Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-07-2023

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2023:124

Zaaknummer

230093

Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat klager misbruik maakt van klachtrecht. Volgens het hof moet klager er rekening mee houden dat de deken een volgend verzoek op grond van artikel 13 niet in behandeling zal nemen.

Uitspraak

 

Beslissing van 28 juli 2023

in de zaak 230093

                                     

naar aanleiding van het beklag van:

 

klager

                                     

tegen:

                                     

de deken

 

 

1 HET BEKLAG

1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 24 maart 2023. Klager heeft een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

 

2 DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1 Het beklag, met bijlagen, is op 12 april 2023 ontvangen door de griffie van het hof.

2.2 Verder bevat het dossier:

het verweerschrift van de deken; de repliek; de dupliek.

2.3 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

 

3 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

​​​​​​​3.1 In 2014 heeft de deken aan klager een advocaat toegewezen, mr. L. Klager is over de bijstand van mr. L ontevreden en hij houdt deze advocaat aansprakelijk. Klager is ook van mening dat de Amsterdamse orde van Advocaten jegens hem aansprakelijk is.

​​​​​​​3.2 Op 14 april 2020 heeft klager de deken verzocht om een advocaat toe te wijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet (Aw) voor bijstand in de aansprakelijkheidskwestie tegen mr. L en tegen de Amsterdamse orde. De deken heeft dat verzoek afgewezen op 30 april 2020. Tegen de afwijzende beslissing van de deken heeft klager beklag ingesteld.

​​​​​​​3.3 Op 8 januari 2021 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard (zaak 200125). Het hof heeft onder meer als volgt geoordeeld:

 

4.7 Vaststaat dat de deken al eerder in deze kwestie een advocaat heeft aangewezen. Klager wenst nu opnieuw aanwijzing van een advocaat, dit keer om de eerder aangewezen advocaat aansprakelijk te stellen. Het feit dat de door de deken aangewezen advocaat niet bereid is de door klager gewilde civiele procedure te beginnen, betekent niet dat klager recht heeft op de aanwijzing van een andere advocaat. Het hof merkt daarbij op dat voor de vraag of zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 13 Advocatenwet niet beslissend is of de rechtzoekende een advocaat kan vinden die bereid is te doen wat de rechtzoekende van zijn advocaat verlangt. Naar het oordeel van het hof heeft de deken het tweede verzoek tot aanwijzing van een advocaat op goede gronden afgewezen. Het hof stelt vast dat klager [naam aangewezen advocaat] als de vijfde advocaat aansprakelijk wil stellen. Daarnaast heeft klager nog een klachtprocedure tegen de deken lopen. Desalniettemin heeft de deken zich ervoor sterk gemaakt dat [naam aangewezen advocaat] zijn rechtsbijstand voortzet onder de hiervoor onder 4.3 genoemde voorwaarden. Daarbij heeft de deken gemotiveerd aangegeven dat het aan [naam aangewezen advocaat] gemaakte verwijt dat de verjaring niet gestuit is, zonder grond is. Klager heeft laten weten dat hij op de door de deken aangedragen oplossing niet wenst in te gaan. Dat is zijn keuze maar dit betekent niet dat de deken een nieuwe advocaat hoeft aan te wijzen. Klager heeft zijn kans gehad.

 

​​​​​​​3.4 Op 18 februari 2023 heeft klager de deken verzocht om het dossier te heropenen. De deken heeft het verzoek opgevat als een nieuw verzoek tot aanwijzing van een advocaat.

 

​​​​​​​3.5 Op 24 maart 2023 heeft de deken het nieuwe verzoek afgewezen op, zakelijk weergegeven, de grond dat het verzoek gebaseerd is op dezelfde feiten als het eerdere verzoek waarop negatief is beslist.

 

4 BEOORDELING

 

Beklag

 

​​​​​​​4.1 Klager gaat in zijn beklag uitvoerig in op de onderliggende kwestie. Klager stelt dat mr. L al aansprakelijk is gesteld en dat een aantal advocaten hem hebben bevestigd dat mr. L een beroepsfout heeft begaan. Vervolgens stelt klager:

 

“En dat betekent dat er een advocaat aangewezen zou moeten worden om Artikel 13 van de Advocatenwet te handelen, nu ik alles gedaan hebt om een advocaat te vinden helaas niet gelukt is. Dat betekend dat niet alleen Artikel 13 van de Advocatenwet te maken heeft van het toekennen van een advocaat maar ook Artikel 67 Burgerlijk Wetboek geeft het expliciet aan. Vervolgens zegt de deken: er is mij niet gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals door mij in 2020 en door het hof van discipline beoordeeld in 2021. De door u aangevoerde adviezen en de second opinion leiden niet tot een andere beoordeling. Vervolgens wordt het verzoek afgewezen.

 

Dit wordt op een zeer makkelijke en niet gemotiveerd wijze afgewezen en in strijd met de bovengenoemde wetten. De deken zegt niet dat ik niet op alle voorwaarde hebt voorzien naar aanleiding van bovengenoemde artikelen - maar wijst het verzoek af

 

Ik verzoek het hof van discipline alsnog een nieuw deken aan te wijzen om op grond van Artikel 13 van de Advocatenwet en Artikel 67 BurgerljkWetboek toe te kennen daar alle voorwaarde zijn voldaan, terneer deze dringend en noodzakelijk is om een vertegenwoordiging dan niet tijdig een gespecialiseerde advocaat toe te voegen.”

 

​​​​​​​4.2 Klager heeft ter onderbouwing van zijn standpunt twee adviezen van mrs. TS en T, beiden advocaat te Suriname, overgelegd. Mrs. TS en T concluderen beiden dat mr. L is tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens klager. Mr. TS voegt daaraan toe dat aan klager op grond van artikel 13 Aw een advocaat dient te worden toegewezen “teneinde hem in een eerlijk proces tegen [mr. L] bij te staan”.

 

Verweer deken

 

​​​​​​​4.3 De deken heeft aangevoerd dat het verzoek van klager opnieuw berust op de wens om mr. L aansprakelijk te stellen. Het gaat volgens de deken om een verzoek waarop al eerder negatief is beslist. Nieuwe feiten of omstandigheden, ten opzichte van het dossier dat heeft geleid tot de beslissing van het hof van 8 januari 2021, zijn door klager niet gesteld. Klager gaat met zijn verzoek voorbij aan overweging 4.7 van het hof.

 

Toetsingskader

 

​​​​​​​4.4 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

 

Beoordeling

 

​​​​​​​4.5 Met de deken is het hof van oordeel dat het verzoek van klager berust op dezelfde feiten en omstandigheden als het verzoek dat eerder is afgewezen. Klager heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld. De adviezen van de Surinaamse advocaten zijn niet als zodanig aan te merken, nu zij zich op dezelfde feiten en omstandigheden baseren als waarover al eerder is beslist. Reeds op deze grond komt het hof tot het oordeel dat het verzoek door de deken terecht is afgewezen. Dit betekent dat het beklag ongegrond is.

 

​​​​​​​4.6 Het hof is verder van oordeel dat klager met zijn herhaalde verzoek misbruik maakt van recht. Klager moet er rekening mee houden dat een volgend verzoek tot toewijzing van een advocaat dat gegrond is op dezelfde omstandigheden als de verzoeken van 14 april 2020 en 18 januari 2023 door de deken niet in behandeling genomen zullen worden.

 

 

5 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 24 maart 2023 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.

 

Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Tijs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2023 .

 

 

                                                                                                                 

 

 

griffier                                                                                                       voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 28 juli 2023.