Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-07-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2022:380

Zaaknummer

22-304/AL/OV

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat van de wederpartij. Het stond verweerder vrij om klager een procedure in het vooruitzicht te stellen. Dat verweerder te hoge bedragen heeft gevorderd en deze zonder grond heeft verhoogd is voorts niet gebleken. In de klacht dat verweerder jegens klagers voormalig advocaat heeft gedreigd met indiening van een klacht kan klager niet worden ontvangen, omdat niet is gebleken door dit verweten handelen rechtstreeks in zijn eigen belang is getroffen. Klacht deels kennelijk ongegrond, deels kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2022 in de zaak 22-304/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:

klager oververweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel 11 april 2022 met kenmerk 1524791, door de raad ontvangen op 11 april 2022, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan. 1.1 Klager enerzijds en vier van klagers broers anderzijds zijn verwikkeld in een erfrechtelijke kwestie in het kader waarvan diverse gerechtelijke procedures hebben plaatsgevonden. Bij vonnis d.d. 21 januari 2020, bekrachtigd bij arrest d.d. 6 april 2021, zijn verweerders cliënten veroordeeld tot betaling aan klager, terwijl klager in een ander arrest is veroordeeld tot betaling aan verweerders cliënten. 1.2 Klager is bijgestaan door mr. N, advocaat. Mr. N en verweerder hebben per e-mail over en weer voorstellen gedaan teneinde tot een afwikkeling van de kwestie te komen. Verweerder heeft daarbij naar voren gebracht dat opheffing van de blokkade van de ervenrekening een van de voorwaarden van zijn cliënten was om tot een regeling te komen. 1.3 Bij e-mail d.d. 16 juli 2021 heeft verweerder mr. N bericht dat hij van zijn cliënten opdracht had gekregen om tegen mr. N een klacht in te dienen bij de deken, omdat zij namens klager het vonnis d.d. 21 januari 2020 had laten betekenen, zonder verweerders cliënten vooraf in de gelegenheid te stellen om vrijwillig aan het vonnis te voldoen. Tot indiening van een klacht is het niet gekomen. 1.4 Op of omstreeks 8 augustus 2021 heeft mr. N haar bijstand aan klager gestaakt. Klager heeft vervolgens zelf de correspondentie met verweerder over de afwikkeling van de kwestie voortgezet. Verweerder heeft klager meerdere malen verzocht om zijn medewerking te verlenen aan opheffing van de blokkade van de ervenrekening, bij gebreke waarvan jegens klager een kort geding procedure zou worden opgestart. 1.5 Bij e-mail d.d. 15 september 2021 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat hij van zijn cliënten de opdracht had verkregen om klager te dagvaarden, omdat deze zich niet voor het verstrijken van de door verweerder gestelde termijn bereid had verklaard om zijn medewerking te verlenen aan de deblokkering van de ervenrekening. 1.6 Op 17 september 2021 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. Verweerder heeft in zijn hoedanigheid van advocaat van klagers wederpartij onbetamelijk gehandeld door: a) te dreigen met procedures en te hoge bedragen te vorderen en deze zonder grond te verhogen; b) jegens klagers voormalig advocaat te dreigen met indiening van een klacht.

3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING 4.1 De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. De voorzitter overweegt dat de advocaat van de wederpartij een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. De voorzitter zal de klacht met inachtneming van deze uitgangspunten beoordelen.Klachtonderdeel a) 4.2 Vast staat dat verweerder aanvankelijk met mr. N en vervolgens rechtstreeks met klager heeft gecorrespondeerd teneinde tot een afwikkeling van het geschil tussen klager en diens broers te komen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat sprake was van een conflictueuze situatie waarin klager en diens broers er niet in slaagden om tot een oplossing te komen. Onder die omstandigheden kan verweerder naar het oordeel van de voorzitter geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van het feit dat hij in opdracht van zijn cliënten betalingsverzoeken heeft gedaan. Het was immers de taak van verweerder de belangen van zijn cliënten te behartigen en het was aan verweerder om in overleg met zijn cliënten de aanpak van de zaak te bepalen. In het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënten stond het verweerder dan ook vrij om namens zijn cliënten die (rechts)maatregelen aan te kondigen die hij in het belang achtte van zijn cliënten. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken dat verweerder daarbij de belangen van klager nodeloos heeft geschaad. 4.3 De voorzitter overweegt voorts dat het tuchtrecht niet bedoeld is voor het (opnieuw) voeren van een discussie over de hoogte van de bedragen die partijen over een weer aan elkaar verschuldigd zijn. Indien en voor zover klager van oordeel was dat door verweerders cliënten aanspraak werd gemaakt op betaling van een onjuist bedrag, stond het hem, dan wel diens advocaat, vrij om dit aan verweerder kenbaar te maken en dit desnoods in het kader van een executiegeschil ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Het verwijt dat verweerder de vordering van zijn cliënten zonder grond heeft verhoogd is uitdrukkelijk door verweerder weersproken, terwijl van de feitelijke juistheid van dat verwijt ook niet uit de overgelegde stukken blijkt. Van onbetamelijk handelen door verweerder is kortom naar het oordeel van de voorzitter geen sprake. Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdeel 1, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren. Klachtonderdeel b) 4.4 De voorzitter overweegt dat het klachtrecht niet in het leven is geroepen voor een ieder, doch slechts voor degenen die door een handelen of nalaten van een advocaat in zijn belang getroffen is of kan worden. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken. De voorzitter is van oordeel dat klager niet kan klagen over het feit dat verweerder aan mr. N heeft medegedeeld dat hij van zijn cliënten de opdracht had gekregen om tegen mr. N een klacht in te dienen, omdat niet is gebleken dat klager door die mededeling rechtstreeks in zijn eigen belang is getroffen. De voorzitter zal klachtonderdeel 2 daarom met toepassing van artikel 46j  Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart: - klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet, kennelijk ongegrond; - klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.  T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2022.

Griffier                                                                                               Voorzitter

Bij afwezigheid van mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg is deze beslissing ondertekend door mr. M.M. Goldhoorn (griffier)   Verzonden d.d. 4 juli 2022