Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-12-2023

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2023:223

Zaaknummer

230319W

Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek. Verzoekers wraken plv. voorzitter en advocaat-lid vanwege de functies die zij vervullen naast hun werk voor het hof van discipline. Afgewezen, omdat die functies op zichzelf onvoldoende concreet zijn voor de indicatie dat zij mogelijk partijdig zijn bij de behandeling van de tuchtklachten van verzoekers tegen wederpartijen in hoofdzaak. Wraking ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 8 december 2023

in de zaak 230319W

 

naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:

 

verzoekers

 

tegen:

 

verweerders

 

1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF 

1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 29 december 2022 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (zaaknummers: 22-205/AL/OV, 22-206/AL/OV, 22-207/AL/OV, 22-208/AL/OV, 22-209/AL/OV, 22-210/AL/OV, 22-211/AL/OV). In deze beslissing is de klacht van verzoeker 1 tegen mr. N (22-205/AL/OV), mr. B (22-206/AL/OV), mr. M (22-207 en 22-208/AL/OV), L B.V. (22-209/AL/OV), Advocatenkantoor BM B.V. (22-210/AL/OV) en de Stichting Beheer Derdengelden BM (22-211/AL/OV), verweerders in de hoofdzaak, (verder: de wederpartijen) ten aanzien van de onderdelen a), b) en d) ongegrond en ten aanzien van klachtonderdeel c) niet ontvankelijk verklaard. 

1.2 De beslissing van de raad is onder ECLI:NL:TADRARL:2022:372 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.

1.3 Verzoeker 1 heeft tegen die beslissing beroep ingesteld, welk beroep bij het hof in behandeling is onder zaaknummers 230027 tot en met 230033.

1.4 Verzoeker 1 en de wederpartijen zijn met een aangetekende e-mail van 19 juli 2023  opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de zaak op 13 november 2023 van het hof. In deze brief staat dat één week voor de zitting de samenstelling van de behandelend kamer van het hof op de website van hof kan worden geraadpleegd. De kamer die de zaak op 13 november 2023 zou behandelen was als volgt samengesteld: mr. S, voorzitter, mrs. X en E, leden en mr. T, griffier. Verzoekers hebben mrs. S en E (“verweerders”) op 10 november 2023 gewraakt.

1.5 Verweerders hebben niet berust in het wrakingsverzoek. Op 15 november 2023 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

1.6 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerders; een toelichting met bijlage na verweerschrift van verzoekers en tevens verzoek om mondelinge behandeling; de reactie van verweerders op de nadere toelichting van verzoekers.

1.7 Het hof heeft het wrakingsverzoek behandeld op basis van de stukken in raadkamer.

 

2 BEOORDELING 

Wrakingsgrond

2.1 Verzoekers hebben aangevoerd dat objectief gerechtvaardigd is dat mr. E een vooringenomenheid koestert omdat hij dubbele functies en nevenbanen heeft bij onder meer de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA) (docent beroepsopleiding, lid van de examencommissie) en bij instellingen die samenwerken met de NOvA (docent bij de Grotius Academie) en lid is van specialistenverenigingen die werkzaam zijn voor advocaten. Daarbij is mr. E als advocaat gespecialiseerd in het verzekeringsrecht. Ten aanzien van mr. S is de gestelde schijn van partijdigheid onderbouwd door aan te voeren dat hij ook als plaatsvervangend voorzitter fungeert van de Kamer voor het Notariaat en hij al eerder als voorzitter heeft opgetreden in een zaak die ook betrekking had op het kantoor van de wederpartij, waarin aan de orde was of een advocaat de naam van zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar moest mededelen.

2.2 In hun nadere toelichting hebben verzoekers aangevoerd dat het verweer van mr. E ontbreekt en dat verweerders elkaar niet mogen machtigen. Tevens is verwezen naar een IRM-Rapport van gevallen waarin rechters zich ten onrechte niet verschoonden.

Verweer

2.3 Verweerders hebben aangevoerd dat er geen specifieke op de persoon toegesneden feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat er sprake is van objectieve vrees voor vooringenomenheid. De conclusie dat de nevenfuncties van verweerders een schijn van partijdigheid zouden meebrengen kunnen verweerders niet volgen.

Overwegingen hof

2.4  Het hof kan verzoekers niet volgen in hun stelling dat alleen mr. S verweer heeft gevoerd. Uit het verweerschrift blijkt ontegenzeggelijk dat het verweer mede namens mr. E is ingediend. Er is daarbij geen regel die dat verhindert.

Toetsingskader

2.4 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164).

2.5 Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoeker belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van het lid van het hof, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

2.6 Het hof is van oordeel dat de door verzoekers aangedragen algemene feiten en omstandigheden ten aanzien van de nevenfuncties van verweerders niet zo uitzonderlijk zijn dat die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat zij ten opzichte van verzoekers in de te behandelen tuchtklachten een vooringenomenheid koesteren. Verzoekers hebben nagelaten te onderbouwen op welke concrete gronden verweerders in de voorliggende tuchtklachten vooringenomen zouden kunnen zijn. Voor een vrees die objectief is gerechtvaardigd is dan ook niet gebleken.

2.7 Het hof zal het verzoek dan ook als kennelijk ongegrond afwijzen. Voor een mondeling behandeling ziet het hof geen aanleiding. Verzoekers dienen er rekening mee te houden dat een volgend soortgelijk verzoek als misbruik van het middel wraking buiten behandeling zal worden gelaten.

 

3 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

3.1 verklaart het wrakingsverzoek van 10 november 2023 van verzoekers kennelijk ongegrond.

3.2 bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gewezen door  mrs. J. Blokland, voorzitter,  V. Wolting en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2023.

griffier                                                                                      voorzitter    

De beslissing is verzonden op 8 december 2023.