Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-07-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2022:167

Zaaknummer

21-290/AL/MN

Inhoudsindicatie

Verzetbeslissing. Uit de beoordeling van de afzonderlijke klachtonderdelen blijkt dat de voorzitter steeds het ruimere toetsingskader voor ogen heeft gehouden. Daarbij is het de raad niet gebleken dat de voorzitter bij de beoordeling is vergeten om over klachtonderdelen te oordelen. Ook is het de raad niet gebleken dat de voorzitter bij de beoordeling van de klachtonderdelen essentiële feiten en omstandigheden is vergeten. Verzet ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort  Arnhem Leeuwarden van 4 juli 2022 in de zaak 21-290/AL/MN naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 2 augustus 2021 op de klacht van:

klager oververweerder gemachtigde: mr. Van R-H

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 12 juli 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 29 maart 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 1214110/LF/SD van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 2 augustus 2021 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 2 augustus 2021 verzonden aan partijen. 1.4 Op 31 augustus 2021 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift dezelfde dag ontvangen. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 16 mei 2022. Daarbij waren klager, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift van klager. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager en de gemachtigde van verweerder overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen en van hetgeen overigens ter zitting naar voren is gebracht.

2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager het niet eens is met de beslissing van de voorzitter. In dat verband heeft klager gesteld dat de voorzitter niet over de juiste klachtonderdelen heeft geoordeeld. Daarbij verwijst klager naar de in zijn repliek genoemde vijf klachtonderdelen. Volgens klager heeft de voorzitter onbesproken gelaten dat verweerder het onrechtmatig handelen van het bestuur heeft vastgesteld, maar pas oordeelde dat procederen kansloos was nadat hij het bestuur had gesommeerd tot rectificatie en het bestuur de sommatie niet had opgevolgd. Verweerder had voorafgaand aan de opdracht een ondubbelzinnig procesadvies moeten geven en niet nadat het bestuur de sommatie tot rectificatie had afgewezen, aldus klager. 2.2 Tegen de vaststaande feiten komt klager in verzet niet op. Voor wat betreft de omschrijving van de klacht komt klager, behalve ten aanzien van de volgens klager onvolledige weergave daarvan, in verzet verder niet op.

3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de klachtomschrijving verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter te twijfelen. Hoewel de voorzitter in zijn beslissing onder 4.1 een beperkt toetsingskader heeft opgenomen, blijkt uit de beoordeling van de afzonderlijke klachtonderdelen dat de voorzitter het ruimere toetsingskader steeds voor ogen heeft gehouden. Het ruimere toetsingskader betreft in dit geval de professionele standaard die binnen de beroepsgroep geldt en die veronderstelt dat een advocaat handelt met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Onderdeel daarvan is onder meer dat een advocaat zijn cliënt informeert over de proceskansen en de kostenrisico’s in zijn zaak. De voorzitter heeft het handelen van verweerder hier ook aan getoetst. Daarbij is het de raad niet gebleken dat de voorzitter bij de beoordeling is vergeten om over klachtonderdelen te oordelen. Ook is het de raad niet gebleken dat de voorzitter bij de beoordeling van de klachtonderdelen essentiële feiten en omstandigheden is vergeten.   4.3 Uit het bovenstaande volgt dat de verzetgronden van klager niet slagen. De voorzitter heeft de klacht dus terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond bevonden. 4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff voorzitter, mrs. W.W. Korteweg, P.Th. Mantel, S.J. de Vries en E.M.G. Pouls, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2022.

Griffier                                                            Voorzitter

Bij afwezigheid van mr. A.E. van Oost is deze beslissing ondertekend door mr. M.M. Goldhoorn (griffier)

Verzonden d.d. 4 juli 2022