Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-06-2023

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2023:78

Zaaknummer

22-998/DB/OB

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht tegen verweerder in hoedanigheid van deken. De klachtonderdelen 1 en 2 hebben betrekking op het optreden van verweerder in oktober 2018. Klager heeft zich op 16 maart 2022 met een klacht over deze handelwijze van verweerder tot het Hof van Discipline gewend, zodat deze klachtonderdelen op grond van artikel 46g Advocatenwet niet-ontvankelijk zijn. Ter zake de klachtonderdelen 3 tot en met 6 oordeelt de raad dat niet is gebleken verweerder zich bij de vervulling van de functie van deken zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 26 juni 2023

in de zaak 22-998/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

 

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 16 maart 2022 heeft klager een klacht tegen verweerder voorgelegd aan de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline. De plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) bij beslissing d.d. 13 april 2022 (kenmerk 220087) voor onderzoek en behandeling van de klacht tegen verweerder aangewezen.

1.2 Op 21 december 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|22|056K van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 mei 2023. Daarbij waren klager en verweerder, bijgestaan door mr. K. (stafjurist), aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de bijlagen 1 tot en met 8, van de nagekomen e-mail van klager d.d. 19 januari 2023 met bijlagen  en van hetgeen overigens ter zitting is verhandeld.  

 

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2     Op 16 oktober 2018 heeft klager bij verweerder klachten ingediend over mrs. H, W en D. Bij brief d.d. 26 oktober 2018 heeft mr. SH, stafjurist bij het Bureau van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Den Haag, namens verweerder aan klager bericht dat de klachten niet in behandeling werden genomen, omdat mrs. H, W en D niet meer waren ingeschreven op het tableau en verweerder niet beschikte over hun huisadressen.

2.3     Bij brief d.d. 8 april 2021 heeft klager verweerder nogmaals verzocht om de klachten tegen mrs. H, W en D in behandeling te nemen.

2.4     Bij brief d.d. 24 mei 2021 heeft klager verweerder verzocht om zijn klachten mee te nemen in het onderzoek dat verweerder ambtshalve had ingesteld tegen het kantoor waar mrs. H, W en D werkzaam waren geweest en om de klachten direct door te zenden naar de raad van discipline.

2.5     Bij brief d.d. 8 juni 2021 heeft verweerder klager andermaal bericht dat de klachten niet behandeling werden genomen, omdat mrs. H, W en D niet meer waren ingeschreven op het tableau. Ook heeft verweerder klager bericht: “Voorts is de termijn waarop een klacht verjaart, drie jaar”.  Tot slot heeft verweerder klager bericht dat hij klagers klachten niet zou betrekken in het onderzoek dat verweerder ambtshalve had ingesteld tegen het kantoor waar mrs. H, W en D werkzaam waren geweest.

2.6     Op 16 maart 2022 heeft klager een klacht tegen verweerder voorgelegd aan de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline.

2.7     Op 14 april 2022 zijn de klachten alsnog doorgezonden naar de raad van discipline.

 

3 KLACHT

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

1. verweerder heeft de door klager ingediende klachten ten onrechte niet in behandeling genomen;

2. verweerder heeft ten onrechte het standpunt ingenomen dat mrs. H, W en D niet meer waren onderworpen aan het tuchtrecht, omdat mrs. H, W en D niet meer waren ingeschreven op het tableau en verweerder niet beschikte over hun huisadressen;

3. verweerder heeft niet binnen vier weken op klagers brief van 8 april 2021 gereageerd;

4. verweerder heeft in zijn brief van 8 juni 2021 ten onrechte een beroep gedaan op de verjaringstermijn van drie jaar;

5. verweerder heeft verzuimd om onderzoek te doen naar de door klager ingediende klachten;

6. verweerder heeft verzuimd om de klachten door te sturen naar de raad van discipline.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

5.1     De raad stelt vast dat de klacht is gericht tegen verweerder in zijn hoedanigheid van (voormalig) deken in het arrondissement Den Haag. Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat de vraag voorligt of verweerder zich bij de vervulling van de functie van deken op de punten die in deze tuchtzaak aan de orde zijn zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

5.2     Klachtonderdelen 1 en 2

          De raad overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennis genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het nalaten of handelen van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.

5.3   De klachtonderdelen 1 en 2 hebben betrekking op het optreden van verweerder in oktober 2018, en dan gaat het met name om hetgeen verweerder klager bij brief van 16 oktober 2018 heeft bericht. Klager heeft zich op 16 maart 2022 met een klacht over deze handelwijze van verweerder tot het Hof van Discipline gewend, zodat de klachtonderdelen 1 en 2 op grond van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk moeten worden verklaard vanwege het verstrijken van de in voormeld artikel bedoelde termijn.

5.4     Klachtonderdelen 3 tot en met 6

          Ter zake klagers verwijt in onderdeel 3, inhoudende dat verweerder niet binnen vier weken op klagers brief d.d. 8 april 2021 heeft gereageerd, oordeelt de raad als volgt. Er is geen rechtsregel die voorschrijft dat verweerder binnen vier weken moet reageren. In dat licht kan verweerder van het niet binnen een periode van vier weken reageren op klagers brief geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel 3 is derhalve ongegrond.

5.5     Ter zake klagers verwijt in onderdeel 4, inhoudende de mededeling van verweerder dat klager ten onrechte een beroep heeft gedaan op verjaring, oordeelt de raad dat ook deze klacht ongegrond is. Verweerder heeft in zijn brief van 8 juni 2021 gereageerd op het verzoek van klager om zijn eerder ingediende klachten tegen een aantal advocaten opnieuw in behandeling te nemen. De daarin gedane mededeling aan klager dat voor deze klachten een verjaringstermijn van 3 jaren geldt, ziet de raad als een informatieve mededeling van verweerder aan klager waarvan hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel 4 is ongegrond.

5.6     De klachtonderdelen 5 en 6 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Vast staat dat verweerder de door klager ingediende klachten aan zijn opvolgend deken ter behandeling heeft overgedragen en deze klachten op verzoek van klager op 14 april 2022 zijn doorgezonden naar de raad van discipline. De door klager ingediende klachten worden derhalve tuchtrechtelijk onderzocht en beoordeeld. Van enig verzuim aan de zijde van verweerder dat zou moeten leiden tot een tuchtrechtelijk verwijt, is naar het oordeel van de raad geen sprake. De klachtonderdelen 5 en 6 zijn dan ook ongegrond.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

verklaart de klachtonderdelen 1 en 2, niet-ontvankelijk; verklaart klachtonderdelen 3 tot en met 6 ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. J.D.E. van den Heuvel, M. Callemeijn, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2023.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 26 juni 2023