Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-06-2023

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2023:79

Zaaknummer

23-279/DB/LI

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over kwaliteit van de dienstverlening deels niet-ontvankelijk ex art. 46g Advocatenwet en deels kennelijk ongegrond wegens ontbreken feitelijke grondslag. 

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 27 juni 2023

in de zaak 23-279/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

 

verweerder

 

 

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 21 april 2023 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken), door de raad ontvangen per e-mail van 21 april 2023 met kenmerk K22-103 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Verweerder heeft klager onder meer bijgestaan in een procedure bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). In deze procedure was bepaald dat de mondelinge behandeling zou plaatsvinden op 29 oktober 2019. Op 28 oktober 2019 heeft verweerder de CRvB om aanhouding verzocht omdat hij vanwege een ongeval niet in staat was de mondelinge behandeling te verschijnen. Verweerder heeft vervolgens in overleg met de griffie van de CRvB ingestemd met het voorstel van de voorzitter om de zaak zonder zitting af te doen. Verweerder heeft op 28 oktober 2019 een aanvulling op zijn appelschriftuur ingediend.

1.2 Verweerder heeft namens klager op 16 december 2019 een herzieningsprocedure aanhangig gemaakt bij de CRvB. Klager heeft toen stukken aangeleverd aan verweerder. Verweerder heeft die stukken in het geding gebracht. Op 9 november 2021 heeft de CRvB het herzieningsverzoek afgewezen.

1.3 Klager heeft van 2 december 2021 tot en met 8 augustus 2022 in detentie verbleven. Klager heeft in 2021 contact heeft gehad met de deken omdat hij zich wilde beklagen over verweerders optreden, Klager heeft op 20 september 2022 een klacht over verweerder bij de deken ingediend en heeft de klacht op 28 september 2022 weer ingetrokken. Klager heeft verweerder aansprakelijk gesteld. Verweerders beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar heeft aansprakelijkheid afgewezen.

1.4       Op 8 november 2022 heeft klager tegen verweerder opnieuw een klacht ingediend bij de deken.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

Verweerder is tekort geschoten in de bijstand van klager.

2.2       Toelichting

Verweerder heeft op 28 oktober 2019 zonder klagers toestemming contact opgenomen met de rechtspraak met een verzoek om uitstel en vervolgens, wederom zonder klagers toestemming, ingestemd met schriftelijke afdoening. Verweerder is niet deskundig in cassatiezaken en heeft slecht werk geleverd in de cassatiezaak, de strafzaak en de bestuursrechtelijke procedure.

 

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

4.1 De voorzitter overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennis genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het nalaten of handelen van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.

4.2       Klager verwijt verweerder dat hij op 28 oktober 2019 zonder klagers toestemming contact heeft opgenomen met de rechtspraak met een verzoek om uitstel en vervolgens, wederom zonder klagers toestemming, heeft ingestemd met schriftelijke afdoening. Vast staat dat klager reeds in 2021 contact heeft gehad met de deken, dat hij op 20 september 2022 een klacht over verweerder bij de deken heeft ingediend en dat hij deze klacht op 28 september 2022 weer heeft ingetrokken. Klager heeft zich op 8 november 2022, derhalve na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, opnieuw met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Omdat de termijn is verstreken zal de voorzitter de klacht, voor zover deze betrekking heeft op verweerders optreden van voor 8 november 2019, niet-ontvankelijk verklaren. Van bijzondere omstandigheden waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn is naar het oordeel van de voorzitter geen sprake. Dat klager in detentie heeft verbleven geldt niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid.

4.3       Voor zover de klacht betrekking heeft op verweerders optreden vanaf 8 november 2019 kan klager wel in de klacht worden ontvangen. De voorzitter overweegt dat het aan de klager is om een tuchtklacht voldoende feitelijk en concreet te omschrijven en met bewijs te onderbouwen, zodat de tuchtrechter de feiten die de klager aan de klacht ten grondslag legt, kan vaststellen en beoordelen. Tegenover het verweer van verweerder heeft klager de klacht onvoldoende onderbouwd, terwijl in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers verwijten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, is de klacht kennelijk ongegrond.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, voor zover deze betrekking heeft op verweerders optreden van voor 8 november 2019, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet- ontvankelijk; de klacht, voor zover deze betrekking heeft op verweerders optreden vanaf 8 november 2019, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.H.L. Baggel, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27  juni 2023.

 

Griffier                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 27 juni 2023