Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-10-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2022:210

Zaaknummer

21-954/AL/MN

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat. Verweerder heeft zijn cliënt onjuist ingelicht over de ingebrachte stukken en hij heeft zeer gebrekkig met klager gecommuniceerd. Verweerder heeft voorts nagelaten om een beschikking van de rechtbank en de mogelijkheden van een eventueel hoger beroep met klager te (doen) bespreken. Verweerder heeft daarmee niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Gelet op de ernst van het handelen van verweerder en rekening houdend met verweerders zeer uitgebreide tuchtrechtelijke verleden, is de oplegging van een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 4 weken passend en geboden.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 3 oktober 2022 in de zaak 21-954/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager gemachtigde: A.W. S oververweerder voormalig advocaat te [plaats]

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 31 mei 2021 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 29 november 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 1451276/FB/SD van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 juni 2022. Daarbij waren beide partijen niet aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5.

2 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 2.1 Verweerder heeft klager bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. Hij heeft het dossier op 5 oktober 2020 overgenomen van een andere advocaat. 2.2 Op 26 februari 2021 heeft verweerder ten behoeve van de geplande zitting een brief met 8 producties aan de rechtbank verzonden. Op 4 maart 2021 heeft verweerder het formulier verdelen en verrekenen aan de rechtbank verzonden. 2.3 Op 9 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek tot echtscheiding plaatsgevonden. 2.4 Bij e-mail van 11 maart 2021 heeft klager het volgende aan verweerder gevraagd:

“Even een vraag: hebben jullie mijn verklaring (zie bijlage) wel ingediend bij de rechtbank? Ik lees daar helemaal niets over in de pleitnota van de tegenpartij?”

2.5 Bij e-mail van 12 maart 2021 heeft verweerder daar als volgt op gereageerd:

“Logisch, immers bij voorkeur niet ingaan op wat de wederpartij zegt, dus afwachten.”

2.6 Verweerder was met ingang van 24 maart 2021 9 weken geschorst in de praktijkoefening. 2.7 Op 3 mei 2021 heeft de rechtbank een beschikking in de zaak van klager gegeven. Die beschikking is vervolgens aan klager gestuurd. 2.8 Verweerder is vanaf 4 december 2021 geen advocaat meer.

3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a) ondanks herhaalde verzoeken nooit kennis met hem te maken in een persoonlijk gesprek, waardoor de eerste kennismaking tien minuten voor de zitting op de gang van het gerechtsgebouw plaatsvond; b) twee uur voor aanvang van de zitting telefonisch te melden dat hij zijn dossier vergeten was, waardoor hij geen antwoord kon geven op belangrijke vragen van de rechter; c) blijkens de beschikking een belangrijke verklaring van de vader en opa van de wederpartij niet te hebben ingediend bij de rechtbank, maar per e-mail te beweren dat deze verklaring wel is ingediend; d) blijkens de beschikking ondanks aanlevering van alle ter zake doende informatie ter onderbouwing van feiten deze niet te gebruiken en andere informatie compleet verkeerd te interpreteren; e) in strijd met de waarheid per e-mail te melden dat hij om gezondheidsredenen twee maanden niet bereikbaar was, terwijl hij in werkelijkheid geschorst bleek te zijn; f) hem onjuist dan wel onvolledig te informeren omtrent zijn onbereikbaarheid c.q. schorsing, door geen exacte datum te noemen, hem niet te informeren wie zijn waarnemer was en op geen enkele wijze bereikbaar te zijn.

4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.Klachtonderdeel a) 4.2 Klager heeft eenmaal verzocht om een gesprek en toen is hem direct duidelijk gemaakt dat er alleen telefonisch contact mogelijk was in verband met corona en dat verweerder hem op pas op 9 maart 2021 zou treffen op de dag van de zitting.Klachtonderdeel b) 4.3 Verweerder dacht dat hij het dossier was vergeten, maar dat was niet zo. De beschikking is duidelijk genoeg. De kinderalimentatie is conform zijn berekening en er was onvoldoende bewijs voor de stellingen van klager.Klachtonderdeel c) 4.4 Klager heeft deze verklaring te laat aangeleverd bij verweerder. De rechtbank zou hier dus geen acht op geslagen hebben. Daarbij zou de rechter er weinig waarde aan gehecht hebben.Klachtonderdeel d) 4.5 Verweerder heeft alle door klager aangeleverde relevante stukken ingediend bij de rechtbank. Op 26 februari 2021 heeft verweerder acht producties overgelegd, met een brief van 3 pagina’s, waarin geregeerd werd op het verweerschrift op zelfstandig verzoek dat als laatste door de wederpartij was ingediend. Deze brief is in overleg met de gemachtigde van klager opgesteld en klager heeft daar een afschrift van gehad.Klachtonderdeel e) 4.6 In de periode maart tot juni 2021 stond er een operatie gepland, dus de berichtgeving klopt. Op 23 maart 2021 is er ook een e-mail uitgegaan naar alle cliënten over de schorsing.Klachtonderdeel f) 4.7 In de afwezigheidsmail stond duidelijk wie de waarnemer was en ook tot wanneer de schorsing liep. Klager heeft echter in die periode nimmer een e-mail verzonden en pas voor het eerst op 10 mei 2021 contact gehad met de waarnemer. De waarnemer heeft met de gemachtigde van klager besproken dat hij contact met verweerder zou opnemen om te vragen eerst de zaak te proberen te regelen voordat hoger beroep ingesteld wordt. Gedurende de schorsing is dat niet gebeurd.

5 BEOORDELING 5.1 De raad hanteert als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (HvD 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32). 5.2 Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (HvD 3 april 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:80).Klachtonderdeel a) 5.3 Klager verwijt verweerder dat hij - ondanks verzoeken daartoe van klager - nooit een (kennismakings)gesprek met klager heeft gehad en dat zij pas tien minuten vóór de zitting kennis hebben gemaakt. Verweerder heeft hierover verklaard dat vanwege corona alleen een telefonisch gesprek mogelijk was en dat zij daarom pas net voor de zitting voor het eerst met elkaar hebben kennisgemaakt. 5.4 De raad is van oordeel dat verweerder niet had kunnen volstaan met een aanbod om te bellen en elkaar vervolgens pas net voor de zitting te treffen. Gelet op de aard van de zaak en omdat klager meermalen om een gesprek heeft gevraagd, had van verweerder mogen worden verwacht dat hij een (kennismakings)gesprek met klager had gevoerd. Indien een persoonlijk gesprek vanwege de coronamaatregelen niet mogelijk was, dan hadden verweerder en klager in ieder geval een digitaal gesprek kunnen hebben. Dat is niet gebeurd. Verweerder heeft hiermee niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Dit klachtonderdeel wordt daarom gegrond verklaard.Klachtonderdeel b) 5.5 De raad stelt vast dat verweerder onderweg naar de de zitting naar klager belde en klager vroeg om zijn exemplaar van het dossier mee naar de zitting te nemen omdat verweerder zijn dossier vergeten was mee te nemen. 5.6 De raad overweegt dat een slordigheid zoals het vergeten van een dossier naar een zitting niet altijd betekent dat er sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dit handelen van verweerder betreft echter meer dan een enkele onzorgvuldigheid. In het bijzonder gelet op de aard van de zaak en vanwege de onder klachtonderdeel a) genoemde omstandigheid dat klager en verweerder elkaar nog niet hadden ontmoet, is het feit dat verweerder zijn dossier vergeet en vervolgens aan zijn cliënt vraagt - en niet een medewerker van zijn kantoor verzoekt om het te komen brengen of het alsnog zelf ophaalt - in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Dit geldt ook wanneer juist is, zoals verweerder stelt, dat hij later het dossier toch bij zich bleek te hebben. Dit klachtonderdeel wordt om genoemde redenen gegrond verklaard.Klachtonderdeel c) 5.7 Klager verwijt verweerder dat hij een verklaring niet heeft ingediend, terwijl hij aan klager had laten weten dat hij deze wel heeft ingediend. Uit de beschikking van de rechtbank van 3 mei 2021 blijkt dat de verklaring niet bij de rechtbank is ingediend. Dat wordt door verweerder ook niet betwist. 5.8 Verweerder stelt dat deze verklaring te laat bij hem was aangeleverd door klager en dat de rechtbank bovendien weinig waarde aan die verklaring zou hebben gehecht. Dit verweer van verweerder doet echter niets af aan het verwijt van klager dat verweerder tegen klager heeft gezegd dat hij die verklaring wel heeft ingediend. De raad constateert dat klager per e mail van 11 maart 2021 aan verweerder heeft gevraagd of de verklaring wel is ingediend. Daarop heeft verweerder geantwoord dat het logisch is dat de wederpartij daarop niet is ingegaan. De raad is van oordeel dat verweerder daarmee - in strijd met de waarheid - bij klager de schijn heeft gewekt dat hij de verklaring wel had ingediend. Door dat te doen heeft verweerder niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Dit klachtonderdeel wordt daarom gegrond verklaard.Klachtonderdeel d) 5.9 Het verwijt van klager dat verweerder relevante informatie niet heeft gebruikt of verkeerd heeft geïnterpreteerd, is onvoldoende onderbouwd. Nu de feitelijke grondslag aan dit klachtonderdeel ontbreekt, wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.Klachtonderdeel e) 5.10 Klager stelt dat verweerder in zijn e-mail van 25 februari 2021 in strijd met de waarheid heeft gemeld dat hij om gezondheidsredenen niet bereikbaar is, terwijl hij in werkelijkheid geschorst bleek te zijn. De raad constateert dat verweerder met ingang van 24 maart 2021 is geschorst. Ten tijde van de door klager genoemde e-mail was verweerder dus nog niet geschorst. Gelet op deze omstandigheid is de raad van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder klager met dit bericht onjuist heeft geïnformeerd. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.Klachtonderdeel f) 5.11 De raad stelt op grond van de stukken het volgende vast. Op 3 mei 2021 heeft de rechtbank in de zaak van klager een beschikking gegeven. Die beschikking is vervolgens aan klager gestuurd. Verweerder was op dat moment geschorst. De raad is van oordeel dat verweerder - voordat de schorsing inging - aan klager had moeten doorgeven dat hij de beschikking niet met klager zou kunnen bespreken omdat hij op dat moment geschorst zou zijn. Ook had verweerder moeten doorgeven door wie hij zou worden waargenomen. Die waarnemer had na de uitspraak contact met klager moeten opnemen en de beschikking van de rechtbank en de mogelijkheden van een hoger beroep met klager moeten bespreken. Op grond van de stukken is niet gebleken dat verweerder (of een waarnemer van verweerder) dat heeft gedaan. Na de verzending van de beschikking is er op geen enkele wijze contact met klager opgenomen. De antwoordmail die door verweerder is genoemd, is volstrekt onvoldoende en bovendien is niet gebleken dat klager deze heeft ontvangen. Verweerder heeft hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

6 MAATREGEL 6.1 Verweerder heeft onder meer klager, zijn cliënt, onjuist ingelicht over de ingebrachte stukken en hij heeft zeer gebrekkig met klager gecommuniceerd. Verweerder heeft voorts nagelaten om een beschikking van de rechtbank en de mogelijkheden van een eventueel hoger beroep met klager te (doen) bespreken. Verweerder heeft daarmee niet gehandeld met de  zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Gelet op de ernst van het handelen van verweerder en rekening houdend met verweerders zeer uitgebreide tuchtrechtelijke verleden, is de oplegging van een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 4 weken passend en geboden.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet [verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) €  50,- aan forfaitaire reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer 21-954/AL/MN.

BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdelen a, b, c en f gegrond; - verklaart klachtonderdelen d en e ongegrond; - legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van vier weken op; - bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat: - de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, - verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat - de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van €  50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. Y.M. Nijhuis en C.W.J. Okkerse, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2022.

Griffier                                                                       Voorzitter

Verzonden d.d. 3 oktober 2022