2023 heeft klager een e-mail van de secretaresse van verweerster ontvangen met de vraag naar welk rekeningnummer de betaling kan worden overgeboekt. Klager heeft die e-mail diezelfde dag beantwoordt en een rekeningnummer (van zijn kantoor) doorgegeven. 1.4 Op de laatste dag van de betaaltermijn (17 juli 2023) heeft verweerster een bedrag van € 50,- op de door klager opgegeven rekening overgemaakt. Het bedrag € 1.100,- is niet tijdig betaald. 1.5 Op 18 juli 2023 heeft klager deze klacht ingediend en is de klacht naar verweerster gestuurd met het verzoek om verweer. Diezelfde dag heeft verweerster het bedrag van € 1.100,- overgemaakt op de door klager opgegeven rekening.

2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij ten onrechte niet tijdig heeft voldaan aan de door het Hof van Discipline opgelegde proceskostenveroordeling.

3 VERWEER 3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd.

4 BEOORDELING 4.1 Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar slechts aan degene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken, die op grond van artikel 46f Advocatenwet de bevoegdheid heeft tegen een advocaat gerezen bezwaren ter kennis van de raad te brengen. 4.2 De voorzitter stelt vast dat het Hof van Discipline in de beslissing van 19 juni 2023 verweerster heeft veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de cliënten van klager. Die cliënten waren de klagers in die procedure. Klager heeft in die procedure als gemachtigde opgetreden maar hij was zelf geen procespartij. Dat betekent dat alleen deze cliënten van klager, en niet klager zelf, door de (gestelde) te late betaling van verweerster in een belang kunnen zijn getroffen. Zij hebben hierover echter geen klacht ingediend. De omstandigheid dat klager namens zijn cliënten deze proceskosten heeft geïncasseerd en hierover met verweerster en haar advocaat heeft gecommuniceerd, is onvoldoende om zijn klacht over verweerster ontvankelijk te doen zijn. Ook overigens is niet gebleken dat klager door het handelen of nalaten van verweerster waarover wordt geklaagd, rechtstreeks in zijn belangen is getroffen. 4.3 Het voorgaande betekent dat de klacht geen verdere inhoudelijke bespreking behoeft. De raad verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht.

BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 november 2023

Griffier                                                                                                                                           Voorzitter   Verzonden d.d. 27 november 2023