Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-05-2023

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2023:54

Zaaknummer

23-244/DB/OB

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat in hoedanigheid van advocaat van de wederpartij kennelijk niet-ontvankleijk op grond van artikel 47b Advocatenwet (ne bis in idem).

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2023

in de zaak 23-244/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

 

verweerster

 

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 31 maart 2023 met kenmerk 48/22/118K, door de raad per e-mail ontvangen op 31 maart 2023, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Verweerster trad in een procedure op voor de wederpartij van klager, in welke procedure verweerster namens haar cliënte heeft gevorderd dat aan klager een straat- en contactverbod wordt opgelegd. Verweerster heeft in deze procedure als productie een verklaring van een autobedrijf van 11 september 2019 overgelegd.

1.2 Klager heeft eerder klachten over verweerster ingediend (bij de raad bekend onder nummer 21-849/DB/OB). De klachten in deze klachtprocedure luidden als volgt: “Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:

a)         Verweerster heeft in de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep opzettelijke valse informatie aan de rechter verstrekt ter verkrijging van een aan klager op te leggen gebiedsverbod;

b)         Verweerster heeft zich door haar cliënte laten aanzetten tot het plegen van valsheid in geschrifte door aan te geven dat haar cliënte in D(…) woonde. Verweerster wist volgens klager echter dat haar cliënte nooit in D(…) heeft gewoond en moet hebben geweten dat haar cliënte gedurende de procedures in O(…) woonde;

c)         Verweerster heeft geen blijk gegeven van een eerlijke proceshouding;

d)         Door toedoen van verweerster heeft klager € 2.560,- moeten betalen. Klager werd gedwongen om het bedrag binnen twee weken te voldoen.”

Deze klachten zijn bij beslissing van 9 december 2021 door de voorzitter van de raad kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft op 20 december 2021 tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. De raad van discipline heeft het verzet bij beslissing van 9 mei 2022 ongegrond verklaard.

1.3       Klager heeft op 17 augustus 2022 opnieuw een klacht bij de deken ingediend over verweerster.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:

Verweerster heeft in een procedure tussen klager en de cliënte van verweerster een verklaring van X van 11 september 2019 als productie ingediend, waarvan zij had kunnen weten dan wel vermoeden dat deze niet op waarheid berustte.

 

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 47b Advocatenwet kan een advocaat niet andermaal tuchtrechtelijk worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. De advocaat tegen wie een klacht is ingediend moet er na het einde van de klachtprocedure immers in beginsel op kunnen vertrouwen dat de klacht tegen hem daarmee afgewikkeld is en niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd, ook niet als de klachtomschrijving anders wordt geformuleerd, maar wel betrekking heeft op dezelfde gedragingen in dezelfde periode. (zie HvD 9 maart 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:38).

Ontvankelijkheid

4.2 Vast staat dat de raad in 2022 in klachtzaak 21-849/DB/OB onherroepelijk uitspraak heeft gedaan over de klachtonderdelen die toen voorlagen. De klachtonderdelen in de klachtzaak waarop onherroepelijk is beslist hadden, evenals de klacht in de onderhavige klachtzaak, betrekking op gedragingen van verweerster in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij in de procedure tussen klager en zijn ex-partner betreffende het jegens klager gevorderde contact- en straatverbod. Ook in de procedure die heeft geleid tot de onherroepelijke beslissing van de raad van 9 mei 2022 verweet klager verweerster opzettelijk valse informatie aan de rechter te hebben verstrekt.

4.3 Uit de hiervoor door de raad vastgestelde feiten blijkt dat de in onderhavige klachtzaak verweten gedragingen in essentie dezelfde zijn als de gedragingen waarover klager in klachtprocedure 21-849/DB/OB al heeft geklaagd en waarop reeds bij beslissing van de raad d.d. 9 mei 2022 onherroepelijk is beslist. De tuchtrechter zal zich daarover, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 47b Advocatenwet, niet nogmaals buigen. Verweerster heeft er immers op mogen vertrouwen dat met de uitspraak van de raad aan de tuchtzaak die klager jegens haar aanhangig had gemaakt een einde was gekomen. Van een klager mag worden verwacht dat hij alle klachten en voorbeelden betreffende het verweten handelen gelijktijdig aan de tuchtrechter voorlegt. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze moet naar het oordeel van de voorzitter worden gekwalificeerd als misbruik van recht. Klager moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerster door de deken respectievelijk de raad buiten behandeling zal worden gesteld.

4.4 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. J.M.H.  Schoenmakers , bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2023.

 

Griffier                                                            Voorzitter

 

 

Verzonden op: 8 mei 2023