Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-09-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2022:136

Zaaknummer

22-025/DB/OB

Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Gegrond. Klacht tegen deken. Aanwijzen advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. Onzorgvuldig. 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 12 september 2022

in de zaak 22-025/DB/OB

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 31 januari 2022 op de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerster

 

 

1  VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 6 april 2021 heeft klager een klacht ingediend over verweerster. De klacht is – na een verwijzingsbeslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline van 26 april 2021 – behandeld door de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant.

1.2 Op 12 januari 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|21|068K van de deken van Oost-Brabant ontvangen.

1.3  Bij beslissing van 31 januari 2022 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op diezelfde datum verzonden aan partijen.

1.4 Op 2 maart 2022 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 2 maart 2022 ontvangen.

1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 11 juli 2022 . Daarbij was klager met vier toehoorders aanwezig. Verweerster is – zonder bericht – niet verschenen op de zitting van 11 juli 2022, waarvoor zij was opgeroepen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd, van het verzetschrift van klager en van de spreekaantekeningen van klager ten behoeve van de zitting van 11 juli 2022.

 

2 VERZET

2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

a.           De beslissing van de voorzitter is op onjuiste feiten gebaseerd, aangezien de aanwijzing door verweerster van de advocaten aan klager absoluut geen serieuze aanwijzing is geweest, omdat verweerster in het geheel niet haar best heeft gedaan voor klager en bij beide aanwijzingen in ieder geval een deel van de expertise bij de advocaten ontbrak.

b.           Op grond van de feiten staat, anders dan de voorzitter  heeft geoordeeld, vast, dat verweerster klager onjuist dan wel onvolledig heeft geïnformeerd.

c.           Het dossier van klager puilt uit van de stukken dat verweerster klager heeft tegengewerkt, zodat de voorzitter onterecht tot haar oordeel is gekomen.

d.           Alleen al het feit dat verweerster in haar verweer heeft gesteld dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden omdat zij zich nergens mee heeft bemoeid, maakt dat het oordeel van de voorzitter, dat de klacht kennelijk ongegrond is, is gebaseerd op onjuiste gronden en onjuiste feiten.

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a. Verweerster was niet bereid om op de voet van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen alvorens een procedure bij het Kifid was doorlopen. 

b. De aangewezen advocaten beschikten niet over de juiste expertise en er moest een opvolgend advocaat worden aangewezen.

c. Verweerster heeft klager onjuist en onvolledig voorgelicht en heeft hem tegengewerkt.

 

4 FEITEN

4.1 Voor de beoordeling het verzet en de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten:

Klager heeft zich voor de behandeling van meerdere juridische kwesties gewend tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar en later tot verweerster. De rechtsbijstandsverzekeraar weigerde om de kwesties (verder) te behandelen. Lopende een procedure bij het Kifid tegen de rechtsbijstandsverzekeraar heeft klager zich op 2 september 2019 tot verweerster gewend met het verzoek om op de voet van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen voor het verlenen van rechtsbijstand aan klager. Naar aanleiding van het door klager geformuleerde verzoek is klager uitgenodigd voor een bespreking op het Bureau van de Orde. Op 2 oktober 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager en de stafjurist, bij gelegenheid waarvan op advies van de stafjurist is afgesproken dat de uitspraak van het Kifid zou worden afgewacht, alvorens tot aanwijzing van een advocaat zou worden overgegaan. Klager heeft deze afspraak bij      e-mails van 24 oktober 2019 en 11 mei 2020 aan de stafjurist bevestigd. Bij beslissing van 23 september 2020 heeft het Kifid klager in het ongelijk gesteld, waarna klager zich opnieuw tot verweerster heeft gewend met het verzoek om een advocaat aan te wijzen. Bij brief van 15 december 2020 heeft verweerster de advocaten mrs. VD en VD aangewezen voor het verlenen van rechtsbijstand aan klager in drie verschillende procedures, namelijk een (ambtelijke) ontslagzaak, een echtscheidingsprocedure en een beroepsaansprakelijkheidsprocedure. Klager is daarbij erop gewezen dat verweerster slechts eenmaal overgaat tot aanwijzing van een advocaat. Verder staat in de aanwijzingsbrief de volgende tekst: “(…) Voor alle duidelijkheid wordt tot slot nog opgemerkt dat het de aangewezen advocaten geheel vrijstaat om nadat zij de zaak hebben beoordeeld, te besluiten om u als rechtzoekende alsnog geen rechtsbijstand in de gerechtelijke procedure te verlenen. De deken kan een advocaat – ook al is deze op grond van artikel 13 van de Advocatenwet aangewezen – niet dwingen om de rechtsbijstand, waarom de rechtzoekende vraagt, te verlenen. Een advocaat is niet verplicht om een procedure te gaan voeren. Van een advocaat kan immers niet worden verlangd dat hij/zij bijvoorbeeld een naar zijn/haar oordeel een weinig kansrijke procedure gaat voeren.” Mrs. VD en VD hebben de zaken van klager op 6 januari 2021 met klager besproken gedurende een twee uur durende bespreking. Mrs. VD en VD hebben geconcludeerd dat zij klager niet verder zouden bijstaan. Naar hun oordeel was er in de ontslagzaak en echtscheidingsprocedure een te geringe kans van slagen. Wat betreft de beroepsaansprakelijkheidskwestie hebben mrs. VD en VD aan klager medegedeeld dat hun kantoor niet over kennis op dat gebied beschikt, zodat zij klager niet verder kunnen helpen en hem adviseren een advocaat te raadplegen die thuis is in het beroepsaansprakelijkheidsrecht. Klager heeft zich vervolgens opnieuw tot verweerster gewend voor aanwijzing van een advocaat. Bij brief van 29 januari 2021 heeft verweerster klager bericht dat zij in de beroepsaansprakelijkheidskwestie een andere advocaat, mr. S, aanwijst voor het verlenen van rechtsbijstand aan klager. Per                   e-mailbericht van 4 februari 2021 deelt mr. S verweerster (en cc klager) onder meer mee: “(…) dat [klager] een advocaat nodig heeft die ten behoeve van de beroepsaansprakelijkheidsprocedure kennis heeft van het familierecht (…) alsmede ambtelijk ontslag (…) Kort en goed kan ik vanwege de ontbrekende expertise de zaak niet op haalbaarheid controleren noch uitvoeren. Het komt mij voor dit wellicht voorkomen had kunnen worden als een advocaat of meerdere advocaten van hetzelfde kantoor waren aangewezen waar deze expertise wel aanwezig is, zoals [H, D, P, S of N]. Enkel op die manier is naar mijn mening te bewerkstelligen dat alle expertise benodigd voor de beroepsaansprakelijkheidszaak aanwezig is en [klager] op een goede manier kan worden geholpen. Hoewel u schrijft dat de Orde maar een keer iemand aanwijst is het wellicht in deze kwestie goed om zulks te heroverwegen en een kantoor aan te wijzen dat alle benodigde kennis in huis heeft.” Per e-mailbericht van 9 februari 2021 deelt klager aan verweerster mee dat hij zich genoodzaakt ziet om bezwaar aan te tekenen tegen de toewijzingsbeschikking van 29 januari 2021 en de hele gang van zaken daaraan voorafgaand.

 

5 ARTIKEL 13 ADVOCATENWET

 

5.1 Het gaat in deze zaak om de toepassing van artikel 13 Advocatenwet. Dat artikel luidt als volgt:

“ Artikel 13

1.  De rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, kan zich wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. Ook indien de rechtzoekende naar het voorlopig oordeel van de deken in aanmerking komt voor verlening van rechtsbijstand ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wijst de deken een advocaat aan.

2.  De deken kan het verzoek alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Hij kan een aanwijzing op grond van bijzondere redenen wijzigen of intrekken.

3.  Binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking, houdende afwijzing van het verzoek, kan de belanghebbende beklag doen bij het hof van discipline. Op de behandeling van het beklag zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

4.  De aangewezen advocaat is verplicht zijn diensten te verlenen.

5.  De advocaat die door de raad voor rechtsbijstand als raadsman is aangewezen, treedt als zodanig op of doet zich overeenkomstig artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering waarnemen, zolang niet een gekozen raadsman is opgetreden of op de voet van artikel 44 van het Wetboek van Strafvordering een ander is aangewezen. ”

5.2 De raad overweegt – met verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de aanpassing van de Advocatenwet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet tarieven in burgerlijke zaken in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde (onderdeel N) – dat artikel 13 Advocatenwet raakt aan het fundamentele recht op toegang tot de rechter. Dat recht is vastgelegd in de Grondwet en diverse internationale verdragen. Bij de verwezenlijking van dit recht vervullen advocaten een belangrijke rol. Mede daarom is de raad van oordeel dat een deken bij de behandeling van een verzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet een grote mate van zorgvuldigheid dient te betrachten.

 

6 BEOORDELING VAN HET VERZET

 

6.1 Omdat het gaat om verzet tegen een voorzittersbeslissing, is dit alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. De raad oordeelt in dit verband als volgt.

6.2 De voorzitter overweegt in haar beslissing van 31 januari 2022 dat verweerster tweemaal positief heeft beslist op de door klager geformuleerde aanwijzingsverzoeken. Verder overweegt de voorzitter dat het verweerster in tuchtrechtelijke zin niet verweten kan worden dat de in eerste instantie aangewezen advocaten niet over alle benodigde expertise beschikten, omdat verweerster af mocht gaan op de op de website van de advocaten vermelde informatie over de rechtsgebieden waarop het kantoor actief was. Bovendien heeft verweerster – zo overweegt de voorzitter – een andere advocaat aangewezen toen bleek dat de eerdere advocaten de aansprakelijkheidskwestie wegens een gebrek aan expertise niet in behandeling konden nemen.  Vervolgens overweegt de voorzitter dat een deken een advocaat – ook al is deze op de voet van artikel 13 Advocatenwet aangewezen – niet kan dwingen om de rechtsbijstand waar de rechtzoekende om vraagt, te verlenen. Indien een advocaat een zaak te weinig kansrijk acht of meent dat hij over onvoldoende expertise beschikt om de zaak naar behoren te behandelen, is die advocaat volgens de voorzitter niet verplicht om de zaak te behandelen. Verder kan verweerster volgens de voorzitter niet worden aangerekend dat de aangewezen advocaten geen juridische mogelijkheden zagen en in klagers zaak niet zijn gaan procederen. In deze laatste overweging kan de raad de voorzitter niet (volledig) volgen. Immers, de tweede door de Deken aangewezen advocaat (mr. S) heeft de zaak in het geheel niet behandeld, zodat de voorzitter haar oordeel heeft gebaseerd op deels onjuiste feiten. Dit brengt naar het oordeel van de raad mee dat de verzetgrond, zoals weergegeven in 2.1 onder a., gegrond is. Nu daarmee het verzet gegrond is, kunnen en zullen de overige verzetgronden onbesproken gelaten worden.

6.3 Aangezien het verzet gegrond is en nader onderzoek of nadere behandeling naar het oordeel van de raad redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de klacht, zal de raad hierna de klacht in haar volle omvang behandelen.

 

7 BEOORDELING VAN DE KLACHT

7.1 Verweerster heeft tegen de klacht schriftelijk verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

Zorgvuldigheid in het voortraject van de aanwijzing van een advocaat

7.2 Verweerster schrijft in haar antwoord op de klacht dat zij bij de aanwijzing van mrs. VD en VD heeft besloten om over te gaan tot aanwijzing van twee advocaten die op hetzelfde kantoor op verschillende rechtsgebieden werkzaam zijn. Ook staat in dat antwoord dat verweerster bij die aanwijzing voor wat betreft de rechtsgebieden onder andere heeft gekeken naar de omschrijving op de website van het kantoor van de betreffende advocaten. Desondanks bleek dat mrs. VD en VD op een onderdeel – het beroepsaansprakelijkheidsrecht – niet over de benodigde expertise beschikten. Daarom is verweerster overgegaan tot een tweede aanwijzing. Gelet op deze voorgeschiedenis en in het licht van de grote mate van zorgvuldigheid die een deken bij de toepassing van artikel 13 Advocatenwet moet betrachten, mocht van verweerster verwacht worden dat zij zich zou inspannen om bij de tweede aanwijzing  een advocaat aan te wijzen die wel beschikt over voldoende expertise op het gebied van beroepsaansprakelijkheid wegens mogelijke fouten in een echtscheidingsprocedure en een ontslagprocedure van een ambtenaar. Echter, nergens blijkt uit dat verweerster aan deze inspanningsverplichting heeft voldaan. Zo is gesteld noch gebleken dat verweerster bij de aanwijzing van mr. S  bijvoorbeeld op de website van zijn advocatenkantoor heeft gekeken om vast te stellen of mr. S thuis is in het beroepsaansprakelijkheidsrecht of met hem vooraf contact op heeft genomen. Immers, op de website van het kantoor van mr. S staat dat mr. S bestuursrechtelijk afstudeerde en dat hij zich thans met name richt op het ondernemingsrecht, vastgoed- en omgevingsrecht en arbeidsrecht. De raad is daarom van oordeel dat verweerster daardoor bij de aanwijzing van         mr. S niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van haar in het licht van rechtsoverweging 5.2 verwacht mocht worden.

Zorgvuldigheid in het natraject bij de aanwijzing van een advocaat

7.3 Ook in het natraject bij de aanwijzing heeft de deken niet de nodige zorgvuldigheid betracht. Waar de voorzitter heeft overwogen dat een advocaat – ook al is deze op de voet van artikel 13 Advocatenwet aangewezen – niet verplicht is de zaak te behandelen indien hij de zaak te weinig kansrijk acht of meent dat hij over onvoldoende expertise beschikt, is de raad met de voorzitter van oordeel dat ook inschatting dat de zaak te weinig kansrijk is, kwalificeert als het ‘verlenen van zijn diensten’ in de zin van artikel 13 lid 4 Advocatenwet. In beginsel is in dat geval de zaak voor de betreffende advocaat en de deken ten einde. Echter, als de aangewezen advocaat stelt dat hij over onvoldoende expertise beschikt, is er naar het oordeel van de raad sprake van een wezenlijk andere situatie. In dat geval zijn er twee scenario’s mogelijk. Scenario 1 is dat de betreffende advocaat wel degelijk over voldoende expertise beschikt of die indruk heeft gewekt door bijvoorbeeld informatie op zijn website. In dat geval komt de betreffende advocaat de plicht van artikel 13 lid 4 Advocatenwet om zijn diensten te verlenen niet na. De advocaat dient in dat geval – eventueel aangespoord door de deken met de aan deze ten dienste staande middelen – alsnog zijn diensten te verlenen. Dit scenario is niet aan de orde, omdat gesteld noch gebleken is dat mr. S wel over de vereiste expertise beschikt. Integendeel, uit de informatie op de website van het kantoor van mr. S lijkt juist te volgen dat de expertise van mr. S elders ligt. Scenario 2 is dat de betreffende advocaat terecht aangeeft dat hij over onvoldoende expertise beschikt en ook geen andere indruk heeft gewekt, bijvoorbeeld op zijn website. In dat geval – zoals in deze zaak – kan van die advocaat, mede gezien het bepaalde in artikel 4.1 lid 2 Voda, niet verwacht worden dat hij zijn diensten verleent. De raad is dan ook van oordeel dat in die situatie de verplichting van artikel 13 lid 4 Advocatenwet niet geldt. Maar, naar het oordeel van de raad rust er dan – in het kader van de grote mate van zorgvuldigheid die een deken bij de toepassing van artikel 13 Advocatenwet moet betrachten – wel een verplichting op de deken om een andere advocaat aan te wijzen die wel over voldoende expertise beschikt om zijn diensten te verlenen. Immers, de deken had de beslissing genomen een tweede advocaat aan te wijzen, welke aanwijzing zij op de voet van artikel 13 lid 2 Advocatenwet wegens de zich voordoende bijzondere omstandigheden had kunnen wijzigen door een andere advocaat aan te wijzen. Dat heeft verweerster in dit geval ten onrechte niet gedaan.

7.4 Het voorgaande brengt mee dat het klachtonderdeel, zoals weergegeven in 3.1 onder b., gegrond is. Immers, door het onzorgvuldige handelen van verweerster bij de toepassing van artikel 13 Advocatenwet – dat ziet op het fundamentele recht op toegang tot de rechter – heeft verweerster het vertrouwen in de advocatuur geschaad en heeft zij gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, hetgeen klachtwaardig is.

7.5 De overige klachtonderdelen oordeelt de raad  ongegrond. De raad is ten aanzien van het klachtonderdeel, zoals weergegeven in 3.1 onder a., van oordeel dat uit de stukken volgt dat klager uitdrukkelijk heeft ingestemd met het advies van de stafjurist van het Bureau van de Orde om eerst de procedure bij het Kifid af te wachten. Aangezien verder niet is gebleken dat klager op enige wijze is benadeeld doordat de beslissing van het Kifid is afgewacht, valt niet in te zien dat verweerster door het maken van de afspraak het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Ten aanzien van het klachtonderdeel, zoals weergegeven in 3.1. onder c., overweegt de raad dat uit de stukken niet volgt dat verweerster klager onjuist en onvolledig heeft voorgelicht noch dat zij hem heeft tegengewerkt, zodat ook op dit punt geen sprake is van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

 

8 MAATREGEL

Verweerster heeft in haar hoedanigheid als deken onvoldoende zorgvuldig gehandeld bij de toepassing van artikel 13 Advocatenwet. Al met al oordeelt de raad hierbij de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

 

9 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

9.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

9.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- reiskosten van klager,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

 

9.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart het klachtonderdeel zoals weergegeven in 3.1 onder b. gegrond;

- verklaart de klachtonderdelen zoals weergegeven in 3.1 onder a. en c. ongegrond;

- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 9.1;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 9.3;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 9.4.

 

Aldus beslist door mr. P.H. Brandts, voorzitter, en mrs. J.D.E. van den Heuvel en M. Callemeijn, leden, bijgestaan door mr. J. Elissen als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 september 2022 .

 

 

Griffier                                                                         Voorzitter

 

 

 

 

 

 

Verzonden op: 12 september 2022