Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-11-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2022:357

Zaaknummer

22-754/AL/MN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht van een advocaat over een andere advocaat kennelijk ongegrond. Met de inhoud van zijn e-mail heeft verweerder de grenzen van het onbetamelijke niet overschreden.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2022 in de zaak 22-754/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager oververweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 21 september 2022 met kenmerk Z 1749690/FM/sd, door de raad ontvangen op diezelfde datum, en van de in de aanbiedingsbrief en op de inventarislijst genoemde bijlagen.

1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 De heer T en mevrouw B zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. 1.2 Mevrouw B is in die procedure eerst bijgestaan door klager, vervolgens door mr. Van S en ten slotte door mr. Van der K.  1.3 De heer T is eerst door mr. S en vervolgens door verweerder bijgestaan. 1.4 Bij e-mail van 25 januari 2022 heeft verweerder het volgende aan mr. Van der K geschreven:

“Geachte confrère, Dank voor uw brief van afgelopen vrijdag. Geen idee in hoeverre u het omvangrijke dossier al tot u heeft genomen maar het zal u niet zijn ontgaan dat deze zaak op diverse punten is geëscaleerd. Zowel mijn voorganger mr. R. S als ondergetekende hebben het ernstig aan de stok gehad met de eerste advocaat van uw cliënte, mr. De B. Zodanig dat mr. S er het bijltje bij neergooide. Hij kon de agressieve bejegening van mr. De B niet meer verdragen. In dat opzicht was uw voorganger mr. Van S een verademing. Ik spreek oprecht de wens uit dat wij die constructieve communicatie kunnen voortzetten, in het belang van beider cliënten. (…)”

1.5 Op 4 februari 2022 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zich in de e-mail van 25 januari 2022 over klager uit te laten met enkel en alleen de bedoeling hem te diffameren.

3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer als verweer gevoerd dat de e-mail van 25 januari 2022 niet diffamerend is. Verweerder schrijft enkel aan mr. Van der K hoe mr. S en verweerder de bejegening door klager hebben ervaren.  4 BEOORDELING 4.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing betrekt de tuchtrechter de kernwaarden zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 4.2 De voorzitter constateert dat verweerder in een e-mailbericht aan de nieuwe advocaat van de wederpartij van zijn cliënt heeft geschreven dat hij en mr. S het ernstig aan de stok hebben gehad met klager (die de wederpartij eerder als advocaat had bijgestaan) en dat mr. S de agressieve bejegening van klager niet meer kon verdragen. De voorzitter is van oordeel dat het verweerder vrij stond om zich op deze wijze tegen de advocaat van de wederpartij over klager te uiten. Verweerder heeft daarmee de grenzen van het onbetamelijke niet overschreden. Dat betekent dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Deze klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.  

BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.F.A. Bierbooms, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2022.

Griffier                                                                              Voorzitter Verzonden d.d. 21 november 2022