Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-03-2023

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2023:56

Zaaknummer

22-505/AL/OV

Inhoudsindicatie

Klaagster is tijdens een (herhaald) opsporingsprogramma op tv als verdachte van Whatsapp-fraude in beeld gebracht. Kort na die uitzending bleek dat door een technische storing bij de betrokken bank de tijden van de pintransactie niet gelijk liepen met die van de camera van de bank, waardoor klaagster ten onrechte als verdachte in beeld is gebracht. Ondanks excuses is klaagster toch nog langer als verdachte aangemerkt. Daarin heeft zij om de bijstand van verweerder gevraagd. Verweerder heeft klaagster naar het oordeel van de raad aan haar lot overgelaten door telkens niet te reageren op haar vragen om contact en om niet met haar te overleggen over de te nemen stappen in haar stressvolle situatie. Verweerder heeft zijn zorgplicht jegens klaagster geschonden en daarbij ook in strijd met de kernwaarde deskundigheid gehandeld, terwijl hij voorafgaand aan of tijdens de zitting van de raad geen uitleg voor zijn handelen heeft gegeven of klaagster zijn verontschuldigingen heeft aangeboden. De raad acht een voorwaardelijke schorsing van 4 weken in de praktijkuitoefening van verweerder passend.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 13 maart 2023 in de zaak 22-505/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:

klaagster over   verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 30 maart 2022 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 21 juni 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1863458 van de deken ontvangen. 1.3 Op 16 februari 2023 om 16:50 uur is ter griffie van de raad een aanhoudingsverzoek namens verweerder ontvangen. Dit verzoek is door de raad per e-mail van 17 februari 2023 om 10:32 uur afgewezen, vanwege het late tijdstip van het verzoek, het ontbreken van een medische verklaring van een arts ter onderbouwing van de gezondheidsproblemen van verweerder en het belang van een spoedige voortgang van de procedure en een beslissing van de raad voor klaagster. Verweerder heeft zijn aanhoudingsverzoek herhaald per mail ontvangen ter griffie van de raad op 17 februari 2023 om 14:16 uur. Dit verzoek is door de raad evenmin ingewilligd. Verweerder heeft daarin geen onderbouwing van zijn medische situatie gegeven en zodoende niet toegelicht waarom sprake was van een klemmende reden om niet te kunnen verschijnen op de zitting. Het verdere standpunt van verweerder in zijn tweede aanhoudingsverzoek, dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om verhinderdata over specifieke maanden op te geven, strookt niet met de op 20 juli 2022 van verweerder ontvangen verhinderdata over de door de griffier van de raad opgevraagde maanden. Door rekening te houden met de door partijen opgegeven verhinderdata heeft de raad de zitting niet eerder kunnen plannen dan op 17 februari 2023. Dat staat los van de door de raad geachte noodzaak om in het belang van een voortvarende afhandeling van klachtzaken in het algemeen ook in deze zaak een spoedige afhandeling voor te staan. 1.4 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 17 februari 2023. Daarbij was klaagster aanwezig, verweerder niet. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen.

2 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.1 Klaagster is op 29 oktober 2020 in beeld gekomen als verdachte van Whatsapp-fraude in een opsporingsprogramma van RTV Oost. Deze uitzending is elk uur herhaald en gedeeld op sociale media. Kort na deze uitzending bleek dat door een technische storing bij de SNS-bank de tijden van de pintransactie niet gelijk liepen met die van de camera van de SNS-bank, waardoor klaagster ten onrechte als verdachte in beeld is gebracht. 2.2 Klaagster heeft zich daarna tot verweerder gewend voor juridische bijstand c.q. het indienen van een klacht tegen de SNS-bank. Op kantoor van verweerder heeft een intakegesprek plaatsgevonden. 2.3 Op 13 november 2020 heeft klaagster aan verweerder de door haar ontvangen excuses van de politie, justitie en RTV Oost doorgestuurd. 2.4 Klaagster heeft daarna op verschillende momenten verweerder over het volgende benaderd: - op 2 december 2020: in deze e-mail heeft zij verweerder verzocht om contact met haar op te nemen na haar tevergeefse pogingen om contact met hem te krijgen, - op 6 januari 2021: in deze e-mail heeft klaagster de ontvangst bevestigd van de brief van verweerder van 29 december 2020 met daarin het verzoek om contact met hem op te nemen. In deze e-mail heeft klaagster gemeld dat zij zonder succes heeft geprobeerd om contact met verweerder te krijgen, - op 11 januari 2021: in deze e-mail heeft klaagster haar teleurstelling uitgesproken over het gebrek aan contact en zich afgevraagd waarom hij, ondanks zijn verzoek tot contact, onbereikbaar is, - op 25 januari 2021, herhaald op 2 februari 2021: in deze e-mails heeft zij verweerder gevraagd haar op de hoogte te houden van de voortgang en contact met haar op te nemen, - op 17 februari 2021: in deze e-mail heeft klaagster aan verweerder gemeld dat zij voor de camera van RTV Oost haar verhaal zal doen, waarna zij verweerder op 10 maart 2021 heeft laten weten nog niks van RTV Oost te hebben gehoord. 2.5 Op 25 maart 2021 heeft RTV Oost aandacht aan de kwestie van klaagster besteed en daarvoor ook de SNS-bank benaderd. Hieraan voorafgaand is er contact met klaagster per e-mail geweest en is een vraaggesprek met haar opgenomen. Verweerder was daarbij aanwezig. 2.6 In haar e-mail van 1 april 2021, herhaald op 6 april 2021, heeft klaagster verweerder gevraagd haar te bellen over de laatste ontwikkelingen. 2.7 Op 7 april 2021 heeft klaagster van RTV Oost een WhatsApp-bericht ontvangen met de mededeling dat de woordvoerder van de SNS-bank had laten weten nog niets van haar en verweerder te hebben vernomen. De woordvoerder van de SNS-bank zou zich hebben afgevraagd of iets niet goed is gelopen of dat klaagster het zo welletjes vindt. 2.8 In zijn e-mail van 8 april 2021 heeft verweerder aan klaagster laten weten dat hij dacht dat RTV Oost het telefoonnummer van klaagster aan de SNS-bank had gegeven en dat de bank haar zou bellen. Verweerder heeft klaagster geadviseerd om de woordvoerder van de bank zelf te bellen. Ook heeft hij klaagster gevraagd of het, na het persartikel, voldoende is dat de bank excuses aanbiedt of dat klaagster iets anders wil. Daarop heeft klaagster, in e-mails daarna, aan verweerder laten weten dat het artikel en de stress haar juist strijdbaar hebben gemaakt en dat excuses niet voldoende zijn, zoals verweerder al langer wist. Daarop heeft verweerder laten weten dat ze de vervolgstappen moeten bespreken maar dat schriftelijke excuses van de bank daarvoor wel belangrijk zijn. 2.9 Per e-mail van 12 april 2021 heeft klaagster verweerder gevraagd haar op de hoogte te houden. Ook heeft ze gemeld geen contactgegevens van de SNS-bank te hebben zodat zij er vanuit gaat dat hij contact opneemt. RTV Oost heeft ze destijds voor alle info ook naar verweerder doorverwezen. 2.10 In haar e-mails van 26 april 2021, 17 en 25 mei 2021 heeft klaagster verweerder gevraagd naar de stand van zaken en of het is gelukt met het concept. 2.11 Per e-mail van 26 juli 2021 heeft verweerder aan klaagster gevraagd om hem de datum door te geven waarop de gewraakte uitzending bij RTV Oost heeft plaatsgevonden. 2.12 Op 29 juli 2021 heeft klaagster verweerder laten weten dat zij hem telkens niet aan de telefoon krijgt. Ook heeft zij in die e-mail de gebeurtenissen in chronologische volgorde opgesomd en verweerder gevraagd om contact op te nemen. 2.13 In haar e-mail van 8 juli 2021 heeft klaagster zich bij verweerder opnieuw beklaagd over zijn onbereikbaarheid, zijn ontwijkende gedrag en het niet nakomen van zijn toezeggingen. 2.14 Op 24 september 2021 heeft verweerder aan klaagster geschreven:

Gisterenmiddag liep een bespreking nogal uit, zodat ik U niet meer belde.

Ik ben nog bezig met het bezien welk bedrag aan immateriële schade in uw geval redelijk is. Op dit moment gaan mijn gedachten uit naar een bedrag van € 5.000,00.

2.15 Op 18 oktober 2021 heeft verweerder aan klaagster geschreven:

Het lukte mij vanwege een uren durend politieverhoor niet meer om vrijdag contact met je op te nemen. Ik ben nog steeds bezig met het zoeken naar uitspraken. Ik heb nog geen uitspraken gevonden die passen bij hetgeen jij voor ogen hebt. Ik bericht je nader.

2.16 In haar e-mail van 26 november 2021 heeft klaagster daarop aan verweerder een link doorgestuurd over een gelijksoortige zaak met imagoschade. 2.17 Op 17 januari 2022 heeft klaagster aan verweerder geschreven:

Afgelopen weken, maanden heb ik uw proberen te bellen maar krijg u niet te spreken. Ook geen enkele wederbericht. U begrijpt dat ik dit heel vervelend vind.

U vraagt mij om geduld te hebben maar hoeveel geduld kan ik nog verdragen. U zegt dat u het aan het onderzoeken bent maar tot op heden geen enkele info ontvangen. Ik weet niet of uw de SNS bank al hebt aangeklaagd.

Nogmaals hou mij aub op de hoogte.

2.18 Op 10 maart 2022 heeft klaagster aan verweerder een dringende oproep gestuurd om te reageren en hem laten weten dat zij zich aan het lijntje gehouden voelt. Verweerder heeft daarop niet gereageerd.

3 KLACHT De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a) op herhaalde terugbelverzoeken en op e-mails van klaagster niet of nauwelijks te reageren en haar aan het lijntje te houden; b) niet voortvarend voor klaagster te handelen ondanks haar stressvolle situatie.

4 VERWEER Verweerder heeft tegen de klacht geen verweer gevoerd.

5 BEOORDELING maatstaf 5.1 In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder de belangen van klaagster heeft behandeld met voldoende zorg voor de belangen van klaagster, als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet. De raad neemt bij de beoordeling het volgende in aanmerking 5.2 De raad heeft als tuchtrechter mede tot taak om de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling houdt de tuchtrechter rekening met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. 5.3 De vrijheid die de advocaat daarbij heeft is niet onbeperkt. Deze wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat worden gesteld als opdrachtnemer in de uitvoering van datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden’ mag worden verwacht. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep, wat betreft de vaktechnische kwaliteit, geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. 5.4 Voorts geldt dat de tuchtrechter bij de toetsing aan de normen die uit artikel 46 Advocatenwet volgen, ook de kernwaarden zal betrekken, zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is daarbij niet gebonden aan de gedragsregels maar die regels zijn gezien het open karakter van de wettelijke normen ter invulling van deze normen wel van belang.Heeft verweerder voldaan aan zijn informatie- en communicatieplicht? 5.5 Verweerder heeft geen verweer gevoerd tegen de klacht van klaagster. De beide klachtonderdelen van klaagster worden naar het oordeel van de raad onderbouwd met de door klaagster overgelegde correspondentie. 5.6 Op grond hiervan is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten in zijn zorgplicht richting klaagster. Klachtonderdelen a) en b) worden dan ook gegrond verklaard.

6 MAATREGEL 6.1 Omdat de klacht gegrond wordt verklaard komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Verweerder heeft onvoldoende oog voor de belangen van klaagster gehad en haar ook niet op deskundige en voortvarende wijze bijgestaan. De raad rekent het verweerder ook ernstig aan dat hij klaagster in deze voor haar stressvolle situatie aan haar lot heeft overgelaten door telkens niet te reageren op haar vragen om contact en niet met haar te overleggen over de te nemen stappen. Op de sporadische momenten dat hij wel contact met klaagster heeft gezocht, is de raad gebleken dat hij daarin aan klaagster vragen heeft gesteld waarvan hij het antwoord al had kunnen en moeten weten. Dat zweemt naar tijd rekken waardoor verweerder klaagster nog langer in het ongewisse heeft gelaten. 6.2 Tijdens de zitting van de raad heeft klaagster verklaard dat zij geen opdrachtbevestiging van verweerder heeft gekregen en ook geen tariefafspraken met hem heeft gemaakt anders dan dat dat volgens verweerder wel goed zou komen. Klaagster heeft inmiddels een advocaat gevonden die haar belangen in deze kwestie op basis van een toevoeging verder behartigt. Volgens klaagster heeft verweerder haar niet geïnformeerd dat zij hiervoor in aanmerking kwam. 6.3 Alhoewel hetgeen tijdens de zitting door klaagster is verklaard de klacht in deze zaak op onderdelen te buiten gaat, vindt de raad dit wel een zorgelijke ontwikkeling. Dat komt in het bijzonder doordat verweerder in de afgelopen paar jaar een aantal tuchtrechtelijke maatregelen (een waarschuwing en twee berispingen) opgelegd heeft gekregen en ook omdat er naar zijn kantoororganisatie een artikel 60c-onderzoek heeft plaatsgevonden. 6.4 Nu verweerder zijn zorgplicht als advocaat jegens klaagster heeft geschonden en daarbij ook in strijd met de kernwaarde deskundigheid heeft gehandeld, terwijl hij voorafgaand aan of tijdens de zitting van de raad geen uitleg voor zijn handelen heeft gegeven of klaagster zijn verontschuldigingen heeft aangeboden, acht de raad een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening van verweerder passend en geboden.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 0790 00, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klacht gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vier (4) weken op; - bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende algemene voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging; - stelt de proeftijd op een periode van twee (2) jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt; - veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus, Y.N. Nijhuis, H.Q.N. Renon, M.J.J.M. van Roosmalen, leden, bijgestaan door  mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2023.   griffier                                                                                                           voorzitter   Verzonden d.d. 13 maart 2023