Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-12-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2022:174

Zaaknummer

22-499/DB/OB

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over advocaat in hoedanigheid van deken. Verweerster heeft in haar hoedanigheid van deken het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad door geen gevolg te geven aan klaagsters verzoeken om het daarheen te leiden dat mr. L zich onttrekt als advocaat van klaagsters wederpartij, geen bemiddelingspoging te doen en geen contact meer op te nemen met klaagster. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 19 december 2022

in de zaak 22-499/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

over:

 

verweerster

 

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 13 december 2021 heeft klaagster een klacht tegen verweerster voorgelegd aan de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline. De plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) bij beslissing d.d. 20 december 2021 (kenmerk 210367) voor onderzoek en behandeling van de klacht tegen verweerster aangewezen.

1.2 Op 20 juni 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|21|168K van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 november 2022. Daarbij waren klaagster en verweerster, bijgestaan door mr. X. (adjunct-secretaris) en mr. Y. (stafjurist), aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de bijlagen 1 tot en met 13, van de nagekomen e-mail van klaagster d.d. 25 juni 2022 met bijlagen, de nagekomen e-mail van verweerster d.d. 21 oktober 2022 met bijlagen, de nagekomen e-mail van klaagster d.d. 21 oktober 2022 met bijlagen, de nagekomen e-mail van klaagster d.d. 6 november 2022,  en van hetgeen overigens ter zitting is verhandeld.  

 

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2     Een aan klaagster gelieerde vennootschap is bijgestaan door mr. L. De werkzaamheden zijn beëindigd door een vertrouwensbreuk. Klaagster heeft bij de toenmalige deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Roermond een klacht ingediend tegen mr. L. Bij beslissing d.d. 11 mei 2015 (kenmerk L212-2014) heeft de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch de klacht deels gegrond verklaard en aan mr. L een waarschuwing opgelegd. Klaagster heeft tegen deze beslissing appel ingesteld. Het Hof van Discipline heeft bij beslissing d.d. 18 december 2015 (kenmerk 7559) voormelde beslissing van de raad bekrachtigd. Mr. L heeft een civiele procedure tegen voormelde vennootschap gevoerd vanwege openstaande declaraties ter zake van door hem in rekening gebrachte werkzaamheden.

2.3     In 2019 is mr. L de heer Van D, zijnde klaagsters ex-echtgenoot, gaan bijstaan in een geschil tussen klaagster en de heer Van D. Bij e-mails d.d. 10 en 18 december 2019 heeft klaagster bij verweerster, in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland een klacht ingediend over mr. L. Verweerster heeft de klacht in behandeling genomen en onderzocht. Op 1 september 2020 is de klacht doorgezonden aan de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden.

2.4     Op 10 juni 2020 heeft klaagster verweerster, wederom in haar hoedanigheid van deken, -samengevat- verzocht om mr. L te gebieden om per direct zijn werkzaamheden als advocaat van de heer Van D neer te leggen. Bij e-mail d.d. 15 juli 2020 heeft verweerster klaagster bericht dat klaagsters verzoek om handhaving niet valt binnen het bereik van artikel 45g Advocatenwet, zodat verweerster niet bevoegd was om handhavend op te treden.

2.5     Op 14 juli 2020 heeft klaagster aangifte gedaan tegen mr. L bij de politie in Nijmegen.

2.6     Bij beslissing d.d. 26 juli 2021 (kenmerk 20-654/AL/GLD) heeft de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden de klacht, voor zover deze zag op handelen in strijd met gedragsregel 15, gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en aan mr. L een waarschuwing opgelegd.

2.7     Op 11 augustus 2021 heeft klaagster opnieuw aangifte gedaan tegen mr. L bij de politie in Nijmegen.

2.8     Zowel klaagster als mr. L hebben tegen de onder 2.6 genoemde beslissing van de raad appel ingesteld. Mr. L heeft zijn standpunt, dat van handelen in strijd met gedragsregel 15 geen sprake was, gehandhaafd, is de heer Van D blijven bijstaan, heeft zich op 17 november 2021 namens de heer Van D gesteld in de civielrechtelijke appelprocedure bij het Hof Arnhem-Leeuwarden en is vervolgens in die procedure voor de heer Van D blijven optreden. 

2.9     Bij e-mail d.d. 19 november 2021 heeft klaagster opnieuw een verzoek om handhaving bij verweerster ingediend, onder meer luidend als volgt:

          “(…) Ik verzoek u hierbij dringend om hulp en per direct fors op te treden tegen [mr. L] en hem ALS EERSTE PER DIRECT TE HANDHAVEN EN ALS TWEEDE PER DIRECT UIT ZIJN AMBT TE ONTZETTEN WEGENS HET WEDEROM ZEER BEWUST OVERTREDEN VAN GEDRAGSREGEL 15 TEGEN DE OP 26-07-2021 RECHTVAARDIG TOEBEDEELDE TWEEDE TUCHTRECHTELIJKE WAARSCHUWING NIET TEGEN MIJ ALS EX-CLIËNT TE MOGEN OPTREDEN! Dit om de grosse van de RvD van 26-07-2021 in naam van de koning na te leven en preventief nu volledig te WEL TE VOORKOMEN voor mij dat [mr. L] mijn Memorie van Grieven in handen krijgt en nog verder als advocaat van de tegenpartij zijnde het hoger beroep tegen mijn echtgenoot WEER op te mogen en te kunnen optreden als ex-advocaat tegen mij als ex-cliënt, waardoor de nu inmiddels zeer ernstige onaanvaardbare situatie zich WEER herhaalt net zoals op 10-12-2019, wat ik in naam der koning gezien nu meer dan volledig onaanvaardbaar vind en ik dit hiermee volledig voorkomen wil. Graag zo spoedig mogelijk een reactie.”

2.10   Bij e-mail d.d. 24 november 2021 heeft verweerster klaagster voorgehouden dat, gelet op het feit dat de appelprocedure nog liep, er nog geen definitief oordeel was over de vraag of verweerder, door de heer Van D bij te staan, handelde in strijd met gedragsregel 15, zodat klaagster ofwel het oordeel van het Hof van Discipline kon afwachten ofwel een nieuwe klacht tegen mr. L kon indienen. Verweerster (althans de adjunct-secretaris namens verweerster) heeft klaagster er voorts op gewezen dat niet de deken maar enkel de tuchtrechter bevoegd is tot schrapping van het tableau. Verder heeft verweerster het volgende aan klaagster medegedeeld:

          “(…) Uw verzoek aan de deken om te voorkomen dat [mr. L] uw memorie van grieven in handen krijgt en weer tegen u kan optreden, waarmee u aan de deken een oordeel vraagt over de procesvertegenwoordiging, behoort helaas niet tot de mogelijkheden van de deken. De civiele rechter zal daarover moeten oordelen.

          Wat betreft uw verzoek om handhaving, gezien uw eerdere verzoek om handhaving in 2020 bent u ermee bekend dat uw verzoek niet tot de mogelijkheden van de deken behoort (besluit d.d. 15 juli 2020, zie bijlage).(…)”

2.11   Op 25 november 2021 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland. Naar aanleiding daarvan heeft verweerster (althans de adjunct-secretaris namens verweerster) klaagster geadviseerd om zich voor juridisch advies over de procesvertegenwoordiging tot haar advocaat te wenden.

2.12   Op 25, 26 en 30 november en 1, 4 en 11 december 2021 en op 3 januari 2022 heeft klaagster e-mails gestuurd aan verweerster. In deze e-mails heeft klaagster verweerster wederom verzocht om handhaving. Verweerster heeft op deze e-mails niet gereageerd. Wel heeft mevrouw W, administratief medewerker van het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland, klaagster bij e-mail d.d. 6 december 2021 medegedeeld dat verweerster die week aan klaagster een bericht zou sturen.

2.13   Op 13 december 2021 heeft klaagster een klacht tegen verweerster voorgelegd aan de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline. De plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline heeft de deken bij beslissing d.d. 20 december 2021 (kenmerk 210367) voor onderzoek en behandeling van de klacht tegen verweerster heeft aangewezen.

2.14   Bij webformulier d.d. 16 december 2021 heeft klaagster opnieuw bij verweerster een klacht ingediend tegen mr. L., welke klacht door verweerster in behandeling is genomen.

2.15   Bij beslissing van het Hof van Discipline van 1 april 2022 (zaaknummer: 210253) is de beslissing van de raad van discipline van 26 juli 2021 (deels) vernietigd en zijn de klachten van klaagster alsnog ongegrond verklaard.

 

3 KLACHT

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

Verweerster heeft ondanks de beslissing van de raad van discipline d.d. 26 juli 2021 niet, dan wel niet adequaat, gereageerd op klaagsters verzoeken om het daarheen te leiden dat mr. L zich onttrekt als advocaat van klaagsters wederpartij. Verweerster heeft geen bemiddelingspoging gedaan en heeft zich niet gehouden aan de toezegging van 6 december 2021 om contact met klaagster op te nemen, ten gevolge waarvan klaagster zich in de steek gelaten voelt.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

5.1     De raad stelt vast dat de klacht is gericht tegen verweerster in haar hoedanigheid van deken in het arrondissement Gelderland. Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat de vraag voorligt of verweerster zich bij de vervulling van de functie van deken op de punten die in deze tuchtzaak aan de orde zijn zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

5.2     Verweerster heeft gemotiveerd toegelicht waarom zij geen mogelijkheden zag om aan klaagsters verzoeken, om tegen mr. L op te treden, gevolg te geven. Bij e-mail d.d. 24 november 2021 heeft verweerster klaagster voorgehouden dat, gelet op het feit dat de appelprocedure nog liep, er nog geen definitief oordeel was over de vraag of mr L., door de heer Van D bij te staan, handelde in strijd met gedragsregel 15, zodat klaagster ofwel het oordeel van het Hof van Discipline kon afwachten ofwel een nieuwe klacht tegen mr. L kon indienen. De raad volgt verweerster in haar verweer dat het haar in de gegeven omstandigheden, waarin er nog geen definitief tuchtrechtelijk oordeel was over het optreden van mr. L, en gelet op de aan haar in haar hoedanigheid van deken toekomende beleidsvrijheid, vrij stond om afwijzend op klaagsters verzoeken om handhaving te reageren. Het door verweerster afwijzend reageren op klaagsters verzoeken kan dan ook niet als onzorgvuldig of onbetamelijk handelen jegens klaagster worden aangemerkt en de raad is van oordeel dat hierdoor het vertrouwen in de advocatuur niet is geschaad.

5.3     Ter zake klaagsters verwijt dat verweerster niet adequaat heeft gereageerd op klaagsters e-mails oordeelt de raad als volgt. Vast staat dat verweerster niet heeft gereageerd op klaagsters e-mails d.d. 25, 26 en 30 november, 1, 4 en 11 december 2021 en 3 januari 2022, behoudens een e-mail d.d. 6 december 2021 van mevrouw W, administratief medewerker van het Bureau van de Orde, waarin namens verweerster aan klaagster is toegezegd dat verweerster die week nog zou reageren. Die toezegging is echter geen gestand gedaan. Hoewel het correcter was geweest als op de e-mails van klaagster was gereageerd, is het uitblijven van die reactie naar het oordeel van de raad niet van een zodanig gewicht dat gezegd kan worden dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De raad neemt daarbij mede in aanmerking de grote hoeveelheid e-mails die klaagster aan het Bureau heeft gestuurd, welke e-mails vaak een herhaling inhielden van standpunten en verzoeken die klaagster reeds meerdere malen aan het Bureau had kenbaar gemaakt. De raad is van oordeel dat de communicatie vanuit het Bureau van de Orde over het geheel genomen zorgvuldig is geweest. In dat licht kan verweerster van het uitblijven van een reactie op de herhaalde verzoeken van klaagster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

5.4     Op grond van het voorgaande zal de raad de klacht ongegrond verklaren. 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. W.H.N.C. van Beek en R. van den Dungen, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2022.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

 

Verzonden op: 19 december 2022