Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

14-11-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2022:352

Zaaknummer

22-693/AL/OV

Inhoudsindicatie

Klacht over verweerder in zijn hoedanigheid van deken. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder de klacht van klager in behandeling heeft genomen en een onderzoek heeft ingesteld. Daarbij stond het verweerder, overeenkomstig de ‘Leidraad dekenaal klachtonderzoek’, vrij om het onderzoek alleen schriftelijk te laten verlopen en geen hoorzitting te organiseren. Niet gebleken dat de kern van klagers klacht is weggevallen en een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven door de formulering van de klachtonderdelen door verweerder. In het dossier kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden voor klagers stelling dat hij door verweerders handelen bij het onderzoek naar de klacht over mr. W. op enigerlei wijze in zijn rechten, vrijheden en belangen is geschaad. Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 14 november 2022 in de zaak 22-693/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:

klager over:verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 1 september 2022 met kenmerk 1860754, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.

1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Op 3 september 2021 heeft klager bij verweerder een klacht ingediend over mr. W., de advocaat van de wederpartij van klager in een door klager gestarte klachtprocedure bij het medisch tuchtcollege tegen een directeur van een kliniek waar klagers dochter is behandeld. 1.2 Verweerder heeft de zes onderdelen van de klacht van klager over mr. W. onderzocht. In het kader van zijn onderzoek heeft verweerder klager en mr. W. in de gelegenheid gesteld om hun standpunten over de klacht en het daartegen gevoerde verweer over en weer naar voren te brengen. Daarna heeft verweerder op 5 januari 2022 zijn visie op de klacht gegeven. Verweerder heeft zijn visie afgesloten met de zin:

‘Tot zover mijn bevindingen, u hoeft zich hier niet bij neer te leggen. Indien u een standpunt van de tuchtrechter wenst over uw klacht, kan uw klacht worden doorgeleid aan de raad van discipline te Amsterdam, (…).’

1.3 Op klagers verzoek heeft verweerder de klacht over mr. W. voor beoordeling doorgestuurd naar de raad van discipline Amsterdam (hierna: de raad). Bij beslissing van 28 februari 2022 heeft de voorzitter van de raad de klacht over mr. W. voor een deel kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor een deel kennelijk ongegrond. Tegen deze beslissing heeft klager verzet ingesteld. De raad heeft het verzet bij beslissing van 11 juli 2022 ongegrond verklaard. 1.4 Op 7 januari 2022 heeft klager over verweerder een klacht ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 1.5 Bij verwijzingsbeslissing van 17 maart 2022 heeft de voorzitter van het hof het onderzoek naar de klacht over verweerder verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel.

2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij zijn taak als deken niet naar behoren heeft uitgevoerd. In dat verband heeft klager gesteld dat  verweerder niet de kwestie heeft onderzocht waar zijn klacht over gaat, maar er een andere, nieuwe, zaak van heeft gemaakt over een andere kwestie. Volgens klager heeft verweerder zijn klacht op oneigenlijke en onjuiste wijze in stukjes geknipt, waardoor de kern van zijn klacht is weggevallen en verweerder een onjuiste en verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven die in strijd is met de waarheid. Verder heeft klager erop gewezen dat verweerder geen hoorzitting over de klacht heeft georganiseerd om beide partijen te horen, waardoor mr. W. zich niet hoeft te verantwoorden voor zijn handelen. Hierdoor heeft verweerder op ontoelaatbare wijze de rechten, vrijheden en belangen van klager geschaad, aldus klager. 2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, ingaan op de stellingen en stukken van klager.  3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband heeft verweerder aangevoerd dat hij de klacht over mr. W. heeft onderzocht conform de leidraad dekenaal klachtonderzoek en dat de klachtprocedure in beginsel schriftelijk verloopt. Verweerder heeft toegelicht dat hij geen aanleiding heeft gezien om klager uit te nodigen voor een bespreking, omdat de klacht voldoende duidelijk was. Volgens verweerder heeft hij zijn uiterste best gedaan om de onderdelen van de klacht van klager correct te formuleren en heeft hij zijn visie daarop gegeven. Verweerder heeft benadrukt dat hij bij zijn visie de wederzijdse standpunten heeft betrokken en niet uitsluitend is afgegaan op het verweer van mr. W. Volgens verweerder kan niet gezegd worden dat klager in zijn belangen is geschaad door de wijze waarop de onderdelen van de klacht zijn geformuleerd en onderzocht. Tot slot heeft verweerder erop gewezen dat klager de klacht aan de tuchtrechter heeft voorgelegd en dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de klachtformulering en de visie van een deken. 3.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING 4.1 De klacht van klager gaat over het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van deken. Daarbij neemt de voorzitter tot uitgangspunt dat het in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, bijvoorbeeld als deken, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. 4.2 Verder neemt de voorzitter tot uitgangspunt dat in de Advocatenwet is geregeld wat bij de behandeling van klachten van een deken wordt verlangd. In de ‘Leidraad dekenaal klachtonderzoek’ is dat verder uitgewerkt. Hoe een klachtonderzoek moet plaatsvinden is niet wettelijk geregeld, zodat een deken een grote mate van vrijheid heeft om te bepalen op welke wijze het onderzoek verloopt en wat de omvang daarvan is. 4.3 De voorzitter is op grond van de stukken van oordeel dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad en hem dus geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder de klacht van klager in behandeling heeft genomen en een onderzoek heeft ingesteld. Daarbij stond het verweerder, overeenkomstig de ‘Leidraad dekenaal klachtonderzoek’, vrij om het onderzoek alleen schriftelijk te laten verlopen en geen hoorzitting te organiseren. Verweerder heeft toegelicht dat hij daartoe ook geen aanleiding heeft gezien, omdat de klacht hem op grond van de stukken voldoende duidelijk was. Het is de voorzitter niet gebleken dat de kern van klagers klacht is weggevallen en een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven door de formulering van de klachtonderdelen door verweerder. Ook kan de voorzitter in het dossier geen aanknopingspunten vinden voor klagers stelling dat hij door verweerders handelen bij het onderzoek naar de klacht over mr. W. op enigerlei wijze in zijn rechten, vrijheden en belangen is geschaad. Verweerder heeft klager geïnformeerd over de mogelijkheid om de klacht ter beoordeling aan de tuchtrechter voor te leggen als klager het niet eens is met verweerders visie op de klacht en daar heeft klager ook gebruik van gemaakt. De tuchtechter beoordeelt klachten zelfstandig en is daarbij niet gebonden aan de omschrijving van de klachtonderdelen zoals een deken, in dit geval verweerder, die heeft geformuleerd. Omdat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2022.

Griffier                                                                              Voorzitter

Verzonden d.d. 14 november 2022